id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.458 Rolnummer: A. 170681/VII-35590 Zaak: Arrest 159458 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-07 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 20:42 Fiche Arrest nr 159.458 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.458 van 1 juni 2006 in de zaak A. 170.681/VII-35.
- In zake : de n.v. EUROFREEZ, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HELSEN, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. EUROFREEZ op 2 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 24 december 2005 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 9 juni 2005 van de bestendige deputatie van de provincie- raad van West-Vlaanderen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij, om een aardappelverwerkend bedrijf, gelegen te Proven, Molendreef 22/24, verder te exploiteren; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 april 2006; VII-35.590-1/14 Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HELSEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt;
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert een voedingverwerkend bedrijf te Proven. Voor deze activiteiten beschikt zij over de nodige basisvergunningen die verstrijken op 1 september
- Het productieproces veronderstelt een aanzienlijk watergebruik, waarvan circa 85 % leidingwater en circa 15 % afkomstig van grondwaterwinning en een zeer beperkt deel hemelwater. Het geschil heeft betrekking op de grondwaterwinning. 1.
- De verzoekende partij beschikt over twee afzonderlijke vergunningen voor het exploiteren van de grondwaterwinning : - het besluit van het Bestuur van het Mijnwezen van 2 juni1980 voor de waterwinning van 72 m³/dag en 26.000 m³/jaar uit het "Krijt" (189 meter diep) voor een termijn verstrijkend op 20 augustus 2005; - het besluit van de bestendige deputatie van 18 april 2002 houdende hernieu- wing van de grondwaterwinning (50 m³/dag en 12.000 m³/jaar uit de Paleozo- ische sokkel - 331 meter diep) voor een termijn verstrijkend op 18 april
- 1.
- Op 31 januari 2005 dient de verzoekende partij met betrekking tot de waterwinning uit het "Krijt" een aanvraag tot hernieuwing in voor een zelfde debiet, met name 72 m³/dag (26.000 m³/jaar). VII-35.590-2/14 1.
- Op 9 juni 2005 beslist de bestendige deputatie van de provincie- raad van West-Vlaanderen slechts vergunning te verlenen voor een debiet van 35 m³/dag of 8.000 m³/jaar en de vergunningstermijn te beperken tot 18 april
- Tevens worden een reeks bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder de volgende : "De exploitant dient de boorput aan te passen zodat er geen kortsluiting meer is tussen 2 watervoerende lagen. Deze aanpassing dient te gebeuren in overleg met de afdeling Water. Na deze aanpassing dient de exploitant de technische kenmerken van de boorput mee te delen aan de vergunningverlenende overheid, de afdeling Water, de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu- inspectie". 1.
- Tegen de beslissing wordt beroep aangetekend door een omwonende. 1.
- Op 24 december 2005 neemt de verwerende partij een beslissing over het ingediende beroep. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, mits aanpassing van de bijzondere voorwaarde als volgt : "De bestaande boorput dient binnen de zes maanden na ondertekening van onderhavig ministerieel besluit reglementair volledig te worden opgevuld nadat de pomp en alle leidingen eruit verwijderd zijn. De opvulling dient te gebeuren door een boorfirma die de nodige uitrusting heeft om de opvulling te voeren met de speciale cementslurry, zoals vermeld in de brochure 'verlaten grondwaterwinningen'. De afdeling Water dient schriftelijk op de hoogte gesteld van de datum van opvulling door een gedagtekend en ondertekend attest van de boorfirma". De aanpassing van deze bijzondere voorwaarde wordt in het bestreden besluit als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de bestaande boorput in strijd is met de algemene voorwaarden zoals bepaald in artikel 5.53.2.1 van titel II van het Vlarem omdat twee verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding worden gebracht; dat in de bestreden beslissing hieromtrent twee bijzondere voorwaarden zijn opgelegd waarin wordt gesteld dat deze boorput moet worden aangepast; dat gelet op de bepalingen in Vlarem het noodzakelijk is dat deze voorwaarde wordt vervangen en er duidelijk wordt gesteld dat de bestaande boorput buiten gebruik dient te worden gesteld zodat de bestaande kortsluiting tussen 2 watervoerende lagen teniet wordt gedaan en de exploitant zijn boorput dient te herboren". Dit is de bestreden beslissing. VII-35.590-3/14
- In rechte 2.
- De schorsingsvoorwaarden Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.2.
- De standpunten van de partijen 2.2.1.
- Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zet de verzoekende partij het volgende uiteen : "Door middel van het bestreden besluit wordt aan verzoekster opgelegd - en wel bij middel van een bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde - dat binnen de 6 maanden na ondertekening van het bestreden besluit (zijnde vóór 24 juni 2006) de bestaande grondwaterwinning waarvoor er precies een aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning werd ingediend, definitief buiten gebruik dient te worden gesteld. De betreffende voorwaarde luidt immers De bestaande boorput dient binnen de 6 maanden na ondertekening van onderhavig ministerieel besluit reglementair volledig te worden opgevuld nadat de pomp en alle leidingen eruit verwijderd zijn. (...) (de beslissing werd ondertekend op 24 december 2005) Dit is op zich geheel in tegenspraak met de strekking van de bestreden ministeriële beslissing waarbij een vergunning werd toegekend (zij het voor een beperkt debiet) met een vergunningsduur waarvan de eindtermijn samenvalt met de einddatum van de vergunning voor de tweede grondwaterwinning, zijnde 18 april
- Dit betekent immers dat de Minister een hernieuwing van de milieuvergunning verleende tot de datum van 18 april 2007, terwijl tezelfdertijd de in de bestreden beslissing ingeschreven milieuvergunningsvoorwaarde met zich brengt dat de betreffende grondwaterwinning vóór 24 juni 2006 buiten gebruik moet worden gesteld. In wat hierna volgt zal worden aangetoond dat deze aanzienlijke beperking van de vergunningstermijn - die de facto neerkomt op een weigering van de gevraagde vergunning, ook al doet het vergunningsbesluit op zich eigenlijk anderszins uitschijnen - een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt in hoofde van verzoekster. Zoals in de feiten reeds werd uiteengezet is verzoekster exploitant van een voedingsproducerend bedrijf. VII-35.590-4/14 Het productieproces, evenals de zeer strenge hygiënevereisten die op het bedrijf van toepassing zijn, vereisen een zeer omvangrijke watertoevoer op het bedrijf (zie de stroomdiagramma's voor de diverse producten opgenomen in stuk 7). De totale waterinput op het bedrijf bedraagt circa 210.000 m³ op jaarbasis (overzicht van de afgelopen 10 jaar opgenomen in bijlage 8). Daarvan wordt ongeveer 187.000 m³ aangeleverd door de waterleiding (VMW). Voor het overige wordt dit aangevuld met grondwater uit de 2 vergunde grondwaterwinningen. Het huidige productieproces vereist absoluut een aanvoer van om en bij de 210.000 m³ dus de ruim 20.000 m³ water die nog benodigd zijn, bovenop hetgeen door de watermaatschappij wordt geleverd, is noodzakelijkerwijze afkomstig vanuit de boorputten. Wanneer er geen grondwater meer zou mogen worden opgepompt, heeft dit onvermijdelijk consequenties naar het productieproces toe dat op dat ogenblik zou moeten beperkt worden. Noch bedrijfseconomisch, noch commercieel, noch arbeidstechnisch is dit een optie. Het bedrijf heeft bij activiteit een gemiddelde waterbehoefte van 30 m³/uur, bij piekmomenten kan het vereiste waterdebiet gemakkelijk oplopen tot 45 m³/uur. Deze piekmomenten zijn evenwel geen uitzondering aangezien deze samenvallen met de reinigingsactiviteiten op het bedrijf en dit betreft meerdere malen per week. De facto komt het er bijgevolg op neer dat de piekmomenten in de watervoorziening eerder regel zijn dan wel uitzondering. Navraag bij de watermaatschappij leert dat een capaciteit van 30 m³/uur mogelijks nog wel haalbaar is doch een debiet van 45 m³/uur kan door de watermaatschappij onmogelijk worden aangeleverd. Waar de waterleidingsmaatschappij vandaag reeds voorziet in ongeveer 85% van de totale waterbevoorrading van het bedrijf, is dit voorlopig ook de limiet en zijn zij momenteel niet in staat om nog méér water aan te leveren. Precies tijdens de piekmomenten is er dus behoefte aan bijkomende watervoorziening. Het bedrijf heeft bijgevolg onmiskenbaar behoefte aan een alternatieve waterbron, benevens leidingwater. Waterrecuperatie is niet onmiddellijk een alternatief vermits er zich dienaangaande een probleem stelt wegens het opconcentreren van de vuilvracht zodat dit water dan niet meer kan geloosd worden. Het water kan misschien nog wel geloosd worden maar zou niet langer voldoen aan de lozingsnormen (zeker niet wanneer de normen voor de voeding naar P zouden verstrengen). Hierin schuilt - voorlopig althans, gegeven de huidige technische stand van zaken - zeker geen alternatief. Voor een klein deel kan aan de nog benodigde waterbehoefte worden tegemoet gekomen door de opvang van regenwater. Daartoe moet een buffercapaciteit aan regenwater worden voorzien (hetgeen op het huidige bedrijfsterrein onmogelijk is wegens ruimtelijk plaatsgebrek - zie het inplantingsplan opgenomen in stuk 9 - vandaar ook dat zulke opvang maar kan worden voorzien bij uitbreiding van het bedrijf op de naastgelegen percelen). Rekening houdend met een gemiddelde neerslaghoeveelheid van 800 liter per jaar en per m² en met een bestaande dakoppervlakte van ongeveer 5.600 m² waarvan opvang van regenwater mogelijk is, bedraagt de jaarlijks beschikbare regenwatercapaciteit maximaal 4.500 m³. Volgens