id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:A
§ 3
, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-wet), namelijk het advies van het college van burgemeester en schepenen en de goedkeuring van de bestendige deputatie eensdeels en de beroepsmogelijkheid tegen het besluit van de bestendige deputatie bij de Vlaamse regering anderdeels. 1.
- Met brieven van 13 december 2005 leggen de voorzitter en de secretaris dienovereenkomstig het tuchtbesluit voor aan het advies van het college IX-5200-14/42 van burgemeester en schepenen van de stad Brugge en aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 1.
- Met aangetekende brieven van 5 en 12 december 2005 vraagt de raadsman van verzoeker aan de bestendige deputatie dat zijn cliënt zou worden gehoord. 1.
- De gouverneur van de provincie West-Vlaanderen antwoordt aan de raadsman met een aangetekende brief van 13 januari 2006 dat de bestendige deputatie op 5 januari 2006 heeft besloten dat zij onbevoegd is voor de goedkeuring van het tuchtbesluit van 1 december 2005 van de algemene vergadering van het A.Z. Sint-Jan. 1.
- Met een aangetekende brief van 14 februari 2006 deelt de gouverneur aan de raadsman van verzoeker mede dat hij geen reden ziet om in het kader van het algemeen administratief toezicht de uitvoering van het tuchtbesluit te schorsen.
- Over de ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat de eerste verwerende partij in een eerste exceptie laat gelden dat tussen de eerste en de tweede bestreden beslissing onvoldoende samenhang bestaat opdat ze beide op ontvankelijke wijze in één enkel verzoekschrift zouden kunnen worden aangevochten zodat het beroep tegen de tweede beslissing niet ontvankelijk is; dat zij ook opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is omdat verzoeker tegen het bestreden besluit van de bestendige deputatie niet het in artikel 53, § 3, van de OCMW-wet georganiseerde administratief beroep bij de Vlaamse regering heeft uitgeput; Overwegende dat de tweede verwerende partij er op wijst dat verzoeker niet consequent is; dat hij volgens haar enerzijds aanvoert dat het administratief toezicht, geregeld in artikel 53, §
§ 3
, van de OCMW-wet van toepassing is, maar dat hij anderzijds tegen het besluit van de bestendige deputatie, waarbij deze zich onbevoegd verklaart voor de uitoefening van dat toezicht, niet het beroep bij de Vlaamse regering instelt, waarin is voorzien door artikel 53, § 3, van de OCMW-wet; dat de tweede verwerende partij daaruit concludeert dat de vordering niet ontvankelijk is, minstens voor zover zij gericht is tegen het besluit van IX-5200-15/42 de bestendige deputatie; dat verzoeker verstrikt raakt in “de eigen inconsistenties” aangezien hij de tuchtbeslissing van de algemene vergadering van het A.Z. Sint-Jan rechtstreeks voor de Raad van State aanvecht, en dit slechts kan doen wanneer geen goedkeuringstoezicht moet worden uitgeoefend; Overwegende dat het lot van de ingeroepen excepties afhankelijk is van het onderzoek van het door verzoeker aangevoerde eerste middel; dat, zoals hierna zal blijken, dit middel niet ernstig wordt bevonden; dat de vordering bijgevolg dient te worden verworpen voorzover ze gericht is tegen het besluit van 5 januari 2006 van de bestendige deputatie;
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voorwaarde in zijn eerste middel de schending aanvoert van artikel 53 van de OCMW-wet “in samenlezing met het gelijkheidsbeginsel” omdat de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard voor de uitoefening van het administratief goedkeuringstoezicht op het tuchtbesluit van 1 december 2005 van de algemene vergadering van het A.Z. Sint-Jan; dat hij hierbij uiteenzet dat de eerste verwerende partij zelf de mening was toegedaan dat artikel 53 van de OCMW-wet in de onderhavige zaak van toepassing was; dat de verwijzing door de bestendige deputatie naar artikel 126, § 1, tweede lid, van de OCMW-wet, naar luid waarvan voor de ziekenhuizen die afhangen van een vereniging het administratief toezicht wordt beperkt tot de toepassing van de artikelen 111, § 1, 111, § 2, 1/, 111, § 3, en 112 tot en met 113, niet dienstig is, aangezien de bedoelde beperking alleen slaat op het administratief toezicht dat wordt geregeld in hoofdstuk IX van de OCMW-wet; dat artikel 128, § 1, van de OCMW- wet bepaalt dat de personeelsleden van een vereniging onderworpen zijn aan hetzelfde administratief en geldelijk statuut, hetzelfde pensioenstelsel en dezelfde bepalingen van deze wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van IX-5200-16/42 het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd; dat in de onderhavige zaak derhalve moet worden gehandeld zoals vóór de overdracht van het personeel van het OCMW-ziekenhuis aan de ziekenhuisvereniging A.Z. Sint-Jan en dat de oprichting van de voornoemde ziekenhuisvereniging niet relevant is voor het beoordelen van de administratieve beroepsmogelijkheden waarover het statutair personeel beschikt; dat hij voorts laat gelden dat het opleggen van een tuchtstraf zonder dat daartegen een georganiseerd administratief beroep mogelijk is, niet verenigbaar is met het recht van eenieder op de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, gewaarborgd door artikel
- 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna “EVRM”); dat hij ook verwijst naar ‘s Raads arresten nrs. 106.171 en 137.420 respectievelijk van 29 april 2002 en 22 november 2004, waaruit volgens hem blijkt dat artikel 53 van de OCMW-wet van toepassing is op tuchtprocedures zoals die die thans tegen hem is gevoerd; dat ten slotte voor zover hem het georganiseerde administratief beroep van artikel 53 van de OCMW- wet zou worden ontzegd, het gelijkheidsbeginsel zou worden geschonden en meer bepaald in zoverre dit georganiseerd administratief beroep wordt toegekend aan de “rechtsonderhorige die statutair aangesteld is in een OCMW ziekenhuis dat niet behoort tot een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII, alsook aan een rechts- onderhorige, die statutair aangesteld is in een rust- en verzorgingsinstelling die behoort tot een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII doch geen ziekenhuis is, en dit administratief beroep niét wordt toegekend aan de rechtsonderhorige die statutair aangesteld is in een OCMW ziekenhuis dat behoort tot een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII; dat hij in dat geval “in ondergeschikte orde verzoekt een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof in die zin te stellen”; IX-5200-17/42 3.1.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij daarop antwoordt dat het voorschrift van artikel 126, § 1, tweede lid, van de OCMW-wet en de ratio legis ervan duidelijk is; dat de bedoeling van de Vlaamse decreetgever erin bestond aan de verenigingen die werden opgericht met het oog op de exploitatie van een ziekenhuis een zo groot mogelijke autonomie te verlenen; dat het dan ook niet meer dan logisch was dat het bijzonder administratief toezicht van artikel 53 van de OCMW-wet niet op dergelijke verenigingen van toepassing werd gemaakt; dat voorts artikel 128, § 1, van de OCMW-wet niets bepaalt over het disciplinair statuut van het personeel, doch enkel over het administratief en het geldelijk statuut; dat deze regeling geenszins strijdig is met artikel 6.1 van het EVRM, aangezien die verdragsbepaling enkel voorschrijft dat de betrokkene minstens in één aanleg de betwisting omtrent zijn burgerlijke rechten en plichten moet kunnen laten beoordelen door een onafhankelijke en onpartijdige rechter en dat de Raad van State een dergelijke rechter is; dat er geen reden is om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen omdat verzoeker zelf geen prejudiciële vraag formuleert, omdat de procedure van de prejudiciële vraagstelling niet bestaanbaar is met het administratief kort geding en omdat er hoegenaamd geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel aangezien een autonome vereniging niet te vergelijken is met een OCMW en bovendien het gemaakte onderscheid in behandeling niet disproportioneel is; 3.