id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.460 Rolnummer: A. 168138/X-12586 Zaak: Arrest 159460 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 20:43 Fiche Arrest nr 159.460 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.460 van 1 juni 2006 in de zaak A. 168.138/X-12.
- In zake :
- François GRAMMET,
- Lisette ROBEYNS, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat François GRAMMET en Lisette ROBEYNS op 25 november 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 9 september 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 5 juni 2003 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hen de vergunning is verleend voor het verkavelen van een terrein gelegen aan de Van Roostlaan te Tremelo, kadastraal bekend sectie A, nrs. 400 p3 en 400 n3, en anderdeels, vernietiging van laatstgenoemd besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.586-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de verzoekende partijen op 7 mei 2002 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Tremelo een verkavelingsaanvraag hebben ingediend voor een grond gelegen aan de Van Roostlaan, kadastraal bekend sectie A, nrs. 400 p3 en 400 n3; dat de betrokken grond volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven is gelegen in woonpark; dat hij niet blijkt te zijn gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat; dat de aanvraag ertoe strekt de betrokken grond te verkavelen in 3 loten ten behoeve van de oprichting van vrijstaande eengezinswoningen op de loten 1 en 2; dat lot 3, waarop zich reeds een woning bevindt, uit de verkaveling wordt gesloten; dat de gemachtigde ambtenaar op 23 augustus 2002 een ongunstig advies heeft uitgebracht, luidend als volgt : "De aangevraagde verkaveling is gelegen langs een weg die volgens artikel 100 van het decreet (van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) onvoldoende is uitgerust. De weg is slechts voorzien van een kiezelverharding. Als minimale uitrusting wordt beschouwd een weg die verhard is met duurzame materialen en voorzien van een elektriciteitsnet. De verkaveling voorziet niet in de uitrusting van deze wegenis. (Aangezien) de ontworpen loten bestemd zijn voor het oprichten van (e)en woning en volgens artikel 100 van het decreet geen woning kan worden opgericht aan een weg die onvoldoende is uitgerust, is de voorgelegde verkavelingsaanvraag niet aanvaardbaar"; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 3 september 2002 de gevraagde vergunning heeft geweigerd op grond van dit ongunstig advies; dat verzoekende partijen beroep hebben ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant; dat de X-12.586-2/10 bestendige deputatie bij besluit van 5 juni 2003 het beroep heeft ingewilligd en de gevraagde vergunning heeft verleend op grond van volgende motieven : "De aanvraag voldoet niet aan artikel 100 van het decreet houdende de ruimtelijke ordening. Dit artikel voorziet dat aan een onvoldoende uitgeruste weg geen stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van o.m. een woning kan verleend worden. Ongeacht de plaatselijke toestand, wordt als minimale uitrusting beschouwd een met duurzame materialen verharde weg, voorzien van een elektriciteitsnet. Een zandweg met plaatselijk ingereden breukasfalt of kiezelstroken is onvoldoende duurzaam. Voorliggende weg heeft door het langdurig gebruik wel een semi-verhard karakter verkregen. Het specifiek karakter van het woonparkgebied verantwoordt de aanleg van wegen met zand en steenslag. Dergelijke wegen zijn volledig integreerbaar in de bestaande omgeving en beantwoorden aan een goede ruimtelijke ordening van het betrokken gebied. Alle reeds bestaande wegen vervangen door wegen in asfalt of klinkers, zou de eigenheid van het woonpark teniet doen. Niet verharde wegen passen immers in een groene omgeving met weinig bebouwing en veel bomen. Ze zijn eigen aan het gebied. Bovendien is het vanuit milieukundig standpunt opportuun om zandwegen en niet-duurzaam verharde wegen te behouden. Door te kiezen voor onverharde wegen wordt de waterhuishouding