de registratiegegevens van het grondwater -cfr. de metingen van de laatste jaren, toegevoegd in bijlage 10- bedraagt het jaarlijkse grondwaterverbruik ongeveer 20.000 m³. In de mate er in de toekomst gedeeltelijk op het gebruik van regenwater kan worden overgeschakeld, betekent dit hoe dan ook dat er nog steeds ruim 15.500 m³ water uit grondwater moet kunnen betrokken worden om aan de VII-35.590-5/14 bedrijfsnoden te voldoen, wetende dat de watermaatschappij vandaag niet in staat is om deze nood te ledigen. In algemene zin bestaat de heersende trend inzake vergunbaarheid van - vnl. diepe- grondwaterwinningen er uit dat een strenge visie wordt gehanteerd. Gelet op de kwetsbaarheid en de beperkte aanwezige voorraad in de diepe watervoerende lagen, en gelet op de specifieke eigenschappen van dit grondwater, wordt dit water liefst voorbehouden voor prioritair gebruik als proceswater voor hoogwaardige toepassingen en moeten voor alle overige toepassingen andere bevoorradingsbronnen worden benut. Deze strengere visie die van overheidswege nu wordt aangenomen leidt in de praktijk alleszins tot strengere vergunningsvoorwaarden en korte vergunningstermijnen. De alhier bestreden vergunningsbeslissing is daar mede een bewijs van. Het bedrijf beschikt reeds sinds 1980 over een vergunning voor het winnen van grondwater d.m.v. een put van 189 meter diep (vanuit het Krijt) ten belope van een jaarlijkse vergunde hoeveelheid van 26.000 m³ (dit is de winning waarop de bestreden beslissing betrekking heeft en dewelke nu werd gereduceerd tot een vergund debiet van 8.000 m³), en sinds 1993 tevens over een vergunning voor het winnen van grondwater van maximaal 12.000 m³/jaar uit de Paleozoïsche Sokkel (331 meter diep). Wat betreft deze tweede grondwaterwinning was reeds in de initiële vergunning van 1993 opgenomen dat deze winning 'dienstig is als aanvulling van het stadswater bij het productieproces (aardappelverwerking) - een stoomproductie'. Deze vergunning werd hernieuwd bij beslissing van het Schepencollege van Poperinge van 20.08.1997, waarin expliciet werd overwogen dat op basis van de verstrekte werkingsgegevens van het bedrijf het aangevraagde debiet kan worden aanvaard, dat er geen schade te verwachten is aan de nabij gelegen gebouwen of grondwaterwinningen zodat de vergunning opnieuw voor een termijn van 5 jaar kan worden verleend. Vervolgens werd deze vergunning hernieuwd bij de beslissing van de Bestendige Deputatie van 18.04.2002, en dit voor een termijn tot 18.04.
- Het is met deze laatste termijn dat de vergunningstermijn uit de bestreden beslissing samenvalt - wat doelbewust is gebeurd uiteraard - doch welke termijn onderuit wordt gehaald door de strekking van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde die buitengebruikstelling binnen de 6 maanden na aflevering van de vergunning oplegt. Het mag duidelijk zijn dat een buitengebruikstelling van de grondwaterwinning slechts mogelijk/haalbaar wordt op het ogenblik dat er een volwaardig alternatief van grondwaterwinning beschikbaar is. Dit is op dit moment zeker niet het geval. Waarom is dit niet het geval? Waarom heeft verzoekster geen alternatieven gevonden? Het past om in dit kader wat dieper in te gaan op de uitbreidingsplannen van het bedrijf, en de situering van de waterbehoeften en de manier waarop daaraan wordt tegemoet gekomen in de geplande uitbreiding. Verzoekster plant op zeer korte termijn een uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteit. De laatste jaren is het aantal landen waarnaar het bedrijf exporteert gestegen van 30 naar 68 en om prijstechnische redenen moet het bedrijf kunnen groeien tot een groter productievolume. Het bedrijf is nu gelegen in een zone voor ambachtelijke activiteiten. Een deel van de uitbreiding zou evenwel volgens het huidige gewestplan Ieper-Poperinge in agrarisch gebied gesitueerd zijn. Aangezien industriële activiteiten wettelijk niet-toelaatbaar zijn in het agrarisch gebied, werd om die reden een planologisch attest voor uitbreiding VII-35.590-6/14 aangevraagd bij de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen. Het betreft immers een bedrijf van bovenlokaal belang. Door middel van zulk planologisch attest zou verzoekster zicht krijgen op de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf op de huidige inplantingsplaats, omdat er in principe geen stedenbouwkundige vergunning kan verkregen worden vermits de bestemming van de locatie (landschappelijk waardevol agrarisch gebied) dat niet toelaat. Bij het uitreiken van een positief planologisch attest gaat de bevoegde overheid een bindend engagement aan; ze verklaart alsdan dat ze op korte termijn een plan zal opmaken waarmee het behoud/de uitbreiding van het bedrijf rechtszekerheid kan verkrijgen. Dat plan is een voorontwerp van een bijzonder plan van aanleg of een voorontwerp van een ruimtelijk uitvoeringsplan. De bevoegde overheid zal dat plan binnen een jaar na de uitreiking van het planologisch attest voorleggen aan de bevoegde adviserende instanties. Het planologisch attest dat door verzoekster werd aangevraagd, werd goedgekeurd en dateert van 21.04.2005 (stuk 11). Het beschikkend gedeelte