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat de bepaling van artikel 126, § 1, tweede lid, op zich duidelijk is; dat de Raad van State in zijn arrest nr. 153.192 van 27 december 2005 reeds heeft geoordeeld dat artikel 53 van de OCMW-wet in de onderhavige zaak niet van toepassing is; dat de twijfel die de tuchtoverheid eerst zelf had over de toepasseljkheid van artikel 53 van de OCMW-wet niet tot gevolg kan hebben dat deze wetsbepaling toch van toepassing wordt; dat de omstandigheid dat de personeelsleden van een vereniging hetzelfde statuut dienen te hebben als de personeelsleden van het OCMW dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd, niet belet dat in een andere vorm van administratief toezicht wordt voorzien; dat niet valt in te zien hoe uit artikel 6.1 van het EVRM kan worden afgeleid dat voor de personeelsleden van een ziekenhuisvereniging de mogelijkheid moet bestaan om tegen een tuchtmaatregel een georganiseerd administratief beroep in te stellen; dat de verwijzing door verzoeker naar de arresten nrs. 106.171 van 29 april 2002 en 137.420 van 22 november 2004 van de Raad van State, niet dienstig is aangezien geen van beide geciteerde arresten betrekking heeft op een ziekenhuisvereniging; dat geen prejudiciële vraag aan het IX-5200-18/42 Arbitragehof moet worden gesteld aangezien de vordering tegen het tweede bestreden besluit niet ontvankelijk is; dat een prejudiciële vraag hoe dan ook niet verenigbaar is met de spoedeisendheid van een vordering tot schorsing; dat verzoeker zelf geen vraag formuleert; dat het bovendien de bedoeling was van de wetgever om een soepeler regelgeving ten aanzien van de autonome verenigingen en inzonderheid ten aanzien van de ziekenhuizen die van een vereniging afhangen, tot stand te brengen; dat een beperking van het administratief toezicht redelijk is en in verhouding staat tot het doel dat de wetgever zich heeft gesteld; 3.1.
- Overwegende dat artikel 126, § 1, van de OCMW-wet als volgt luidt : “Onverminderd de toepassing van andersluidende bijzondere statutaire voorschriften, worden de in dit hoofdstuk bedoelde verenigingen beheerd volgens dezelfde regelen als de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en zijn zij onderworpen aan dezelfde controle en hetzelfde administratief toezicht. De verenigingen beschikken in het bijzonder over dezelfde bevoegdheid als bepaald in artikel 77 om voor lokale PPS-projecten in de zin van het decreet betreffende publiek-private samenwerking zakelijke rechten te vestigen op goederen van het openbaar domein. Voor de ziekenhuizen die afhangen van een vereniging wordt het administratief toezicht evenwel beperkt tot de toepassing van de artikelen 111, § 1,
- §2, 1/, 111, § 3, en 112 tot en met 113”; 3.1.
- Overwegende dat de door verzoeker bestreden beslissing is genomen door de algemene vergadering van het A.Z. Sint-Jan Autonome Verzorgingsinstelling; dat die instelling op het eerste gezicht niet ressorteert onder het OCMW van Brugge, maar onder een vereniging met eigen rechtspersoonlijkheid, zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet; dat zulks ook niet betwist is ter zitting; dat luidens artikel 126, § 1, tweede lid, van de OCMW-wet, voor de ziekenhuizen die afhangen van een dergelijke vereniging het administratief toezicht beperkt is tot de toepassing van de artikelen 111, §§ 1, 2, 1/, en 3, en 112 tot en met 113, van die wet; dat die wetsbepalingen het algemeen administratief toezicht betreffen en dat het bijzonder administratief toezicht waarin door artikel 53, §
§ 3
, van de OCMW-wet is voorzien ten aanzien van welbepaalde tuchtmaatregelen, waaronder de afzetting, niet van toepassing is; dat de omstandigheid dat de eerste verwerende partij heeft laten blijken zelf onwetend te zijn van het niet van toepassing zijn van het bijzonder administratief toezicht van artikel 53, §
§ 3
, niet tot gevolg kan hebben dat deze vorm van administratief toezicht toch van toepassing wordt; dat artikel 128, § 1. van de OCMW-wet als volgt luidt: IX-5200-19/42 “Onverminderd de toepassing van de bepalingen der hiernavolgende §§2 en 3, zijn de personeelsleden van een vereniging onderworpen aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van deze wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging gevestigd is. Het bevoegde orgaan van de vereniging stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast, voorzover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van de vereniging het nodig maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis”; dat die bepaling alleen slaat op het administratief en geldelijk statuut en de pensioenregeling die van toepassing zijn op de leden van de vereniging, maar dat die als zodanig niets te maken heeft met het administratief toezicht dat wordt uitgeoefend op de beslissingen van de organen van de vereniging aangaande dat statuut en die regelingen; dat de loutere omstandigheid dat de personeelsleden van de vereniging in algemene regel hetzelfde administratief statuut hebben als de personeelsleden van het OCMW dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd, niet impliceert dat noodzakelijk dezelfde vormen van administratief toezicht van toepassing zijn; dat voorts daargelaten de vraag of artikel 6.1 EVRM van toepassing is op tuchtprocedures die voor organen van het actief bestuur worden gevoerd, niet wordt ingezien dat die verdragsbepaling zou geschonden zijn doordat in de plaats van het bijzonder administratief toezicht van artikel 53, §
§ 3
, van de OCMW-wet, het algemeen administratief toezicht van de artikelen 111, §§
2, en 112 tot en met 113 van de OCMW-wet van toepassing is; dat verzoeker hoe dan ook door de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State toegang heeft tot een rechterlijke instantie zoals bedoeld in artikel 6.1 EVRM; dat de verwijzing door verzoeker naar ‘s Raads arresten nrs. 106.171 en 137.420, respectievelijk van 29 april 2002 en 22 november 2004 niet dienstig is; dat immers in de zaak nr. 106.171 de verzoekende partij een geneesheer was van een OCMW-ziekenhuis en in de zaak nr. 137.420 een personeelslid van een vereniging die een rust- en verzorgingstehuis uitbaatte, zodat in geen van beide zaken een geneesheer in dienst van een ziekenhuisvereniging aan bod kwam; dat ten slotte krachtens artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 26 januari 1989 op het Arbitragehof, de Raad van State in het kader van het administratief kort geding er niet toe gehouden is aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met een van de rechtsnormen die door het Arbitragehof kunnen worden getoetst en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is; dat in deze de vereiste ernstige twijfel niet wordt onderkend; dat IX-5200-20/42 verzoeker zelf geen concrete prejudiciële vraag formuleert die aan het Arbitragehof zou kunnen worden voorgelegd; dat de verwerende partijen ook terecht laten gelden dat de beperking van het administratief toezicht in artikel 126, § 1, tweede lid, van de OCMW-wet aan de bedoeling van de wetgever beantwoordt om aan de verenigingen die een ziekenhuis beheren, “een grotere mate van autonomie” te verlenen; dat de ongelijke behandeling van dergelijke verenigingen op dat vlak, vergeleken met die van de ziekenhuizen die onder een OCMW ressorteren of een rusthuis dat onder een vereniging ressorteert, niet onevenredig lijkt, in acht genomen, enerzijds, de omstandigheid dat dergelijke verenigingen toch onderworpen blijven aan het algemeen administratief toezicht en, anderzijds, de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen; dat het eerste middel niet ernstig is; 3.1.