slechts minimaal uit evenwicht gebracht. Bij dergelijke wegen kan het hemelwater namelijk rechtstreeks infiltreren in de ondergrond. De hoofdwegen in het verkaveld bosgebied zijn voorzien van een asfaltverharding. Het zijn enkel de korte aftakkingen tussen deze wegen die bestaan uit semi-verharde zandwegen. Zij staan in voor de ontsluiting van enkele tientallen woningen. Gelet op de plaatselijke omstandigheden, meer bepaald hun beperkte functie en hun harmonisch samengaan met het woonparkgebied, kan besloten worden dat de voorliggende weg voldoende verhard en uitgerust is. Uitbreiding van wegenisinfrastructuur is hier niet gewenst"; dat de gemachtigde ambtenaar met een op 23 juli 2003 ter post aangetekende brief, hernomen met een op 25 juli 2003 ter post aangetekende brief, beroep heeft aangetekend bij de Vlaamse regering tegen voormeld besluit van de bestendige deputatie; dat dit beroep is gemotiveerd als volgt : "De aanvraag beoogt het verkavelen van een goed, volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij K.B. van 7 april 1977, gelegen in een woonpark. Het ontwerp voorziet het afsplitsen van twee bouwloten gelegen langs een zijvertakking van de Van Roostlaan. De weg waaraan de loten palen is een zandweg die verhard is met kiezel. Dergelijke verharding kan niet beschouwd worden als duurzaam zoals beschreven in artikel 100 van het decreet houdende de ruimtelijke ordening. Dit artikel voorziet dat op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, geen stedenbouwkundige vergunning kan worden verleend voor het bouwen van o.m. een woning. Ongeacht de plaatselijke toestand, wordt als minimale uitrusting beschouwd een met duurzame materialen verharde weg, voorzien van een elektriciteitsnet. (Aangezien) de loten bestemd zijn voor het oprichten van een woning en de ingediende aanvraag de aanleg van een duurzame verharde wegenis niet voorziet, voldoet het ontwerp niet aan artikel 100 van het decreet. De bestendige deputatie stelt in haar beslissing dat de aanvraag niet voldoet aan X-12.586-3/10 artikel 100, maar verwijst naar het specifiek karakter van het woonparkgebied. Een verwijzing naar de plaatselijke toestand is in strijd met de woorden 'ongeacht de plaatselijke toestand' zoals vermeld in het decreet. Alle motieven waarop dit beroep rust zijn in dit beroepschrift opgenomen. Bij dit beroepschrift is één bijlage gevoegd in verband met de vervanging van de gemachtigde ambtenaar"; dat de gemachtigde ambtenaar met een afzonderlijke zending van 23 juli 2003 aan de bevoegde administratie het administratief dossier heeft overgemaakt; dat hij met een op 25 juli 2003 ter post aangetekende brief een afschrift van het beroepschrift aan de verzoekende partijen heeft overgemaakt; dat de hoorzitting op 18 november 2003 heeft plaatsgevonden; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 9 september 2005 het beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft ingewilligd en het besluit van 5 juni 2003 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant heeft vernietigd, op grond van overwegingen die hierna, bij de bespreking van het derde middel, worden aangehaald; Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, "zoals van toepassing op 25 juli 2003, het ogenblik waarop de gemachtigde ambtenaar het beroep instelde tegen het besluit van de bestendige deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant d.d. 5 juni 2003, houdende aflevering van de vergunning", "Doordat het beroep van de gemachtigde ambtenaar bij de bevoegde Minister d.d. 25 juli 2003, waarvan verzoekers (k)opie ontvingen, uitdrukkelijk vermeldt dat dit beroep geen bijlagen bevat, terwijl uit het administratief dossier blijkt dat het dossier dat dit beroep begeleidt reeds op 23 juli 2003 werd overgemaakt, en dit dossier een aantal stukken bevatte, waarvan verzoekers het bestaan niet kenden, zoals luchtfoto's en dergelijke, Terwijl artikel 53 DRO, zoals van toepassing op het ogenblik dat het beroep werd ingesteld, de notificatie(vereiste) van de (k)opie van het bij de Minister ingestelde beroep met al zijn