← België

Arrest 159566 - - 02/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.566 Rolnummer: A. 170763/IX-5255 Zaak: Arrest 159566 - - 02/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 20:50 Fiche Arrest nr 159.566 van 2 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.566 van 2 juni 2006 in de zaak A. 170.763/IX-5255. In zake : Carl DE SCHUTTER, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te BRUGGE-ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Carl DE SCHUTTER op 6 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 9 januari 2006, genomen door de eerstaanwezend directeur van de gevangenis te Brugge, waarbij de verzoekende partij bij ordemaatregel de mogelijk- heid wordt ontzegd om briefwisseling te voeren met Peter CARLIER; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 maart 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5255-1/5 Gelet op de beschikking van 3 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA die, loco advocaat V. VEREECKE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker werd bij arrest van 5 juni 2002 door het Hof van Assisen te Antwerpen veroordeeld tot 25 jaar opsluiting. Hij verblijft thans in het Penitentiair Complex te Brugge. 1.2. Op 5 april 2005 wordt met het oog op de veiligheid van de gevangenis besloten om verzoeker en medegedetineerde Peter CARLIER op verschillende secties te plaatsen om hen zo weinig mogelijk met elkaar in contact te laten komen. Beide gedetineerden blijven echter met elkaar correspondentie voeren. 1.3. Op 29 december 2005 wordt Peter CARLIER bij wijze van tuchtsanctie verbod opgelegd om nog langer met verzoeker te corresponderen. 1.4. Op 6 januari 2006 wordt die tuchtsanctie ingetrokken. 1.5. Op 9 januari 2006 wordt bij ordemaatregel aan Peter CARLIER en verzoeker de mogelijkheid ontzegd om met elkaar briefwisseling te voeren. Dit is de bestreden beslissing die als volgt luidt : IX-5255-2/5 “ORDEMAATREGEL LASTENS DE SCHUTTER CARL Gelet op art. 19 tweede lid van het Algemeen Reglement dat bepaalt dat veroordeelden met geen andere dan de in het eerste lid bedoelde familieleden briefwisseling mogen voeren, tenzij de directeur toelating verleent; Gelet op het feit dat met het oog op de veiligheid van de gevangenis de gedetineerden Peter Carlier en Carl De Schutter op verschillende secties geplaatst zijn om hen zo weinig mogelijk met elkaar in contact te laten komen; Gelet op hun beide persoon zoals blijkt uit hun veroordeling(

  1. en)en uit hun detentiegedrag waaruit het risico blijkt voor de veiligheid van de gevangenis; Gelet op deze elementen is de hiernavolgende beslissing verantwoord; OM DEZE REDENEN Zeggen dat Peter Carlier en Carl De Schutter de mogelijkheid ontzegd worden om met elkaar briefwisseling te voeren. Aldus beslist en meegedeeld aan Carl De Schutter op 9 januari 2006 (...) Eerstaanwezend Directeur”. 1.6. Op 26 januari 2006 wordt aan verzoeker verbod opgelegd om nog briefwisseling te voeren met andere gedetineerden. Die maatregel wordt op 31 maart 2006 opgeheven. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, gebaseerd op de omstandigheid dat de bestreden beslissing uitsluitend is ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsover- wegingen en niet tot doel heeft verzoeker, als gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen; dat volgens de verwerende partij de bestreden beslissing bijgevolg een ordemaatregel uitmaakt en geen tuchtmaatregel; Overwegende dat verzoeker betoogt dat de ingestelde vordering tot schorsing wel degelijk ontvankelijk is, omdat de bestreden beslissing geen rechtstreekse medewerking inhoudt aan de strafuitvoering, zij gebaseerd is op het gedrag van verzoeker en de beslissing een invloed heeft op zijn rechtstoestand; dat verzoeker daaraan toevoegt dat de genomen ordemaatregel in wezen een verkapte tuchtmaatregel is, zodat de procedurele waarborgen voor het opleggen van een tuchtmaatregel moeten worden nageleefd; 2.2. Overwegende dat in het arrest nr. 116.899, DE SMEDT, van 11 maart 2003, de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State ondermeer het volgende overweegt : “Overwegende dat de directeur van een strafinrichting belast is met de zorg voor de goede werking van, en de goede orde in, de strafinrichting; dat hij met het oog daarop ten aanzien van wie in de strafinrichting is opgenomen een veelheid van maatregelen kan beslissen die zekere ongemakken of IX-5255-3/5 onaangenaamheden kunnen meebrengen; dat evenwel, in zoverre die maatregelen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, zij zich voordoen als loutere maatregelen van inwendige orde, waartegen in principe geen annulatieberoep openstaat; dat het anders is wanneer de maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen; dat dan de maatregel in de eerste plaats gemotiveerd wordt door het schuldig bevonden gedrag van de gedetineerde, waarvoor hij wil doen boeten; dat dergelijke maatregel, zoals de bestreden beslissing er een is, wel voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking komt.”; Overwegende dat een ordemaatregel louter de goede werking van het gevangeniswezen beoogt en in essentie is ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen en een tuchtmaatregel tot doel heeft de gedetineerde te bestraffen voor een tekortkoming; Overwegende dat de bestreden beslissing, die zich aandient als een ordemaatregel, gebaseerd is op het gedrag van verzoeker in het penitentiair centrum en niet meebrengt dat met die ordemaatregel wordt beoogd, verzoeker voor een disciplinaire tekortkoming te bestraffen; dat de bestreden beslissing aansluit bij een eerder genomen maatregel, die verzoeker niet heeft aangevochten, waarbij “met het oog op de veiligheid van de gevangenis de gedetineerden Peter CARLIER en Carl DE SCHUTTER op verschillende secties zijn geplaatst om hen zo weinig mogelijk met elkaar in contact te laten komen”; dat de verwerende partij er in haar nota op wijst dat verzoeker mogelijks betrokken is bij ontsnappingsplannen en dat er derhalve “redenen zijn om behoedzaam te werk te gaan aangaande de contacten van de heer DE SCHUTTER met medegedetineerden.”; dat blijkt dat Peter CARLIER reeds twee vluchtpogingen heeft ondernomen, waarvan één met gijzeling, waarvoor hij door de correctionele rechtbank te Leuven werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het verbod om briefwisseling te voeren met Peter CARLIER een maatregel van orde uitmaakt, die is ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen en die niet kan worden beschouwd als een tuchtmaatregel, met als finaliteit verzoeker te bestraffen voor een tekortkoming; dat bijgevolg de vordering tot schorsing onontvankelijk is, gelet op de onbevoegdheid van de Raad van State om van de ingestelde vordering kennis te nemen, zodat de exceptie van de verwerende partij gegrond is, IX-5255-4/5 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2000 en zes, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5255-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.566 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.804 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.