- Overwegende het niet ernstig bevinden van het eerste middel de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de tweede bestreden beslissing tot gevolg heeft; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikelen 52 en 128 § 1, van de OCMW-wet “in samenlezing” met artikel 287 § 1, van de Gemeentewet en van het “rechtsbeginsel ‘justice should not only be done, but should also be seen to be done*”; dat hij hierbij uiteenzet dat niet duidelijk is op welke grond de secretaris van het A.Z. Sint-Jan de bevoegdheid heeft om een tuchtprocedure in te leiden; dat die bevoegdheid niet voortvloeit uit artikel 287 van de nieuwe gemeentewet juncto artikel 52 van de OCMW-wet; dat krachtens de voormelde bepalingen de raad voor maatschappelijk welzijn, op verslag van de secretaris, de tuchtstraf van afzetting kan opleggen; dat derhalve de vraag rijst of niet enkel de raad voor maatschappelijk welzijn het bevoegde tuchtoverheid kan zijn; dat het volgens hem ook niet duidelijk is wie, wat het A.Z. Sint-Jan betreft, de hoedanigheid van secretaris in de zin van artikel 287 van de nieuwe gemeentewet heeft; dat hij er op wijst dat luidens artikel 36 van de statuten van het A.Z. Sint-Jan, de ziekenhuis-directeur het secretariaat waarneemt van de raad van beheer; dat de verwijzing in het tuchtbesluit naar het arrest nr. 125.615 van 24 november 2003 van de Raad van State, niets bijbrengt aan het argument dat de secretaris het initiatiefrecht heeft; dat wel van pertinent belang is dat, zoals bepaald in punt 5.3.
- van het reglement van orde van de medische Organisatie van het A.Z. Sint-Jan, op voorstel van de raad van beheer en na advies van de medische raad, tuchtmaatregelen kunnen worden genomen tegenover geneesheren die aan hun verplichtingen te kort komen; dat hij ten slotte laat gelden dat er een schending is van het IX-5200-21/42 onpartijdigheidsbeginsel, wijl de bestreden tuchtbeslissing ervan uitgaat dat de algemene vergadering van het A.Z. Sint-Jan in zijn hoedanigheid van beheerder van de ziekenhuisvereniging kan beslissen tot afzetting; dat volgens hem de algemene vergadering dan rechter en betrokken partij is en zulks niet verenigbaar is met het recht van eenieder op de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM; 3.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij wijst op de onduidelijkheid van het middel en daaraan als gevolg lijkt te verbinden dat het middel niet ontvankelijk is of, dat het -minstens- ter vrijwaring van de rechten van de verdediging, moet worden opgevat in de zin waarin zij het heeft begrepen; dat volgens haar het middel alleszins onontvankelijk is voor zover het de schending aanvoert van het onpartijdigheidsbeginsel, aangezien verzoeker daarvan geen gewag heeft gemaakt vóór of tijdens de behandeling van zijn tuchtdossier door de tuchtoverheid; dat de eerste verwerende partij met betrekking tot de ernst van het middel betoogt dat er geen enkele onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welk orgaan van het A.Z. Sint-Jan bevoegd is om een tuchtrechtelijke beslissing ten aanzien van de ziekenhuisartsen te nemen; dat krachtens artikel 39, tweede lid, van de statuten van het A.Z. Sint-Jan en punt 5.3.
- van het reglement van orde van de medische Organisatie de algemene vergadering hiertoe bevoegd is; dat het ook duidelijk is wie de secretaris is van de algemene vergadering; dat luidens artikel 16 van de statuten van het A.Z. Sint-Jan deze hoedanigheid toekomt aan de secretaris van het OCMW van de stad Brugge; dat de raad van beheer van het ziekenhuis op 8 juni 2005 aan de algemene vergadering heeft geadviseerd een tuchtprocedure in te leiden tegen verzoeker en zijn collega: dat het voor zich spreekt dat de werkzaamheden ter voorbereiding van die tuchtprocedure door de secretaris van de algemene vergadering worden verricht; dat zelfs indien men aanneemt dat er te dezen een lacune is in de wet, nog geen schending van de wet of van de beginselen van behoorlijk bestuur kan worden vastgesteld; dat onder punt 5.3.
- van het reglement van orde van de medische Organisatie niet kan worden gelezen dat de tuchtprocedure moet worden ingesteld door de raad van beheer; dat een dergelijke lezing overigens onwettig zou zijn, omdat de leden van de raad van bestuur, die samen 2/3 uitmaken van de leden van de algemene vergadering, dan niet meer zouden mogen deelnemen aan de eigenlijke behandeling van de tuchtzaak, terwijl luidens artikel 22 van de statuten de meerderheid van de leden van de algemene vergadering moet aanwezig zijn om tot een geldige beslissing te kunnen komen; IX-5200-22/42 3.2.
