← België

Arrest 159494 - - 01/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.494 Rolnummer: A. 133482/XIV-13968 Zaak: Arrest 159494 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 20:44 Fiche Arrest nr 159.494 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 159.494 van 1 juni 2006 in de zaak A. 133.482/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN DIJK, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Emiel Banningstraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 oktober 1959 en van Marokkaanse nationaliteit, op 26 februari 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2003 tot weigering van een visum, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht bij schrijven vanwege de Belgische Vice-Consul te Casablanca, d.d. 4 februari 2003; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 23 januari 2006; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 mei 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-13.968-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. MOMMERENCY die, loco Advocaat E. VAN DIJK, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-Auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij, komt België binnen op 9 augustus
  4. 1.
  5. Op 25 augustus 1977 wordt de verzoekende partij in het bezit gesteld van een attest van immatriculatie. 1.
  6. Op 27 september 1978 verwerft de verzoekende partij een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister. 1.
  7. Op 22 juli 1981 huwt de verzoekende partij in Marokko met M. S., van Marokkaanse nationaliteit. 1.
  8. Op 16 maart 1995 wordt de verzoekende partij in het bezit gesteld van een identiteitskaart voor vreemdelingen. 1.
  9. Op 25 februari 1996 wordt de verzoekende partij in Marokko veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar; de verzoekende partij is er op dat ogenblik op vakantie. 1.
  10. Op 7 november 2001 verwerft de echtgenote van de verzoekende partij, M. S., de Belgische nationaliteit. 1.
  11. Op 19 augustus 2002 dient de verzoekende partij, via het Belgisch consulaat in Casablanca, een visumaanvraag in om tot voorlopig verblijf te worden toegelaten. De verzoekende partij beroept zich op het recht op terugkeer, zoals voorzien in artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 7 augustus 1995 houdende vaststelling van de gevallen waarin en van de voorwaarden waaronder een vreemdeling, wiens afwezigheid uit het Rijk langer dan één jaar duurt, kan gemachtigd worden er terug te keren; XIV-13.968-2/5 1.
  12. Op 22 januari 2003 wordt de visumaanvraag van de verzoekende partij geweigerd. Deze beslissing, die de thans bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) De betrokkene kan geen beroep doen op het KB van 07/08/1995 gezien hij niet voldoet aan artikel 2 van dit KB. Hij is namelijk op het tijdstop van de aanvraag langer dan 5 jaar afwezig geweest ui het Rijk. De betrokkene zat immers sedert 25/02/1996 in Marokko een gevangenisstraf ui van 5 jaar wegens het lid zijn van een misdadigersbende. Hij voldoet tevens niet aan de bijkomende voorwaarde voor het aantonen van voldoende bestaansmiddelen. Gezien bovenvermeld gedrag vormt de betrokkene tevens een gevaar voor de openbare orde, waardoor hij geen beroep kan doen op artikel 40 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdeling; (...)”. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, § 2, betreft, artikel 3, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat deze bepaling zo dient te worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij tengevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de verzoekende partij gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat hij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat hij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; Overwegende dat een schorsing van de tenuitvoerlegging uiteraard slechts zal bevolen worden indien betreffende schorsing op een of andere manier voor de verzoekende partij een nuttig effect kan hebben; dat de Raad van State reeds negatieve beslissingen geschorst heeft omdat hiermee aan het bestuur de mogelijkheid wordt gegeven tot heroverweging, met mogelijk gunstig gevolg voor de bestuurde; dat de schorsing van een weigeringsbeslissing voor de verzoekende partij in dat perspectief nuttig kan zijn, betekent evenwel niet dat zij ervan ontslagen zou zijn concrete aanduidingen te geven omtrent het nadeel dat zij zal lijden; dat integendeel, daar de schorsing slechts onrechtstreeks het door XIV-13.968-3/5 de verzoekende partij beoogde effect kan hebben en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van een weigeringsbeslissing niet evident is, dienen strengere eisen gesteld te worden aan de concreetheid en precisie van het betoog waarmee een verzoekende partij haar nadeel poogt aan te tonen; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het hierna volgende aanvoert: “Le requérant a en principe un droit à vivre avec sa famille et ce en vertu de l'article 8 de la Convention européenne précitée. Il y a lieu de mettre fin au plus tôt à cette impossibilité de vivre avec cette famille, ce qui suppose que l'acte attaqué soit suspendu et qu'ainsi il est mis fin à l'impossibilité pour le requérant d'exercer son droit à la vie familiale.” Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat zij, op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), het recht heeft om met haar gezin samen te leven; dat de verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing moet worden geschorst, om een einde te stellen aan de onmogelijkheid om dit recht te genieten; Overwegende dat tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing slechts kan worden besloten op voorwaarde dat wordt aangetoond, of op zijn minst aannemelijk wordt gemaakt, dat de vernietiging van het bestreden besluit, zonder voorafgaande schorsing niet kan volstaan om aan de verzoekende partij een genoegzaam herstel van het door de bestreden beslissing teweeggebrachte nadeel te waarborgen; dat bijgevolg het ingeroepen nadeel niet alleen ernstig moet zijn maar bovendien moeilijk te herstellen; dat het door de verzoekende partij aangevoerde betoog geenszins het moeilijk te herstellen karakter van het vermeende nadeel aannemelijk maakt; Overwegende dat tevens de loutere schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat wordt beweerd door de verzoekende partij, het vermeende nadeel op zich niet kan ongedaan maken; dat een schorsingsbesluit op zich de situatie van de verzoekende partij niet zal wijzigen, vermits een dergelijk besluit niet automatisch voor gevolg zal hebben dat de verzoekende partij België mag binnenkomen, zodat het dienvolgens niet het voor de verzoekende partij beoogde effect tot gevolg zal en kan hebben; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, XIV-13.968-4/5 BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één juni tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-13.968-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.