bijlagen, wat geldt als substantiële vormvereiste (...), En terwijl aan deze vormvereiste uiteraard niet kan worden ontsnapt door de bijlagen die bij het beroep horen bij afzonderlijke zending te versturen, zoals in casu gebeurde, En terwijl de wijziging van de in het middel aangehaalde wettelijke bepaling bij (d)ecreet d.d. 21 november 2003 de schending van deze substantiële vormvereiste onmogelijk kan ongedaan maken, ook al wordt deze decreetswijziging van toepassing verklaard op alle hangende beroepen, nu deze bepaling nooit kan betekenen dat wegens de schending van substantiële vormvoorschriften onontvankelijke beroepen door deze bepaling plots weer ontvankelijk worden nadat de beroepstermijn reeds is verstreken"; X-12.586-4/10 dat zij in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 "zoals gewijzigd bij Decreet d.d. 21 november 2003", "Doordat, in de nota neergelegd naar aanleiding van de hoorzitting die werd georganiseerd over het beroep van de gemachtigde ambtenaar, verzoekers uitdrukkelijk signaleerden dat de bijlagen bij het beroep bij de Minister hen niet werden genotificeerd, en hen niet bekend zijn, En doordat de Minister ingevolge deze nota niets heeft ondernomen om aan dit euvel te verhelpen, Terwijl artikel 53 DRO zoals gewijzigd bij (d)ecreet d.d. 21 november 2003, en voor zover Uw Raad van oordeel is dat dit artikel zoals gewijzigd ook reeds op het tevoren ingestelde beroep van toepassing was, voorziet in de mededeling aan verzoekers van een inventaris van de stukken die wél aan de Vlaamse Regering en niet aan hen werden meegedeeld, En terwijl dit artikel eveneens voorziet in de verhelping door de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, van het niet voldaan zijn aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, En terwijl aldus de Vlaamse (r)egering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse (r)egering voorbereidend onderzoekt, niettegenstaande uitdrukkelijk door de aanvrager te zijn geattendeerd op het gebrek aan notificatie van de bijlagen bij het beroep bij de Vlaamse (r)egering, minstens van de inventaris van deze bijlagen, niets hebben ondernomen om aan dit vormgebrek zelfs hangende het beroep te verhelpen zodat ook om die reden het beroep van de (g)emachtigde ambtenaar onontvankelijk hoort te worden verklaard"; Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel de schending aanvoeren van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening), zoals het van toepassing was op 25 juli 2005, datum waarop de gemachtigde ambtenaar beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de gevraagde verkavelingsvergunning werd verleend, en in het tweede middel de schending van hetzelfde artikel, zoals gewijzigd bij het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat artikel 53, § 2, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 67 van voormeld decreet van 21 november 2003, bepaalt wat volgt : "§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig X-12.586-5/10 dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3/ welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State. (...)"; Overwegende dat het bij het decreet van 21 november 2003 ingevoegde tweede lid van artikel 53 krachtens het derde lid van dit artikel eveneens van toepassing is op "beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling"; dat deze bepaling niet anders kan worden begrepen dan dat het tweede lid eveneens van toepassing is op de reeds bij de Vlaamse regering aanhangig gemaakte administratieve beroepen waarover nog niet is beslist (zie ook memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1800, 1); dat aldus te dezen het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep dient te worden getoetst aan artikel 53, § 2, zoals gewijzigd bij het decreet van 21 november 2003; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar met een op 23 juli 2003 ter post aangetekende brief, hernomen met een op 25 juli 2003 ter post aangetekende brief, beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 5 juni 2003 waarbij de gevraagde verkavelingsvergunning