- Overwegende dat het middel niet ontvankelijk is in de mate dat verzoeker de schending aanvoert van het onpartijdigheidsbeginsel; dat immers niet alleen niet duidelijk is hoe de algemene vergadering in deze zou opgetreden zijn als rechter en partij; dat bovendien niet blijkt dat verzoeker zich tijdens de behandeling van zijn tuchtzaak ten aanzien van de algemene vergadering zou hebben beklaagd over een partijdig optreden vanwege de eerste verwerende partij; dat voor zover verzoeker ook de schending aanvoert van de artikelen 52 en 128, § 1, van de OCMW-wet juncto artikel 287, § 1, van de nieuwe gemeentewet, het middel voldoende duidelijk is en bijgevolg ontvankelijk; dat luidens artikel 128, § 1, eerste lid, van de OCMW-wet de personeelsleden van een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet onder meer onderworpen zijn aan dezelfde bepalingen van deze wet als degene die van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd; dat artikel 52 van de OCMW-wet bepaalt dat titel XIV van de nieuwe gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 287, § 2, en 289 tot 296, van toepassing is op de vast benoemde personeelsleden van het OCMW, met dien verstande dat de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden gemeente, gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, burgemeester en gemeentesecretaris, respectievelijk moeten worden gelezen als openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau, voorzitter en secretaris; dat artikel 287, § 1, van de nieuwe gemeentewet luidt als volgt : “Op verslag van de gemeentesecretaris kan de gemeenteraad aan de door de gemeente bezoldigde personeelsleden, wier benoeming aan de gemeenteoverheid opgedragen is, de tuchtstraffen vermeld in artikel 283 opleggen. Voor de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger en de bijzondere rekenplichtige dient het opleggen van straffen niet op verslag van de gemeentesecretaris te gebeuren”; dat hieruit blijkt dat de tuchtprocedure wordt ingeleid op verslag van de secretaris; dat zulks krachtens artikel 128, § 1, eerste lid, van de OCMW-wet ook geldt voor de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van de wet, zoals de eerste verwerende partij; dat luidens artikel 39, tweede lid, van de statuten van het A.Z. Sint-Jan de algemene vergadering van de ziekenhuisvereniging bevoegd is voor het nemen van een tuchtmaatregel ten aanzien van verzoeker, na advies van de raad van beheer; dat luidens artikel 16 van diezelfde statuten, de secretaris van het OCMW van de stad Brugge het secretariaat van de algemene vergadering waarneemt; dat de secretaris van het OCMW van de stad Brugge zijn bevoegdheid bijgevolg niet heeft overschreden doordat hij op 13 juni 2005, nadat de raad van beheer van het IX-5200-23/42 A.Z. Sint-Jan op 8 juni 2005 aan de algemene vergadering had geadviseerd tegen verzoeker en zijn collega een tuchtprocedure in te leiden, een tuchtverslag ten laste van verzoeker heeft neergelegd om de tuchtprocedure tegen verzoeker aan te vatten; dat het tweede middel niet ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel de schending aanvoert van artikelen 125, 7/en 127, § 1, van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen (hierna: Ziekenhuiswet) en “van het reglement van orde van de medische organisatie van het AZ Sint-Jan”; dat hij betoogt dat de beslissing om hem af te zetten reeds werd genomen op 7 oktober 2005 en dat pas nadien het advies werd gevraagd van de medische raad; dat deze handelwijze niet bestaanbaar is met artikel 125, eerste lid, 7/, van de Ziekenhuiswet dat de “beheerder” verplicht voorafgaandelijk aan de te nemen beslissing het advies van de medische raad te vragen; dat de “beheerder” bedoeld in artikel 125, eerste lid, 7/, van de Ziekenhuiswet niet het orgaan is dat de tuchtbeslissing neemt, doch het orgaan dat beslist tot tuchtrechtelijke vervolging, in casu de raad van beheer; dat dit bevestigd wordt door artikel 25 van de statuten van het A.Z. Sint-Jan, luidens hetwelk de vereniging beheerd wordt door een raad van beheer, en punt 2.2.
- van het reglement van orde van de medische Organisatie van het A.Z. Sint-Jan, naar luid waarvan de raad van beheer met het oog op de voorbereiding van zijn beslissingen en voorstellen nopens bepaalde punten schriftelijk het advies vraagt van de medische raad; dat in casu de beheerder klaarblijkelijk heeft nagelaten om voorafgaandelijk aan de beslissing van de tuchtoverheid het advies van de medische raad in te winnen; dat hoe dan ook het substantiële vormvereiste van artikel 125, eerste lid, 7/, van de Ziekenhuiswet niet werd nageleefd, in de mate waarin reeds een beslissing tot afzetting “onder voorbehoud” was genomen; dat dit “des te meer stoort daar aan de medische raad een onvolledig tuchtdossier werd voorgelegd” en verzoeker evenmin door de medische raad werd gehoord; 3.3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat niet van belang is wie het tuchtdossier voor advies aan de medische raad voorlegt, doch wel dat dit advies effectief wordt ingewonnen; dat artikel 125, eerste lid, van de Ziekenhuiswet niet bepaalt dat het advies door de beheerder moet worden ingewonnen, maar dat het advies “aan de beheerder” wordt verstrekt; dat de stelling van verzoeker dat met de term “beheerder” niet het tuchtrechtelijk bevoegd orgaan wordt bedoeld, maar het orgaan dat bevoegd is de tuchtvervolging in te stellen, iets aan de voormelde wetsbepaling toevoegt dat er niet in te lezen staat; dat de term IX-5200-24/42 “beheerder” in de Ziekenhuiswet doelt op het orgaan dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis; dat onder dat beheer ook de beslissingen vallen genomen ter uitvoering van de titel van de Ziekenhuiswet aangaande het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, waartoe artikel 125 behoort; dat luidens artikel 39, tweede lid, van de statuten van het A.Z. Sint-Jan, de algemene vergadering bevoegd is om dergelijke beslissingen te nemen; dat, anders dan verzoeker voorhoudt, artikel 125, eerste lid, 7/, van de Ziekenhuiswet geenszins bepaalt dat de medische raad advies moet geven vooraleer het tuchtorgaan zich omtrent de afzetting van de ziekenhuisgeneesheer heeft beraden; dat de artikelen 125 en 127 van de Ziekenhuiswet niets zeggen omtrent het dossier dat aan de medische raad moet worden voorgelegd evenmin voorschrijven dat de betrokken geneesheer door de medische raad moet worden gehoord; 3.3.
