id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.612 Rolnummer: A. 167724/X-12557 Zaak: Arrest 159612 - - 06/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 20:55 Fiche Arrest nr 159.612 van 6 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.612 van 6 juni 2006 in de zaak A. 167.724/X-12.
- In zake : Marina DROOGMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187,
- de gemeente NIEUWERKERKEN, die woonplaats kiest bij Advocaat G. KINDERMANS, kantoor houdende te 3870 HEERS, Steenweg
- tussenkomende partij : de nv VANBRABANT, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marina DROOGMANS op 15 november 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 4 augustus 2005 van de gemeenteraad van de gemeente Nieuwerkerken houdende definitieve goedkeuring van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven-fase 2 van de gemeente Nieuwerkerken en van het besluit van 21 september 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van voornoemd sectoraal bijzonder plan van aanleg, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 oktober 2005; Gezien de nota's van de verwerende partijen; X-12.557-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. BEELEN die loco Advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat L. FABRE die loco Advocaat G. KINDERMANS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat J. BOSQUET die loco Advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de nv VANBRABANT met een verzoekschrift van 19 december 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat Marina DROOGMANS eigenares is van een perceel gelegen aan de Wijerstraat te Nieuwerkerken-Kozen; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden-Tongeren voor een diepte van 50 m vanaf de straat is gelegen in woongebied met landelijk karakter en voor het overige is gelegen in agrarisch gebied; dat naast het perceel van de verzoekende partij de bedrijfsvestiging van de tussenkomende partij is gelegen, zijnde een vroegere maalderij die gaandeweg werd uitgebreid met een tuincentrum waar vooral meststoffen worden verhandeld; dat dit bedrijf volgens de bestemmingsvoorschriften van voormeld gewestplan is gelegen X-12.557-2/8 deels in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch gebied; dat de gemeente Nieuwerkerken in 2003 het initiatief heeft genomen om een sectoraal bijzonder plan van aanleg op te maken voor de zonevreemde bedrijven op haar grondgebied; dat in een eerste fase in het bijzonder plan van aanleg zeven bedrijven waren opgenomen; dat de gemeente in 2004 evenwel een nieuwe procedure heeft opgestart voor een tweede fase van het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven voor nogmaals drie ondernemingen, waaronder de tussenkomende partij; dat een voorontwerp werd opgemaakt bestaande uit drie deelplannen; dat uit dit voorontwerp blijkt dat het bijzonder plan van aanleg wordt gekoppeld aan een onteigeningsplan, waarbij verzoekster voor een strook van ongeveer 7 m breed zou worden onteigend teneinde aan die zijde een toegang naar het achterste deel van het bedrijfsterrein en de aanleg van de buffer mogelijk te maken; dat als bestemmingen worden voorzien zones voor lokale bedrijvigheid, voor tentoonstellingsruimte in open lucht, voor wonen/kantoor, voor opslag, voor parkeren/ontsluiting, en voor achtertuinen en buffergroen; dat de gemeentelijke commissie van de ruimtelijke ordening (hierna : GECORO) op 1 december 2004 een unaniem gunstig advies heeft uitgebracht over het plan dat betrekking heeft op de situatie van de tussenkomende partij; dat de gewestelijke planologische ambtenaar van Limburg op 11 januari 2005 een voorwaardelijk gunstig advies heeft uitgebracht; dat de gemeenteraad van Nieuwerkerken bij besluit van 24 februari 2005 het ontwerp van sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase 2 voorlopig heeft aangenomen; dat tijdens het openbaar onderzoek zes bezwaren zijn ingediend, waaronder één door verzoekster; dat de gemeenteraad van Nieuwerkerken bij besluit van 4 augustus 2005 de ingediende bezwaarschriften heeft weerlegd en het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase 2 definitief heeft aanvaard; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 1 september 2005 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat ook de gewestelijke planologische ambtenaar op 2 september 2005 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat bij het thans bestreden besluit van 21 september 2005 de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase 2 van de gemeente Nieuwerkerken heeft goed-gekeurd; dat verzoekster inmiddels op 10 mei 2005 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken een aanvraag tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning voor haar perceel had ingediend; Overwegende dat het Vlaamse Gewest een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt in zoverre de vordering tot schorsing is gericht tegen het X-12.557-3/8 besluit van de gemeenteraad van Nieuwerkerken waarbij het sectoraal BPA definitief wordt aanvaard; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet is voldaan aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoekster stelt dat zij op 10 mei 2005 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken een aanvraag heeft ingediend strekkende tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning, dat de gemeente ogenschijnlijk heeft geweigerd een beslissing te nemen zolang er geen duidelijkheid bestaat aangaande de rechtsgeldigheid van de thans bestreden besluiten, dat de termijn voorgeschreven door de artikelen 113 en 114 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zijn verstreken, dat het college van burgemeester en schepenen geen enkele verduidelijking, noch motivering aangaande zijn houding heeft verleend, dat het duidelijk is dat de stilzwijgende weigeringsbeslissing