van het advies van de planologisch ambtenaar luidt als volgt : Dit planologisch attest wordt bijgevolg voorwaardelijk gunstig geadviseerd. Het bedrijf kan bestendigd worden op de huidige bedrijfssite en ook een uitbreiding van het bedrijf zoals voorgesteld in de behoefte op korte termijn is verantwoord mits : (...) - voldaan wordt aan de reglementeringen vanuit het decreet integraal waterbeheer, meer bepaald het streven naar zoveel mogelijk waterdoorlatende materialen en een afdoende waterbuffering. En in de overwegingen vanwege de Bestendige Deputatie zelf (...) Standpunt met betrekking tot het behoud van het bedrijf op de huidige locatie : GUNSTIG. Het bedrijf is nu gelegen op een planologische en juridisch correcte zone. (...) Standpunt met betrekking tot de uitbreiding op korte termijn : GUNSTIG MITS VOORWAARDEN. Het bedrijf is belangrijk in de regio en is een belangrijke nationale speler. De uitbreiding is nodig om concurrentieel te blijven met andere bedrijven in het binnen- en buitenland. De gevraagde uitbreiding sluit nauw aan bij de bestaande bebouwing en kan daardoor aanvaard worden. Het is dus duidelijk dat de bevoegde overheid heeft geoordeeld dat de bestaande toestand kan worden bestendigd en dat er tevens kan worden ingestemd met een uitbreiding op korte en evt. ook op lange termijn, zij het mits de aangegeven voorwaarden te respecteren. Vervolgens werd door verzoekster in de eerste helft van 2005 dan ook een aanvang genomen met de aanvraag van de nodige stedenbouwkundige en milieuvergunningen bij de bevoegde overheden m.h.o. op de geplande uitbreiding. In de loop van deze aanvraagprocedure werd echter aan verzoekster duidelijk gemaakt dat de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten met een bekken voor de opvang van regenwater stedenbouwkundig niet kon worden vergund doordat dit onderdeel van het project niet opgenomen was in de korte termijn visie van het planologisch attest. De Provincie West-Vlaanderen richtte dienaangaande een schrijven aan de gemeente Proven waarin o.m. wordt gesteld als volgt (opgenomen in stuk 12) Er wordt ook in het uitstekend deel (rechts) van het bedrijf, een waterbuffer voorzien. Dit was geen onderwerp uit de aanvraag op korte termijn van het planlogisch attest. De locatie is echter niet goed VII-35.590-7/14 afgewogen. Dit werd eerder ook in het besluit van de Bestendige Deputatie in het kader van het planologisch attest aangehaald. De waterbufferbekkens dienen op het eigen terrein te worden voorzien (binnen de korte termijnvisie). Het voorzien van waterbufferbekkens zoals voorgesteld kan mogelijk ook een hypotheek leggen op de uitbreidingsnoden van het bedrijf op langere termijn. Op korte termijn start het provinciebestuur met de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor dit bedrijf. Misschien is het raadzaam om deze problematiek te bekijken binnen dit uitvoeringsplan, zodat er voor de bekkens, als voor de locatie voor de uitbreiding op langere termijn een goede ruimtelijke inpassing gevonden kan worden. Aangezien een positief planologisch attest enkel voor de korte termijn behoeften kan aanleiding geven tot een goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning, is de kans meer dan reëel dat de voorziene waterbuffer met de huidige aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning niet aanvaard zal worden. De waterbuffer kan immers maar gerealiseerd worden voor zover zowel de stedenbouwkundige als de milieuvergunning in het kader van de uitbreiding zijn bekomen. Bij beslissing van het Schepencollege van de Stad Poperinge van 5.10.2005 werd aan verzoekster een stedenbouwkundige vergunning verleend dienstig tot het uitbreiden van de specialiteitenlijn en de opslag van eindproduct, en dit op de aan het bedrijf aanpalende terreinen (stuk 13, waarbij tevens de adviezen van AROHM, de brandweer, de afdeling Land en de dienst Ruimtelijke planning en Mobiliteit van de provincie West-Vlaanderen zijn gevoegd). Ook in deze beslissing wordt vermeld Gelet op het schrijven dd. 19 juli 2005 van de provinciale dienst ruimtelijke planning en mobiliteit te Brugge, houdende gedeeltelijke positieve toetsing van het bouwdossier; dat de inplanting van groenbuffer en waterbuffer opnieuw dienen bekeken te worden teneinde geen hypotheek te leggen op de uitbreidingsnoden van het bedrijf op langere termijn. Gelet op het feit dat de bevoegde overheid niet bereid is de waterbuffer stedenbouwkundig te vergunnen, is de enige mogelijkheid die verzoekster rest te wachten op de goedkeuring van het ruimtelijk uitvoeringsplan en dan een nieuwe aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning (voor o.m. de waterbuffer) in te dienen. Rekening houdend met de diverse termijnen die wettelijk voorzien zijn bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan en de termijnen die nodig zijn om het uitvoeringsplan voor te bereiden, is het weinig waarschijnlijk - om niet het woord 'onmogelijk' te gebruiken - dat de waterbuffer als alternatief voor de grondwaterwinning op 24 juni 2006 (!!) zal zijn gerealiseerd. Zelfs met de eigenlijke vergunningstermijn van 18.04.2007 zal dit nog quasi onmogelijk zijn (laat staan nog