werd verleend; dat hij met een op 25 juli 2003 ter post aangetekende brief aan de verzoekende partijen een afschrift van het beroepschrift heeft gezonden; dat dit beroepschrift uitdrukkelijk vermeldt dat geen bijlagen zijn bijgevoegd; dat de gemachtigde ambtenaar met een afzonderlijke zending van 23 juli 2003 het dossier aan de bevoegde administratie had X-12.586-6/10 overgemaakt; dat de verzoekende partijen in een nota, neergelegd naar aanleiding van de hoorzitting die werd gehouden op 18 november 2003 in het kader van de behandeling van het administratief beroep, hebben gesteld dat de bijlagen bij het beroep hen niet werden genotificeerd en hen niet bekend zijn; Overwegende dat artikel 53, § 2, tweede lid, 1/ en 2/, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening een duidelijk onderscheid maakt tussen, enerzijds, "bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken", en die op straffe van nietigheid samen met het beroepschrift aan de aanvrager ter kennis dienen te worden gebracht, en anderzijds, "de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden", en waarvan enkel een inventaris aan de aanvrager ter kennis dient te worden gebracht; dat in het eerste geval de aanvrager op straffe van nietigheid volledig dient te zijn ingelicht op het ogenblik van de aanzegging van het beroep, terwijl indien in de loop van de administratieve procedure wordt vastgesteld dat aan de verplichting van het 2/ niet is voldaan, hieraan alsnog kan worden verholpen; Overwegende dat de verzoekende partijen te dezen niet de schending inroepen van de onder 1/ op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; dat zij wel aanvoeren dat hen, met miskenning van het voorschrift van 2/, geen inventaris van de stukken van het administratief dossier is betekend, en dat aan dit gebrek evenmin is verholpen in de loop van de administratieve procedure; Overwegende dat de verwerende partij een door de raadsman van de verzoekende partijen ondertekend stuk heeft neergelegd, onder de hoofding "beroep : artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en zijn latere wijzigingen. Tremelo : de heer en mevrouw Grammet-Robeyns betreft: verkavelingsaanvraag", waarin die raadsman "verklaart inzage te hebben gehad in betreffend dossier met ref SV/B/2309/5325 op 4 november 2003, ter voorbereiding van de hoorzitting, gepland op 18 november 2003"; Overwegende dat artikel 53, § 2, 3/, in fine, bepaalt dat "indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, niet is voldaan , (...) hieraan alsnog (kan) worden verholpen"; dat uit deze bepaling op het eerste gezicht niet blijkt dat dit verhelpen enkel en alleen kan door een actief optreden van de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij X-12.586-7/10 de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt; dat niet wordt uitgesloten en ook niets belet dat hieraan ook door de aanvrager zelf kan worden verholpen, zoals dit in casu overigens blijkt te zijn gebeurd; dat aan de finaliteit van deze bepaling, met name dat de aanvrager op de hoorzitting die wordt gehouden met volledige kennis van zaken zijn standpunt kan uiteenzetten, lijkt te zijn voldaan; dat het eerste en het tweede middel niet ernstig zijn; Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van artikel 100 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, "Doordat het bestreden besluit de verkavelingsvergunning weigert wegens schending van artikel 100 DORO dat de overheid verbiedt stedenbouwkundige vergunningen af te leveren voor percelen die gelegen zijn aan een weg die gelet op de plaatselijke toestand onvoldoende uitgerust is, Terwijl artikel 100 DORO blijkens de duidelijke tekst ervan enkel van toepassing is op de aflevering van stedenbouwkundige vergunningen, en niet op de aflevering van verkavelingsvergunningen, En terwijl de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 195sexies DORO om aan te tonen dat artikel 100 DORO ook op de aflevering van verkavelingsvergunningen van toepassing zou zijn allerminst overtuigt, nu uit dit artikel blijkt dat dit artikel enkel