haar oorsprong vindt in de problematiek rond het voorliggend sectoraal BPA zonevreemde bedrijven, nu de nv VANBRABANT in het kader van het openbaar onderzoek met betrekking tot de verkavelingsvergunning op 21 juni 2005 volgend bezwaar heeft ingediend : "Gelet op de voorlopige aanneming van het sectoraal BPA Zonevreemde bedrijven door de gemeenteraad verzoek ik het Schepencollege bijgevolg met aandrang voorliggende verkavelingsvergunning te weigeren, precies omdat in de aanvraag op geen enkele wijze rekening gehouden wordt met de in het vooruitzicht gestelde onteigening ter realisering van de nieuwe bestemming. Ik wens er nogmaals uitdrukkelijk op te wijzen dat de betrokken eigenaar DROOGMANS niet gerechtigd is om zich te verzetten tegen de voorziene onteigening van een beperkte repel grond die evenwel noodzakelijk is voor de realisatie van de herbestemming voorzien in het BPA Zonevreemde bedrijven"; X-12.557-4/8 dat na ontvangst van voormeld bezwaar de gemeente Nieuwerkerken heeft verkozen de verkavelingsvergunning niet in te willigen, dat "het voorliggend BPA (...) derhalve de realisatie van de door (haar) beoogde verkaveling (verhindert)", dat zij de intentie heeft om voor haarzelf, voor haar enige zoon en ook voor twee familieleden een woning te bouwen op één van de te verkavelen percelen, dat haar persoonlijk nadeel erin bestaat dat zij in het ongewisse verkeert nopens de bouwmogelijkheden op haar eigendom en dat zij in de uitoefening van haar eigendomsrecht en de beleving van haar familiale context wordt gefnuikt, dat dit nadeel niet in vergoeding is om te zetten en niet kan worden hersteld, dat het nadeel actueel is gelet op de afwijzing van de verkavelingsaanvraag; Overwegende dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit het bijzonder plan van aanleg "sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase 2" genaamd, van de gemeente Nieuwerkerken, bestaande uit 3 deelplannen bestaande en juridische toestand, 3 bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en 2 onteigeningsplannen met bijhorende onteigeningstabel, heeft goedgekeurd, voorts heeft beslist dat het algemeen nut de inbezitneming vordert van de percelen aangegeven op de onteigeningsplannen horende bij de deelplannen "Vranken NV" en "Vanbrabant NV", en ten slotte aan de gemeente Nieuwerkerken machtiging tot onteigening heeft verleend; dat uit het bij het deelplan "Vanbrabant NV" horende onteigeningsplan en de onteigeningstabel blijkt dat de inname 1 betrekking heeft op het aan verzoeksters toebehorende deel van het perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 725 p 2, met een oppervlakte van 7a 2ca, zijnde een strook met een breedte van 7,5 m parallel met het perceel waarop het bedrijf nv VANBRABANT is gelegen; Overwegende dat uit verzoeksters uiteenzetting blijkt dat zij het door haar aangevoerde nadeel uitsluitend put uit het bij het betrokken deelplan "Vanbrabant NV" horende onteigeningsplan; dat zij in essentie aanvoert dat dit onteigeningsplan de realisatie van de door haar beoogde verkaveling verhindert, dat zij in het ongewisse verkeert omtrent de bouwmogelijkheden op haar eigendom, en dat zij in de uitoefening van haar eigendomsrecht en "de beleving van haar familiale context (wordt) gefnuikt"; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster op 10 mei 2005 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken een verkavelingsaanvraag heeft ingediend voor het betrokken perceel X-12.557-5/8 om dit te verdelen in drie kavels; dat het college van burgemeester en schepenen hierover geen beslissing heeft genomen binnen de door artikel 55, § 1, juncto artikel 53, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalde termijn; dat verzoekster evenwel geen gebruik blijkt te hebben gemaakt van de haar door artikel 53, § 1, van hetzelfde decreet geboden mogelijkheid om tegen het stilzitten van het college van burgemeester en schepenen in beroep te gaan bij de bestendige deputatie; dat hieruit niet anders kan worden besloten dan dat de realisatie van de verkavelingsvergunning voor verzoekster geen dringend karakter heeft; Overwegende voorts dat dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit de tweede verweerster enkel een machtiging tot onteigening verleent; dat verzoekster pas uit haar eigendom zal worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan, na het verleende machtigingsbesluit op zijn interne en externe wettigheid te hebben getoetst; dat de rechtsonzekerheid waarop verzoekster zich beroept, met name dat zij in het ongewisse verkeert omtrent de bouwmogelijkheden op haar eigendom, eigen is aan elke administratieve procedure die nog niet is beëindigd en waarin nog geen definitieve beslissing is tussengekomen; dat deze rechtsonzekerheid niet haar rechtstreekse oorzaak vindt in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; Overwegende tenslotte dat verzoekster, inzoverre zij aanvoert "in de uitoefening van haar eigendomsrecht en de beleving van haar familiale context (te worden) gefnuikt", zonder hieromtrent enige concrete verduidelijking te geven, tenzij dat de overige twee kavels zouden dienen, de ene voor haar enige zoon, en de andere voor twee niet nader genoemde "familieleden", een nadeel aanvoert dat dermate vaag en algemeen is dat het niet als een afdoende omschreven ernstig nadeel kan worden beschouwd; Overwegende dat de uiteenzetting in het verzoekschrift tot schorsing geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de X-12.557-6/8 schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de nv VANBRABANT in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het bestreden besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.557-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.557-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.612 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.