ongeveer een jaar eerder!). Om deze redenen -waarop verzoekster slechts in de loop van de beroepsprocedure voor de Minister zicht heeft gekregen en welke haar niet eerder bekend waren- heeft zij in zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verzocht om verlenging van de vergunningstermijn die door de Bestendige Deputatie met haar beslissing van 9.06.2005 was vastgelegd op 2 jaar. Verzoekster verzocht aldus de Commissie om een bijzondere vergunningsvoorwaarde op te leggen met uitbreiding van de vergunningstermijn naar maximaal 5 jaar en tevens gekoppeld aan de realisatie van de regenwaterbuffer, in die zin dat de vergunning definitief zou vervallen in de mate de waterbuffer eerder zou kunnen voorzien worden (zie stuk 6). Deze termijn van 5 jaar werd door verzoekster afgestemd op de tijdsperiode die zij nodig acht om één en ander concreet te realiseren, rekening houdend met de VII-35.590-8/14 tijd die van overheidswege benodigd is om tot uitvoering van het ruimtelijk uitvoeringsplan over te gaan. Noch de Milieuvergunningscommissie, noch de vergunningverlenende overheid heeft oren gehad naar dit argument. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat verzoekster lijdt ten gevolge van de bestreden beslissing is onmiskenbaar aanwezig. Binnen ongeveer 4 maanden - waarover geen betwisting kan bestaan dat dit wel extreem kort dag is - dient de kwestieuze grondwaterwinning volledig en definitief buiten gebruik te worden gesteld, hetgeen met zich brengt dat er een tekort zal ontstaan in de waterbevoorrading van het bedrijf ten belope van ongeveer 8.000 m³ op jaarbasis (uit het in bijlage 8 gevoegde overzicht blijkt dat de jaarlijks opgepompte hoeveelheid grondwater wel gradueel steeds is verminderd doch 8.000 m³ is een absoluut minimale hoeveelheid die uit deze winning nog steeds vereist is). Deze 8.000 m³ kan op geen enkele andere wijze worden betrokken -daargelaten het feit dat dit op dermate korte termijn zou moeten gebeuren- omwille van enerzijds de onmogelijkheid vanwege de watermaatschappij om een groter debiet aan te leveren, en anderzijds de onmogelijkheid om op die termijn een vergunning voor een nieuwe grondwaterwinning aan te vragen (waarbij reeds de grootste twijfels rijzen dat een vergunning voor een nieuwe winning wel zou kúnnen bekomen, die immers noodzakelijkerwijze opnieuw erg diep dient te worden gezocht omdat water uit de ondiepe watervoerende lagen niet voldoet aan de normen vereist in het kader van het voedingsproductieproces) evenals de onmogelijkheid om op het huidige bedrijfsterrein een regenwaterbuffer aan te leggen. Wat betreft dit laatste alternatief moet er, zoals hoger reeds werd uitgelegd, noodzakelijkerwijze gewacht worden op de uitbreiding van het bedrijf aangezien er op het bedrijfsterrein vandaag praktisch gezien geen inplanting van een regenwaterbuffer meer mogelijk is (zie daartoe het plan gevoegd in stuk 9), en uitbreiding op het naastgelegen terrein - alwaar een regenwaterbuffer zou kunnen ingeplant worden - slechts mogelijk is na de vereiste planologische aanpassingen. Een zeer letterlijke lezing van het voorliggende bestreden besluit kan aanleiding geven tot volgende redenering. Verzoekster heeft een hernieuwing van de vergunning voor het winnen van grondwater uit het Krijt verkregen voor een termijn van ongeveer 1,5 jaar, met een einddatum samenvallend met de einddatum van de milieuvergunning voor de tweede grondwaterwinning uit de Paleozoïsche Sokkel. Niettemin werd in de vergunning de bijzondere voorwaarde opgenomen dat de boorput binnen de 6 maanden na datum van het besluit - d.i. vóór 24 juni 2006 - definitief buiten gebruik dient te worden gesteld. Gelet op het feit dat men echter over een vergunning tot 18 april 2007 beschikt zou dit kunnen betekenen dat een nieuwe boorput mag worden voorzien (uit het Krijt) waaruit alsdan nog grondwater kan worden betrokken tot 18 april 2007, datum voor dewelke een hernieuwing van de milieuvergunning zal moeten gevraagd worden. Dit komt er strikt genomen op neer dat een investering tot installatie van een nieuwe boorput moet worden gedaan - investering die moet begroot worden op een bedrag tussen 30.000 en 50.000 EUR - om uiteindelijk amper een jaar te kunnen worden gebruikt, vermits er vandaag niet de minste garantie of zekerheid bestaat over het feit of deze grondwaterwinning nog voor hernieuwing van vergunning in aanmerking zal komen na 18 april