- Overwegende dat luidens artikel 125, eerste lid, 7/, van de Ziekenhuiswet de medische raad aan de beheerder advies geeft over de afzetting van ziekenhuisgeneesheren; dat luidens artikel 126, § 1, van de Ziekenhuiswet de beheerder in al de in artikel 125 opgenoemde aangelegenheden gehouden is het advies van de medische raad in te winnen; dat in deze de algemene vergadering van het A.Z. Sint-Jan op 7 oktober 2005 nog geen definitieve beslissing heeft genomen over de afzetting van verzoeker; dat het luidens het dispositief van het desbetreffende besluit een “voorgenomen tuchtmaatregel” betrof die voor advies diende overgemaakt aan de medische raad; dat pas op 1 december 2005, nadat verzoeker en zijn collega waren gehoord over het inmiddels gegeven advies van de medische raad, een definitieve beslissing is genomen; dat verzoekers standpunt dat reeds tot de afzetting was besloten vooraleer het advies van de medische raad was gevraagd, derhalve niet opgaat; dat, zoals de eerste verwerende partij terecht laat gelden, overeenkomstig artikel 8, 1/, van de Ziekenhuiswet, onder “de beheerder” die ertoe gehouden is het advies van de medische raad te vragen, wordt verstaan het orgaan dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis; dat zulks voor wat het A.Z. Sint-Jan betreft, niet in alle gevallen de raad van beheer van de zíekenhuisvereniging lijkt te zijn; dat krachtens artikel 39, tweede lid, van de statuten van het A.Z. Sint-Jan niet de raad van beheer, maar wel de algemene vergadering van de ziekenhuisvereniging bevoegd is om tuchtmaatregelen te nemen ten aanzien van ziekenhuisgeneesheren; dat indien die algemene vergadering zich voorneemt om tot de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer te besluiten, het logisch is dat hij, en niet de raad van beheer van de ziekenhuisvereniging, het advies van de medische raad dient te vragen; dat uit IX-5200-25/42 de stukken van het administratief dossier blijkt dat aan de medische raad een volledig afschrift van het tuchtdossier is voorgelegd, alsook een afschrift van het besluit van 7 oktober 2005 van de algemene vergadering, waaruit de motieven blijken die de algemene vergadering ertoe hebben gebracht de tuchtmaatregel van de afzetting van verzoeker in overweging te nemen; dat die gegevens de medische raad hebben toegelaten een adequaat advies te formuleren; dat geen enkele rechtsregel gebiedt dat het advies van de medische raad slechts tot stand kan komen na een tegensprekelijke procedure, waarbij de betrokken geneesheer zijn standpunt met betrekking tot de voorgenomen tuchtmaatregel aan de medische raad moet kunnen voorleggen; dat het derde middel niet ernstig is; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert “van de materiële motiveringsplicht” en van “de beginselen van behoorlijk bestuur, ondermeer het zorgvuldigheidsbeginsel”; dat hij hierbij uiteenzet dat de tuchtbeslissing is gesteund op feiten die deels niet juist, deels niet draagkrachtig zijn; dat hij in zijn besluiten en mondeling tijdens de tuchtprocedure heeft laten gelden dat de verschillen in visie met zijn collega kaderden binnen de diagnostische en therapeutische vrijheid van de individuele arts; dat er onderlinge karakterverschillen waren; dat de toenemende werklast een normalisering van de verhoudingen in de weg stond; dat volgens hem de antwoorden die de tuchtoverheid op deze punten heeft gegeven, noch in feite, noch in rechte voldoen; dat de stelling van de bestreden tuchtbeslissing dat de therapeutische vrijheid als keerzijde heeft de plicht om respect op te brengen voor de therapeutische inzichten van een collega, slechts juist is voorzover het gaat om “niet courante, niet in ‘guidelines* vervatte pathologie”, doch niet voorzover het gaat om professioneel erkende standaards van handelen; dat voorts de relationele problematiek tussen beide neonatologen alleszins een correcte perceptie van het wederzijds handelen onmogelijk heeft gemaakt, zodat de tuchtoverheid onmogelijk, op straffe van onzorgvuldig te werk te gaan, kon uitgaan van hetgeen betrokkenen zelf, in tempore non suspecto, over elkaar hebben geschreven; dat hij verder betwist dat de explosieve situatie op de dienst neonatologie uitsluitend aan het conflict tussen de artsen moet worden toegeschreven en dat de mutaties op die dienst te maken zouden hebben met de spanningen tussen de artsen en dat die mutaties zouden zijn toegenomen; dat de situatie op de dienst volgens hem geen externe uitstraling heeft gehad zoals blijkt uit de talrijke steunbetuigingen die hij zowel intern als van buitenaf mocht ontvangen; dat de tuchtvordering slechts betrekking mag hebben op de feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de vordering werd ingesteld; dat dit IX-5200-26/42 uitsluitend het geval is voor de feiten vermeld onder de randnummers 35, 36 en 37 van het tuchtverslag; dat het feit vermeld onder randnummer 35, betrekking heeft op een eenmalig incident met een gynaecoloog; dat, wat het feit vermeld onder randnummer 36 betreft, een wachtoverdracht tussen de supervisoren zinloos was en nooit gebeurde; dat het tuchtverslag, wat het feit vermeld onder randnummer 37 betreft, een buitenmatige waarde hecht aan een subjectief verslag van een assistente die onder de indruk van de acute toestand geen objectief relaas kon geven, terwijl de verslagen van andere getuigen veel zakelijker en objectiever zijn en dat de vraag of de interventie van verzoeker medisch correct, zelfs levensreddend was, terzijde wordt geschoven; dat enkel een verslag van dokter DEGOMME suggereert dat de stelling van verzoeker dat door dokter VAN LAER te hard werd geblazen. waardoor een pneumothorax werd veroorzaakt, niet bewezen is en dat geen levensreddende daad werd gesteld; dat het standpunt van dokter DEGOMME ten stelligste betwistbaar is en door de tuchtoverheid aan een expert had moeten worden voorgelegd; dat “het tuchtverslag nog meerdere manifest onjuiste feitelijkheden aanhaalt”, zoals het feit vermeld onder randnummer 28, dat “pure sfeerschepperij” is; 3.4.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat het middel de Raad van State uitnodigt tot een nieuw onderzoek van de feiten, waarvoor hij niet bevoegd is; dat de Raad van State slechts vermag na te gaan of de overheid zich bij de uitoefening van haar appreciatiebevoegdheid gesteund heeft op rechtens aanvaardbare motieven, die berusten op juiste gegevens en maatstaven en die de uitgebrachte beoordeling in redelijkheid kunnen dragen; dat verzoeker voor de tuchtoverheid de voorvallen vermeld onder de randnummers 35, 36 en 37 van het tuchtverslag op zich niet heeft betwist doch enkel hun tuchtrechtelijke relevantie; dat de Raad van State geen acht mag slaan op argumenten of stukken die door verzoeker niet voor het tuchtorgaan zijn aangevoerd; dat het middel ook ten onrechte ervan uitgaat dat ingevolge artikel 317 van de nieuwe gemeentewet geen acht mag worden geslagen op feiten die ouder dan zes maanden zijn; dat voorts de bestreden tuchtbeslissing uitvoerig ingaat op de verzachtende omstandigheden die door verzoeker werden ingeroepen en dat verzoeker niet aantoont dat daarbij kennelijk verkeerde appreciaties zijn gemaakt; dat ook op afdoende wijze is geantwoord op het verweer van verzoeker, zodat de enkele omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met de appreciatie van de tuchtoverheid, nog geen schending oplevert van de materiële motiveringsplicht, noch van de zorgvuldigheidsplicht; dat met betrekking tot de feiten vermeld onder de randnummers 35, 36 en 37 van het tuchtverslag verzoeker er niet toe komt aan te tonen dat aan die feiten niet te verantwoorden IX-5200-27/42 disciplinaire gevolgen zijn verbonden, in acht genomen dat de algemene vergadering heeft overwogen dat de tuchtprocedure niet zozeer is ingeleid omwille van de geïsoleerde voorvallen van april 2005, maar omwille van de onduldbare houding die de beide artsen gaandeweg en escalerend hebben aangenomen; dat ten slotte het middel, voorzover verzoeker erin aanvoert dat in het tuchtverslag nog meerdere manifest onjuiste feitelijkheden zijn vermeld, bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk is en dat de betwisting van het voorval vermeld onder randnummer 28 nieuw is en derhalve evenzeer onontvankelijk; 3.4.
