id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.450 Rolnummer: A. 164438/VII-34382 Zaak: Arrest 159450 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 20:39 Fiche Arrest nr 159.450 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.450 van 1 juni 2006 in de zaak A. 164.438/VII-34.
- In zake : de b.v. BERGLER NEDERLAND, vennootschap naar Nederlands recht, Postbus 2180, NL-4800 CD BREDA, NEDERLAND tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v. BERGLER NEDERLAND op 18 juni 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 mei 2005 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betreffende de vraag van de verzoekende partij tot het bekomen van ontheffing van de burgerlijke sancties; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij op 4 oktober 2005; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het aangetekend schrijven van de verzoekende partij van 26 januari 2006, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; VII-31.839-1/4 Gelet op de beschikking van 2 mei 2006, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 18 mei 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van de heer M. SNATERSE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DEKETELAERE die, loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat de verzoekende partij binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd; dat krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, in principe dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen ontbreekt; Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting doet gelden dat de brief waarbij zij werd uitgenodigd een memorie van wederantwoord in te dienen haar werd toegezonden nadat de griffie van de Raad van State haar had verzocht desgewenst een verzoek om te worden gehoord in te dienen en dat zij de Raad van State verzoekt haar alsnog de mogelijkheid te geven een memorie van wederantwoord in te dienen; Overwegende dat met een schrijven van 29 september 2005, door de verzoekende partij ontvangen op 4 oktober 2005, zij in kennis werd gesteld van de memorie van antwoord van de verwerende partij; dat met dit schrijven aan de verzoekende partij ook een termijn van 60 dagen werd gegeven voor het toesturen van een memorie van wederantwoord en dat , zoals reeds werd gesteld, bovendien werd gewezen op artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad VII-31.839-2/4 van State “voor wat betreft de gevolgen van het niet (tijdig) indienen van memories”, alsook op de artikelen 14bis, § 1, 84 en 85 van de algemene procedureregeling; dat op 29 november 2005 de verzoekende partij een faxbericht aan de griffie heeft verzonden, waarbij zij verwijst naar een brief van 5 oktober 2005, die luidt als volgt: “Wij delen u mede dat wij ons memorie van antwoord gaarne mondeling zouden willen doen”, welke brief bij het faxbericht was gevoegd; Overwegende dat, zelfs indien zou kunnen worden aangenomen dat de voormelde brief van 5 oktober 2005 een memorie van wederantwoord zou kunnen zijn, de verzoekende partij niet aantoont en zelfs niet aanvoert dat die brief, zoals door artikel 84 van de algemene procedureregeling is vereist, aangetekend aan de Raad van State werd verzonden; dat aldus niet blijkt dat er een rechtsgeldige memorie van wederantwoord werd ingediend binnen de daartoe gestelde termijn; dat het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang te dezen dan ook onverkort moet worden toegepast, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-31.839-3/4 A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-31.839-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.450 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.