- Bovendien dient er op gewezen te worden dat ook de kostprijs van het opvullen van de winning met slurry conform de bepalingen van het decreet aanzienlijk is. Dit maakt bijgevolg op bedrijfsniveau een volkomen ongeoorloofde VII-35.590-9/14 beslissing uit; dergelijke investering uitvoeren zonder zicht te hebben op enig toekomstperspectief is bedrijfseconomisch volstrekt onhaalbaar. Bovendien moet daarbij nog rekening gehouden worden met het feit dat het herboren van een put ook nog tal van praktische moeilijkheden kan doen rijzen. Zo valt er immers te lezen in de brochure 'Grondwater in West-Vlaanderen' Evenwel is onze diepste watervoerende laag - de Sokkel, totaal anders van samenstelling en struktuur. Dit is geen zandlaag, maar een rotsgesteente. In het bovenste gedeelte van dit compact schieffer-rotsgesteente, zijn op bepaalde plaatsen spleten. Enkel uit deze spleten kan dit diep grondwater opgepompt worden uit een eeuwenoud waterreservoir. De ligging van deze spleten is zeer wispelturig. Zo kan bij het boren van een boorput in de Sokkel op een bepaalde plaats wel grondwater opgepompt worden, terwijl uit een tweede boorput er vlak naast, geen sokkelwater kan opgetrokken worden omdat er niet in een spleet is geboord. Vermits het Krijt geen aparte watervoerende laag is doch tot de Sokkel behoort, kan er van worden uitgegaan dat deze praktische moeilijkheid zich in casu dan ook dreigt te stellen! De voorliggende bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde veroorzaakt in hoofde van verzoekster ontegensprekelijk het onherstelbare, ernstige nadeel dat, in de mate niet tot schorsing zou worden besloten, zij, niettegenstaande het alsdan ingestelde beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, reeds tot definitieve buitengebruikstelling van de kwestieuze grondwaterwinning zal moeten overgaan hetgeen per definitie een uiterst definitieve handeling zal uitmaken die nog bezwaarlijk achteraf zal kunnen ongedaan gemaakt worden. De Afdeling Water heeft trouwens aan verzoekster reeds te kennen gegeven dat er zeer strikt zal worden toegezien op de naleving van de betreffende vergunningsvoorwaarde, die desnoods zal worden afgedwongen. Bij gebreke aan schorsing van de bestreden beslissing zal er immers medio 2006 geen uitspraak omtrent de annulatievordering voorliggen, waardoor verzoekster uiteraard genoodzaakt zal zijn tot de buitengebruikstelling over te gaan. Alsdan stelt zich het immense probleem van onvoldoende waterinput, noodzakelijk voor het behoud van het productieproces zoals het vandaag wordt bestaat (onafgezien van de geplande uitbreiding). Waarmede dan meteen ook elk belang èn inhoudelijke betekenis zal verloren worden om nog tegen de bestreden beslissing op te treden, omdat de vordering tot schorsing en annulatie van de bestreden ministeriële beslissing precies wordt gebaseerd op de ingelaste bijzondere vergunningsvoorwaarde die beëindiging van de waterwinning tegen 24 juni 2006 voorziet, waartoe de Minister met het bestreden besluit heeft beslist. Verzoekster benadrukt dat het hier aangevoerde nadeel wel degelijk rechtstreeks en onmiddellijk voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zodat niet kan worden beweerd dat dit nadeel als zodanig voortvloeit uit de lange duur die de annulatieprocedure desgevallend in beslag zou nemen. Het is bovendien vrij evident waaruit concreet het nadeel bestaat voor verzoekster. Een onvoldoende waterinput heeft onvermijdelijk tot gevolg dat het productieproces zoals het vandaag plaats heeft ontegensprekelijk zal moeten inkrimpen. Onvoldoende watertoevoer betekent immers niet alleen dat de productie ten dele in het gedrang komt - water is in een voedingsbedrijf per definitie een noodzakelijke productiefactor - doch dat de reinigingsactiviteiten evenmin kunnen worden verzekerd, hetgeen uiteindelijk een vicieuze cirkel zal vormen. Eén en ander zal vervolgens aanleiding geven tot negatieve implicaties op diverse vlakken. Een gedwongen beperking van het productiepotentieel heeft VII-35.590-10/14 in eerste instantie gevolgen naar het personeel toe - er werken momenteel toch een 160-tal werknemers (145 arbeiders en 15 bedienden) bij verzoekster - door gedwongen ontslag dan wel periodes van technische werkloosheid. Een beperking van de productie leidt tot een ernstige bedrijfseconomische weerslag in die zin dat dit van aard zal zijn de nakende uitbreidingsplannen te dwarsbomen omwille van de aanzienlijke investeringen die daarmee gemoeid zijn en de vaststelling van een verminderde omzet in de onmiddellijke toekomst die deze toekomstvisie zal hypothekeren. Bovendien moet het effect ook alleszins internationaal gekaderd worden: verzoekster exporteert vandaag naar een 60-tal landen waarmee diverse afnameovereenkomsten bestaan. In de mate verzoekster de gecontracteerde dan wel beloofde afzet niet kan garanderen, vloeit daaruit een zeer ernstig commercieel nadeel dat zelfs niet financieel begrootbaar is. De gedwongen verlaagde productie zal een ernstige aantasting van de concurrentiepositie van verzoekster teweeg brengen wegens de onmogelijkheid om de opgenomen engagementen naar afnemers toe nog te voldoen, evenals de onmogelijkheid om langdurige engagementen aan te gaan met potentiële afnemers. Op die manier zal de onberispelijke reputatie van verzoekster onvermijdelijk schade worden toegebracht en zal er op economisch vlak ontegensprekelijk een verlies aan cliënteel optreden. Wanneer de bestreden ministeriële beslissing niet zal worden geschorst komt verzoekster onmiddellijk in een zeer penibele situatie terecht aangezien zij op dat moment niet over de vereiste waterinput voor haar bedrijf zal beschikken en evenmin op enige manier in staat is om daaraan te voldoen d.m.v. een alternatieve waterbron. Uit hetgeen hierboven is uiteengezet blijkt overduidelijk dat verzoekster door de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel zal lijden". 2.2.1.