- Overwegende dat dit vierde middel feitelijk de deugdelijkheid van de motieven van het bestreden tuchtbesluit betwist, inzonderheid de juistheid en de draagkracht van de feiten die tot de opgelegde tuchtmaatregel hebben geleid; dat de eerste verwerende partij terecht opwerpt dat de Raad van State het onderzoek van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten niet vermag over te doen; dat hij slechts vermag na te gaan of de tuchtoverheid op grond van de verzamelde gegevens redelijkerwijze tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen en deze als tuchtfeiten in aanmerking heeft kunnen nemen; dat het tuchtbesluit in dat verband als volgt luidt : “Overwegende dat het aan dokter Lecoutere op 13 juni 2005 gestuurde oproepingsbericht een kopie bevatte van het rapport van de verslaggever en dat inzonderheid en exemplatief naar een aantal randnummers uit dat verslag is verwezen, maar allereerst naar het verslag in zijn geheel en de erin beschreven algemene gedragshouding; Overwegende dat dokter Lecoutere in wezen de hem ten laste gelegde feiten en gedragshouding niet betwist, maar van de voorvallen van 4 en 5 april 2005 wel de tuchtrechtelijke relevantie betwist (zijn conclusie van 7 oktober 2005) en voor het overige verzachtende omstandigheden aanhaalt die zouden moeten verklaren hoe het zover is kunnen komen; Overwegende dat dokter Lecoutere de meningsverschillen omtrent het medisch handelen, inzonderheid het vochtbeleid, ten onrechte meent te mogen herleiden tot de inderdaad wettelijk en deontologisch erkende diagnostische en therapeutische vrijheid, die per definitie inhoudt dat artsen omtrent een bepaald medisch beleid van mening kunnen verschillen; dat die therapeutische vrijheid haar keerzijde heeft en precies de plicht met zich brengt respect op te brengen voor de therapeutische inzichten van de collega; dat zelfs indien mocht blijken dat een visie of opvatting technisch-wetenschappelijk in geen enkel opzicht aannemelijk is, wat te dezen hoegenaamd niet bewezen is en zelfs niet wordt beweerd, het nog ondenkbaar ware aan het daardoor gerezen probleem te trachten te remediëren zoals hier is gebeurd t.e.m. aanzet tot fysisch geweld (feit van 19 april 2005); dat het door dokter Lecoutere ingeroepen beginsel van de therapeutische vrijheid zich derhalve tegen hem keert; dat de daaruit voortvloeiende plicht tot wederzijds respect eraan in de weg staat dat in geschriften (randnummer 4) en IX-5200-28/42 woorden (randnummer 37) de door de collega toegepaste therapie openlijk verdacht wordt gemaakt en zelfs dodelijk wordt genoemd; Overwegende dat dokter Lecoutere ten onrechte stelt dat de randnummers 6 en 7 geen objectieve weergave van feiten zouden inhouden, maar enkel een toelichting zouden zijn van hoe dokter Van Laer de situatie heeft ervaren; dat stuk 9 (randnummer 6) geen document is dat uitgaat van dokter Van Laer maar wel van dokter Lecoutere zelf, waarin hij zelf rapporteert over een algemeen wantrouwen, ook ten overstaan van ‘de totale afdeling’ en waarin hij ronduit toegeeft dat geen degelijk overleg over de kinderen meer mogelijk is en dit op een dienst waar, zoals dokter Lecoutere in zijn eerste conclusie zelf aanhaalt (blz. 10), voortdurende interactie broodnodig is, aspect dat hij nog benadrukt in zijn tweede conclusie; dat stuk 8 (randnummer 7) niet alleen weergeeft hoe dokter Van Laer de situatie persoonlijk heeft aangevoeld, maar ook relateert dat de patiëntenoverdracht uiterst gebrekkig verliep, dat de zaaltoer niet stipt gebeurde omwille van niet- medische redenen, dat dokter Lecoutere de verwijzingsbrieven tot zich trok al was hij zelf niet het verantwoordelijk staflid van de patiënt, dat dokter Lecoutere bij het ingaan van de wacht vaak niet aanwezig was (wat de wachtwissel verstoort: zie randnummer 36), dat dokter Lecoutere niet steriel werkte en dat er een totaal gebrek was aan overleg; dat dit geen subjectieve belevenissen zijn, maar concrete feiten die dokter Lecoutere niet ontkent, laat staan weerlegt; Overwegende dat dokter Lecoutere in zijn conclusie en zijn mondelinge toelichting ter zitting van 7 oktober 2005 beklemtoont dat het tuchtdossier voor een aanzienlijk deel is samengesteld uit briefwisseling tussen de artsen en de hoofdgeneesheer; dat hij eraan toevoegt dat die brieven beschermd zijn door het medisch beroepsgeheim, eensdeels, en dat zij de werkelijkheid overtrokken voorstellen vermits zij geschreven zijn in de toenmalige conflictueuze situatie waarin beide artsen hun gelijk wilden aantonen en daardoor gemakkelijker in negatieve superlatieven vervallen wanneer zij het hebben over de collega, anderdeels; dat de Algemene Vergadering dit verweer niet kan bijvallen; dat de briefwisseling tussen een staflid en de hoofdgeneesheer, waarin wordt gehandeld over het functioneren van de dienst zowel in zijn geheel als in concrete gevallen, en waarin de ene arts het (medisch) handelen van de andere aan de kaak stelt, niets uitstaande heeft met het beroepsgeheim; dat dit laatste de bescherming van de patiënt beoogt en enkel betrekking heeft op feiten die de arts n.a.v. de behandeling van de patiënt heeft vernomen en die uit hun aard zelf geheim zijn of die de arts uitdrukkelijk of stilzwijgend in de uitoefening van zijn beroep zijn toevertrouwd; dat voorts van artsen, en zeker van een diensthoofd, mag worden verwacht dat zij bij het rapporteren over de werking van de dienst, de andere stafleden niet nodeloos negatief, laat staan op een ‘eerder karikaturale manier’ (zie de tweede conclusie van dokter Lecoutere) afschilderen, doch integendeel zo objectief mogelijk verslag uitbrengen; dat voor zover het verweer van de betrokkenen aldus moet worden begrepen dat zij in hun briefwisseling hun collega moedwillig in een negatief daglicht hebben willen stellen, dit voor de Algemene Vergadering een element te meer is om aan te nemen dat de haat en de wrok tussen beiden zó diep zit dat er met zekerheid op welslagen op lange termijn niet meer aan te remediëren valt; Overwegende dat dokter Lecoutere nog laat gelden dat de problematiek binnen het verpleegkundig team niet mag worden herleid tot de relatiestoornis tussen hem en dokter Van Laer; dat zulks ongetwijfeld tot op zekere hoogte correct is, maar dat het evenzeer zo is dat dokter Lecoutere van de situatie binnen de verpleegeenheid misbruik heeft gemaakt om door het zoeken van steunbetuigingen de polarisatie tussen de beide artsen nog aan te zwengelen i.p.v. er te trachten aan te verhelpen en idem dito wat dokter Van Laer betreft; IX-5200-29/42 Overwegende dat dokter Lecoutere het feit van 4 april 2005 (rand- nummer 35 van het verslag: lees 2005 i.p.v. 2004) vergoelijkt door er op te wijzen dat het om een geplande en niet problematisch ingeschatte sectio ging die perfect is verlopen; dat hij er in zijn conclusie en betoog van 7 oktober 2005 aan toevoegt de gynaecoloog ervan te hebben verwittigd dat hij