wordt toegepast voor de aflevering van stedenbouwkundige vergunningen voor loten binnen verkavelingen waarvoor de vergunning voor 1 mei 2000 werd afgegeven, en helemaal niet voor verkavelingsvergunningen"; Overwegende dat artikel 100, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt : "Op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, kan geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend voor het bouwen van een commercieel, ambachtelijk of industrieel gebouw of voor het bouwen van een woning, met uitzondering van een land- of tuinbouwbedrijf en van een exploitatiewoning van een land- of tuinbouwbedrijf. Ongeacht de plaatselijke toestand, wordt als minimale uitrusting beschouwd een met duurzame materialen verharde weg, voorzien van een elektriciteitsnet"; Overwegende dat artikel 195sexies, § 1, van hetzelfde decreet, luidt als volgt : "De voorwaarden vermeld in artikel 100, § 1, gelden niet voor verkavelingen die voor 1 mei 2000 zijn goedgekeurd, waarbij geen of beperktere lasten inzake weguitrusting zijn opgelegd"; X-12.586-8/10 Overwegende dat het bestreden besluit de vergunning weigert op grond van volgende redengeving : "Overwegende dat de betreffende grond ongeveer 70m breed is en 80m diep; dat deze zich situeert in een reeds vrij intens bebouwd bosgebied; dat de wegenissen binnen dit gebied bestaan uit een raster van asfaltverharde hoofdwegen en smalle zandwegen die plaatselijk verhard werden met kiezel; dat de grond paalt aan 2 onvoldoende verharde aftakkingen van de asfaltverharde Van Roostlaan; Overwegende dat aan het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals mede gewijzigd op 21 november 2003 bij middel van technische decreetswijzigingen, het artikel 195sexies werd toegevoegd; dat dit artikel onder meer het volgende stelt : '§
- De voorwaarden vermeld in artikel 100, § 1, gelden niet voor verkavelingen die voor 1 mei 2000 zijn goedgekeurd, waarbij geen of beperktere lasten inzake weguitrusting zijn opgelegd'; dat dit impliceert dat voor verkavelingsaanvragen ingediend ná 1 mei 2000 de te verkavelen grond moet gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg, conform het artikel 100, § 1 (of dient mits goedkeuring van de gemeenteraad te voorzien in de aanleg van de wegenis); Overwegende dat de betreffende grond echter niet paalt aan een weg die conform het voornoemde artikel 100, § 1, voldoende is uitgerust; dat immers als verharding enkel zand met wat ingereden kiezel voorkomt; dat dit niet als een met duurzame materialen verharde weg kan worden beschouwd; dat bijgevolg de aanvraag strijdt met het artikel 100, § 1, en derhalve niet voor vergunning in aanmerking kan komen; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient te worden ingewilligd"; Overwegende dat artikel 100 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening volgens de bepaling ervan enkel geldt voor aanvragen om stedenbouwkundige vergunning, niet voor verkavelingsaanvragen; Overwegende dat de bepaling van artikel 195sexies, § 1, van hetzelfde decreet, luidens welke "de voorwaarden vermeld in artikel 100, § 1, (...) niet (gelden) voor verkavelingen die voor 1 mei 2000 zijn goedgekeurd, waarbij geen of beperktere lasten inzake weguitrusting zijn opgelegd" op het eerste gezicht niet anders kan worden uitgelegd dan dat voor loten binnen verkavelingen die ná 1 mei 2000 worden goedgekeurd de bepaling van artikel 100 wel toepassing vindt; Overwegende dat met de verwerende partij moet worden aangenomen dat de finaliteit van een verkavelingsvergunning precies het bebouwen van de loten uitmaakt; dat, gelet op hetgeen voorafgaat, in de bestreden beslissing terecht lijkt te zijn onderzocht of de aanvraag is gelegen aan een weg die conform artikel 100, § 1, van het decreet voldoende is uitgerust; dat het middel geen kritiek X-12.586-9/10 uitoefent op de conclusie waartoe dat onderzoek volgens de bestreden beslissing leidt; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.586-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.460 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.