- De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende : "IV.3 Verzoekende partij verstrikt zichzelf in haar breedsprakerig betoog, dat overigens niet enkel betrekking heeft op beweerde nadelen maar de grond van de zaak betreft. Ze stelt onder meer : 'Gelet op het feit dat men echter over een vergunning tot 18 april 2007 beschikt zou dit kunnen betekenen dat een nieuwe boorput mag worden voorzien (uit het Krijt) waaruit dan alsdan nog grondwater kan betrokken worden tot 18 april 2007, datum voor de welke een hernieuwing van de milieuvergunning zal moeten gevraagd worden. Dit komt er strikt genomen op neer dat een investering tot installatie van een nieuwe boorput moet worden gedaan - investering die moet begroot worden op een bedrag tussen 30.000 en 50.000 EUR - om amper een jaar te kunnen worden gebruikt, vermist er vandaag niet de minste garantie of zekerheid bestaat over het feit of deze grondwaterwinning nog voor hernieuwing van vergunning in aanmerking zal komen na 18 april
- Bovendien dient er op gewezen te worden dat ook de kostprijs van het opvullen van de winning met slurry conform de bepalingen van het decreet aanzienlijk is. Dit maakt bijgevolg op bedrijfsniveau een volkomen ongeoorloofde beslissing uit; dergelijke investering uitvoeren zonder zicht te hebben op enig toekomstperspectief is bedrijfseconomisch volstrekt onhaalbaar'. Deze passage bewijst dat verzoekende partij heel duidelijk weet dat ze een vergunning heeft voor grondwaterwinning (Krijt) tot 18 april 2007, die ze kan VII-35.590-11/14 uitvoeren door te herboren binnen de zes maanden. De juistheid van haar betoog dat ze geen grondwaterwinning meer kan exploiteren en dat ze daardoor een watertekort dreigt te ondergaan met alle beweerde gevolgen vandien, verdwijnt daarmee als sneeuw voor de zon. IV.4 Het gevolg van de bijzondere voorwaarde van de bestreden beslissing is inderdaad een puur financieel gevolg. Verzoekende partij kan, zoals de Bestendige Deputatie reeds besliste, verder grondwaterwinning exploiteren tot 18 april 2007, maar ze moet dit doen door middel van een nieuwe boorput en ze heeft daarvoor 6 maanden de tijd. Een financieel nadeel is in beginsel niet moeilijk te herstellen. Verzoekende partij brengt geen concrete en precieze gegevens bij waaruit zou kunnen blijken dat dit in casu wel het geval zou zijn. Integendeel stelt verzoekende partij dat de investering voor herboren bedrijfseconomisch niet te verantwoorden zou zijn omwille van een mogelijke te korte looptijd van het gebruik ervan. Het gaat dus niet over een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, maar over hetgeen verzoekende partij een te dure investering vindt. Dit kan overigens ook afgeleid worden uit hetgeen ver- zoekende partij meedeelde tijdens de hoorzitting van de Bestendige Deputatie : 'Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milleuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden : het is een bestaande put van 1971; we spreken over een bestaande situatie; we zijn nooit op de hoogte gebracht van het probleem van kortsluiting; we zijn al een 2 - 3 jaar bezig met alternatieve bevoorradingsbronnen (stadswater); deze aanvoer is beperkt; het leidingnet zal in 2006 - 2007 vernieuwd worden; dan zullen we een grotere aanvoer en buffercapaciteit hebben; het water hebben we nodig; we hebben overgangstermijn nodig tot 2006 - 2007; de boorput aanpassen aan de wetgeving is te duur; over 8 jaar tijd is het waterverbruik met 20 % gedaald; momenteel kunnen we geen buffering plaatsen; als het BPA (wordt) goedgekeurd kunnen we ze plaatsen; momenteel gebruiken we 190.000 m³/j stadswater en 25.000 m³/j boorputwater;' Wellicht kunnen vele ondernemers investeringen in het kader van de Vlaremreglementering bedrijfseconomisch onverantwoord vinden. Dit staat echter mijlenver weg van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in een schorsingsprocedure voor de Raad van State. Het is niets anders dan de opportuniteit betwisten van de Vlarem-reglementering. IV.5 Verzoekende partij bewijst allerminst een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Ze bewijst zelf dat ze door middel van een investering het door haar beweerde watertekort kan opvangen en ze bewijst zelfs dat ze in 2006-2007 een nieuwe bron kan aansnijden door de vernieuwing van het leidingnet. i Verzoekende partij beweert dat die investering tussen de 30.000 en i 50.000 zou bedragen, maar legt ter zake geen stukken voor. Er kan derhalve niet nagegaan worden of de financiële beweringen van verzoekende partij met de waarheid stroken. Bovendien blijkt niet dat verzoekende partij niet bij machte zou zijn om die investering te dragen. Dit lijkt ook onwaarschijnlijk voor een bedrijf met 160 werknemers, dat blijkbaar - gezien de voortdurende uitbreidingen ervan - bijzonder floreert. IV.6 Verwerende partij dient overigens vast te stellen dat verzoekende partij één en ander aan zichzelf te danken heeft. Ze heeft blijkbaar haar bedrijfsactiviteiten voortdurend uitgebreid zonder te anticiperen op haar waterverbruik, wetende onder meer dat in elk geval haar vergunning voor grondwaterwinning (Krijt) ten einde liep in