om 8.45 uur niet van de briefing kan wegblijven en gevraagd heeft daar rekening mee te willen houden in zijn planning; dat toen daar niet op ingegaan werd en hij omstreeks dat uur opgeroepen werd vanuit het operatiekwartier, hij niet anders kon dan een laatstejaarsstagiair te zenden, die hij echter wel liet vergezellen van een ervaren vroedvrouw; dat gewis de Algemene Vergadering omwille van dit feit alleen niet zou beslissen tot de maatregel waartoe hierna wordt beslist; dat echter, ook al moge er - alweer - een communicatiestoornis zijn geweest met de gynaecoloog, de briefing niet eraan in de weg mocht staan dat dokter Lecoutere zich minstens op het operatiekwartier persoonlijk van de situatie ging vergewissen om, na ze desgevallend prima facie niet riskant te hebben ingeschat, zich te laten vervangen door een stagiair en een vroedvrouw; dat het feit bewezen is, al gaat het op zich niet om een zeer zwaarwichtige tekortkoming; Overwegende dat dokter Lecoutere ten onrechte stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij op 5 april 2005 (randnummer 36) om 18u niet in het ziekenhuis aanwezig was omdat het niet ging om een inslapende wacht; dat er immers om 18u een wachtwissel tussen beide supervisoren moest doorgaan, wat de aanwezigheid van beiden in het ziekenhuis veronderstelt met het oog op de behoorlijke transfer van de medische gegevens van de patiëntjes en het desbetreffende noodzakelijk overleg; dat de omstandigheid dat het voorval geen schadelijke gevolgen heeft gehad uiteraard niet relevant is, nu precies alles in het werk moeten worden gesteld om schadegevallen zoveel mogelijk te voorkomen; Overwegende dat dokter Lecoutere niet ontkent op 19 april 2004 totaal de pedalen te hebben verloren, doch erop wijst dat zijn interventie werd ingegeven door betrokkenheid met het kind en overtrokken is; dat nochtans uit de stukken van het dossier blijkt dat de uitval andermaal haar diepere wortels had in het beweerd eigen gelijk omtrent de toe te passen medische behandeling, m.a.w. in het totaal misprijzen van de therapeutische vrijheid van de collega; dat geenszins is aangetoond dat de handelwijze van dokter Van Laer wetenschappelijk totaal onverantwoord was; dat de poging tot minimalisering van de feiten in de conclusie van 7 oktober 2005, in het licht van de gegevens van het dossier, als volstrekt ondeugdelijk moet worden afgedaan; dat uit de getuigenverklaring van de assistente Van Damme (stuk 59a) blijkt dat er wel ‘op luide toon’ en ‘luidkeels’ tegen dokter Van Laer werd ‘geschreeuwd’, dat de verwijten ‘in stijgende toon’ gingen en dat wel degelijk werd gepoogd de ballon uit de handen van dokter Van Laer te ‘rukken’, situatie waarvan niet alleen een aantal collegae, maar ook ‘de vader van (...) en alle stagiairs neonatologie getuige (waren)’; dat de vader de ganse scène ook heeft kunnen zien via het doorkijkraam tussen de verloskamer en de reanimatiebox (stuk 59b); Overwegende derhalve dat de door de verslaggever gehekelde globale gedraging van dokter Lecoutere bewezen is, evenzo als alle concreet tegen hem aangevoerde feiten die er de illustratie van zijn”; dat uit wat voorafgaat zonder meer volgt dat wat verzoeker aanvoert niet kan worden aangenomen; dat verder de therapeutische en diagnostische vrijheid van geneesheren geen onverzoenlijke gedragshouding tussen collega*s kunnen rechtvaardigen en niet valt in te zien dat de tuchtoverheid haar inzicht in de feiten niet zou mogen steunen op geschriften van de antagonisten zelf, die volgens verzoeker IX-5200-30/42 getuigen van een subjectieve wederzijdse perceptie; dat het juist die geschriften zijn die de onverzoenlijkheid van beide betrokkenen in de verf zetten; dat het standpunt van verzoeker dat de explosieve situatie op de dienst neonatologie niet alleen aan het conflict tussen de artsen mag worden toegeschreven, niet ter zake dienend is aangezien zulks de door de eerste verwerende partij als laakbare gedraging toegeschreven aan verzoeker en zijn collega, niet kan goedmaken; dat verder in de bestreden beslissing wordt tegengesproken dat de toestand op de dienst neonatologie geen externe gevolgen zou hebben gehad; dat dit geschiedt in de volgende bewoordingen : “Overwegende dat dokter Lecoutere ten onrechte beweert dat de onverkwikkelijke situatie op de afdeling geen externe uitstraling zou hebben gehad; dat hij op 23 januari 2004 (stuk 12) zelf gewag maakt van een spontane telefoon van een kinderarts uit Oostende die melding deed dat ouders van een prematuur getuige geweest zijn van een ruzie en een hoogoplopend conflict tussen dokter Van Laer en de hoofdverpleegkundige en dat hij aan die kinderarts heeft toegegeven dat er ernstige problemen zijn, maar dat alles wordt gedaan om eraan te verhelpen; dat in dit document dokter Lecoutere de situatie op de afdeling zelfs met een ‘storm’ vergelijkt (‘als het regent (stormt) in Brugge, regent het in Oostende’); dat uit stuk 62 blijkt dat het alvast ook, tot in het ziekenhuis van Torhout heeft gedruppeld; dat vaststaat dat de ouders van (...) op 19 april 2005 getuige zijn geweest van het door dokter Lecoutere uitgelokte incident dat ei zo na niet op een vechtpartij is uitgelopen”; dat bij het onderzoek van het zevende middel zal blijken dat verzoeker ten onrechte inroept dat, gelet op de verjaringstermijn van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, alleen rekening kan worden gehouden met feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering werd ingesteld; dat voorts in de bestreden beslissing omstandig wordt uiteengezet waarom de feiten vermeld onder de randnummers 35, 36 en 37 als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen; dat verzoeker er thans niet in slaagt die feiten te weerleggen en er geen reden is om aan te nemen dat het verslag van de assistente over de gebeurtenis van 19 april 2005 niet waarheidsgetrouw zou zijn; dat ook de andere getuigenverklaringen duidelijk maken dat zich toen een ernstig conflict heeft voorgedaan; dat ten slotte wat verzoeker en zijn collega door de tuchtoverheid in dezen worden verweten niet het medisch standpunt is dat zij hebben ingenomen, doch wel de gelaakte conflictueuze houding die zij toen tegenover elkaar hebben aangenomen; dat het vierde middel niet ernstig is; 3.5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn vijfde middel de schending aanvoert van “de rechten van verdediging, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, ondermeer het zorgvuldigheidsbeginsel (procedurele IX-5200-31/42 zorgvuldigheid) schending van art 6, 3 EVRM en art 128 § 1 OCMW-wet jto. arts 52 OCMW-wet en art 304 GEM.W”; dat hij hierbij met betrekking tot de aangevoerde schending van zijn rechten van verdediging uiteenzet dat de secretaris ten aanzien van de algemene vergadering gewag heeft gemaakt van “een problematiek bij het verpleegkundig team” en ervan uit is gegaan dat die problematiek bij de algemene vergadering voldoende gekend was, maar niet te achterhalen is in hoeverre dit laatste echt het geval is geweest; dat de stukken betreffende die problematiek niet in het tuchtdossier waren opgenomen en dat hij er zich niet behoorlijk en nuttig tegen heeft kunnen verdedigen; dat hij verder laat gelden dat hij weliswaar heeft ingestemd met de voeging van zijn tuchtzaak met deze van zijn collega. maar dat hij onmiddellijk heeft opgemerkt dat er geen sprake kan zijn van een collectieve tuchtstraf en dat een individuele motivering vereist is; dat hij ten slotte uit artikel
