← België

Arrest 159459 - - 01/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.459 Rolnummer: A. 173248/X-12841 Zaak: Arrest 159459 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-07 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 20:42 Fiche Arrest nr 159.459 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.459 van 1 juni 2006 in de zaak A. 173.248/X-12.

  1. In zake : Raphaël DE SCHAMPHELAERE, die woonplaats kiest bij Advocaat W. NIEMEGEERS, kantoor houdende te 9000 GENT, Oude Houlei 2 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. tussenkomende partij : de nv AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Raphaël DE SCHAMPHELAERE op 23 mei 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 18 augustus 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de Administratie Ruimtelijke Ordening Oost-Vlaanderen waarbij aan de nv AQUAFIN de steden- bouwkundige vergunning wordt verleend voor de bouw van een waterzuiverings- installatie aan de Beekstraat te Gavere, op een perceel kadastraal gekend onder Gavere, 5de afdeling, sectie B, nr. 649B; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 mei 2006; X-12.841-1/4 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. NIEMEGEERS die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. BOCKSTAELE die loco Advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. DE SMET die loco Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de naamloze vennootschap AQUAFIN met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  5. Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de Administratie Ruimtelijke ordening, huisvesting en monumenten en landschappen Oost-Vlaanderen bij besluit van 18 augustus 2004 een stedenbouw- kundige vergunning heeft verleend aan de tussenkomende partij; dat de vergunning betrekking heeft op de bouw van een waterzuiveringsinstallatie te Gavere, op een perceel kadastraal gekend onder Gavere, 5de afdeling, sectie B, nr. 649 B; dat de verzoeker woont op het perceel gelegen tegenover het genoemde perceel; dat de vordering tot schorsing gericht is tegen het genoemde besluit;
  6. Overwegende dat de verweerder en de tussenkomende partij onder meer een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpen, afgeleid uit de laattijdigheid ervan; Overwegende dat, aangezien stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn van 60 dagen waarbinnen dezen daartegen met een annulatieberoep -en derhalve ook met een vordering tot schorsing- kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de wettelijke mogelijkheden die hen worden geboden om er aldaar inzage van te nemen; X-12.841-2/4 Overwegende dat op derden belanghebbenden de verplichting rust om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het hen wettelijk toegekende inzagerecht; dat deze redelijke termijn ingaat de dag waarop zij zich ervan rekenschap dienen te geven dat krachtens de toepasselijke wetgeving, te dezen het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, voor de uitvoering van die werken een stedenbouwkundige vergunning vereist is, en dat zij bijgevolg redelijkerwijze moeten of kunnen veronderstellen dat een vergunning is afgegeven; dat het niet in de macht van een potentiële verzoeker ligt, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel in rechte wenst te bestrijden, die kennisneming uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten het weten zowel van de overheid van wie zij uitgaat als van alle andere belang- hebbenden in het ongewisse worden gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift verklaart dat hij op 16 december 2005 middels een bericht van de tussenkomende partij heeft vernomen dat op 9 januari 2006 een aanvang zou worden genomen met de bouw van een waterzuiveringsinstallatie; dat, ongeacht eventuele gebreken in de bekend- making, aangevoerd door de verzoeker in zijn vierde middel, de verzoeker op grond van het bedoelde bericht moest weten dat een stedenbouwkundige vergunning afgegeven zou kunnen zijn; dat, zelfs rekening houdend met een redelijke termijn om inzage te nemen in de bestreden vergunning, de vordering die is ingesteld op 23 mei 2006, d.i. meer dan vijf maanden na de dag waarop de aanvang van de werken werd aangekondigd, laattijdig is; Overwegende dat de exceptie gegrond is; dat er geen aanleiding is om de andere excepties te onderzoeken; BESLUIT: Artikel
  7. Het verzoek tot tussenkomst van de nv AQUAFIN in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-12.841-3/4 Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.841-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.459 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.