- Ondanks alle uitbreidingen van haar bedrijf beschikt verzoekende partij nog steeds niet over een aparte buffer voor leidingwater : VII-35.590-12/14 'dat het bedrijf niet beschikt over een aparte buffer voor leidingwater; dat het nochtans een essentieel gegeven is dat vanuit een correct management van water een voldoende en afgesloten opslagmogelijkheid moet voorzien zijn op het bedrijf; dat er momenteel enkel een buffer van 100 m3 aanwezig is voor de diepe boorput'; Ondanks alle uitbreidingen benut het bedrijf van verzoekende partij nog steeds geen regenwater. Ondanks de verwittiging omtrent de precaire toestand van de waterputten heeft verzoekende partij nog steeds geen concrete maatregelen genomen : 'Overwegende dat regenwater tot op heden nog steeds niet benut wordt; dat in de vorige vergunning (dd. 18/4/2002) een studie werd opgelegd naar het mogelijk gebruik van regenwater; dat deze studie niet werd uitgevoerd; (...) Overwegende dat de exploitant reeds in de vorige aanvraag gewezen werd op de precaire toestand van de diepe boorputten; dat er sindsdien nog geen concrete maatregelen genomen werden; dat de exploitant nog steeds geen regenwater benut; dat de vroegere opgelegde studie naar het gebruik van het regenwater niet werd uitgevoerd; dat het bedrijf belangrijke dakoppervlakten heeft zodat dit regenwater kan opgevangen worden'; Verzoekende partij is, indien er per impossibile een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou aangenomen worden, er zelf de oorzaak van. IV.7 De verdere beweringen van verzoekende partij : - dat de aanzienlijke beperking van de vergunningstermijn neerkomt op een weigering van de vergunning; - dat de vergunningstermijn tot 18 april 2007 wordt ondemit gehaald door de bijzondere vergunningsvoorwaarde; - dat verwerende partij geen vergunningstermijn van 5 jaar heeft toegestaan betreffen de grond van de zaak en hebben geen uitstaans met het uiteenzetten van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verwerende partij kan ter zake volledigheidswijze verwijzen naar zijn argumentatie onder de middelen". 2.2.
- Beoordeling De bestreden beslissing heeft een debiet van 8.000 m³/jaar vergund, zodat de buitengebruikstelling van de boorput vanaf 24 juni 2006 neerkomt op een verlies van nagenoeg 5 % van de vereiste hoeveelheid water per jaar. Aangenomen dat dit water hoofdzakelijk gebruikt wordt bij piekmomenten, dan nog lijkt de impact van dit verlies toch nog vrij beperkt. Ongetwijfeld ondergaat de verzoekende partij ingevolge de bestreden beslissing een nadeel, maar dit nadeel is niet voldoende ernstig om als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gekwalificeerd te kunnen worden. Er wordt niet aangetoond dat een verlies van 5 % van de vereiste hoeveelheid water leidt tot een evenredig verlies aan productie. Bovendien is dit al bij al een vrij beperkt nadeel, in die zin dat kan betwijfeld worden dat de concurrentiepositie van verzoekende partij daardoor 'ernstig aangetast' wordt. In ieder geval wordt een nadeel dat zich situeert in deze VII-35.590-13/14 economische sfeer slechts aanvaard als moeilijk te herstellen ernstig nadeel indien dit nadeel erin bestaat dat de productie en/of het voortbestaan van een bedrijf in het gedrang wordt gebracht. Te dezen is slechts sprake van inkrimping van de productie, die het voortbestaan van het bedrijf van de verzoekende partij redelijkerwijze niet in het gedrang brengt. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aangetoond. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen. BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni tweeduizend en zes, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. B REWAEYS. VII-35.590-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.458 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.