- 3 van het EVRM en artikel 128, § 1, van de OCMW-wet juncto artikel 52 van de OCMW-wet en artikel 304 van dc nieuwe gemeentewet het recht putte om getuigen op te roepen en te horen; dat zijn vraag om getuigen te horen werd afgewezen met het argument dat deze getuigen niets konden bijbrengen over het incident van 19 april 2005; dat de feiten van laatstgenoemde datum echter volledig gerelateerd zijn aan de voorafgaande evolutie; dat zijn aanbod tot getuigenverhoor tot een correcte feitelijke appreciatie van de “gehekelde globale gedraging” had kunnen leiden en derhalve cruciaal was; dat alle in zijn conclusies opgesomde getuigen daartoe hadden kunnen bijdragen; dat de weigering van de tuchtoverheid om deze getuigen te horen inzonderheid de formele zorgvuldigheidsplicht schendt; 3.5.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat verzoeker niet preciseert op welke wijze de bestreden tuchtbeslissing artikel 128, § 1, van de OCMW-wet juncto artikel 52 van de OCMW-wet schendt en dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; dat wat de kritiek van verzoeker betreft op het niet toevoegen van de stukken inzake de “verpleegkundige problematiek” aan het dossier, zij verwijst naar hetgeen dienaangaande is overwogen in de bestreden tuchtbeslissing; dat zij besluit dat de algemene vergadering wettig kon beslissen aan de hand van de “talloze” stukken van het dossier en voldoende ingelicht was over de repercussie van de “oorlog” tussen verzoeker en zijn collega op het verpleegkundig team; dat op de bemerking van verzoeker dat er geen sprake kan zijn van een collectieve straf en dat een individuele motivering is vereist, de eerste verwerende partij antwoordt dat verzoeker niet beweert dat het bestreden tuchtbesluit te dezen zou tekortschieten; dat zij ook weer verwijst naar hetgeen het bestreden tuchtbesluit dienaangaande heeft IX-5200-32/42 overwogen en dat zij vaststelt dat de schuld van beide antagonisten het voorwerp is geweest van een afzonderlijke deliberatie, motivering en stemming; dat met betrekking tot de afwijzing van verzoekers vraag om getuigen te horen, de bestreden beslissing vaststelt dat de voorgestelde getuigen niets konden toelichten over de feiten zelf die aan verzoeker werden verweten, maar dat zij door verzoeker enkel werden opgeroepen om te komen uitleggen hoe zij de plots ingetreden verzoening tussen verzoeker en zijn collega, daterend van na de feiten en na de oproeping, ervaarden; dat de algemene vergadering wettig kon beslissen over dit “posterieur gegeven” geen getuigen te moeten ondervragen; 3.5.
- Overwegende dat door te verwijzen naar artikel 128, § 1, juncto artikel 52 van de OCMW-wet en artikel 304 van de nieuwe gemeentewet, verzoeker terecht aanstipt dat de bepaling van artikel 304 van de nieuwe gemeentewet ook toepasselijk is op de personeelsleden van verenigingen, zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet; dat de door de eerste verwerende partij aangevoerde exceptie dat het middel niet uitlegt waaruit de schending bestaat van artikel 128, § 1, van de OCMW-wet juncto artikel 52 van de OCMW-wet in zoverre niet ontvankelijk is, bijgevolg wordt afgewezen; 3.5.
- Overwegende dat wat het argument van verzoeker betreft dat de stukken betreffende de “verpleegkundige problematiek” niet aan het tuchtdossier werden toegevoegd, zodat hij zich er niet tegen heeft kunnen verdedigen, de bestreden beslissing als volgt luidt : “Overwegende dat dokter Lecoutere opmerkt dat het tuchtdossier niet volledig zou zijn; dat hij stelt dat de verslaggever melding maakt van de problematiek bij het verpleegkundig team ‘die de vergadering voldoende gekend is’, doch dat niet te achterhalen is op welke wijze de algemene vergadering van die problematiek kennis heeft; dat hij zich daarom ‘op dit punt’ niet kan verdedigen; dat hij in zijn tweede conclusie inzage vraagt ‘van dat dossier’; Overwegende dat, enkel ter illustratie van de toestand die in het algemeen op de afdeling is ontstaan mede ingevolge de polarisatie tussen dokter Lecoutere en dokter Van Laer, de verslaggever aanstipt dat de situatie van wantrouwen en onderlinge conflicten tussen de artsen zich steeds meer en meer is gaan afstralen op het personeel van de verpleegeenheid dat opgesplitst is geraakt in twee kampen van believers en non-believers (randnummer 4), dat dokter Van Laer aanvoert dat de situatie op de nursingafdeling scheef is gegroeid door de sterke professionele binding tussen dokter Lecoutere en de hoofdverpleegkundige Vanneste wier beider houding dokter Van Laer onbespreekbaar acht, dat die situatie aanleiding geeft tot abnormaal verloop van personeel wat op zijn beurt oorzaak is van toename van fouten en kwalitatief minder goede verzorging (randnummer 7), dat de ‘situatie is uitgedragen naar de verpleegkundigen, dat er op 23 januari 2004 een hoog oplopende ruzie is geweest tussen dokter Van Laer en de hoofdverpleegkundige Vanneste die dokter Van Laer een hoer zou IX-5200-33/42 hebben genoemd (randnummer 11), dat het aantal om hulp vragende verpleegkundigen sterk is toegenomen en dat er een ‘oorlog’ is tussen de beide groepen verpleegkundigen (randnrs. 15 en 18), dat op het niveau van de nursing afspraken moesten worden gemaakt om aan de toestand te verhelpen maar dat de interne polarisatie is blijven bestaan (randnummer 23), dat mevrouw Vanneste heeft gekozen voor dokter Lecoutere die eiste dat de andere personeelsleden zich ook achter haar en hem zouden scharen (randnummer 24), wat dokter Van Laer zijnerzijds ook heeft gedaan (randnummer 25), dat de vakbond op 29 september 2004 heeft laten weten dat de maat vol is (randnunimer 29) en dat het verslag van mevrouw Wens van maart 2005 omtrent de coaching van de VE 125 negatief was (randnummer 33); Overwegende dat voor zover die uitgebreide toelichting ‘punten’ zou bevatten die, benevens de algemene gedragshouding, ten laste van dokter Lecoutere worden gelegd en waaromtrent hij zich moet kunnen verdedigen, het enkel gaat om wat is aangehaald in de randnummers 15, 23 en 24 van het verslag; dat over die punten gehandeld wordt in de stukken 17, 26 en 27 van het dossier, zodat de bewering dat hij zich omtrent die punten niet kan verdedigen, geen grond raakt; dat voor het overige omtrent de weerslag van de conflictsituatie tussen de artsen op de verpleegeenheid o.m. sprake is in de stukken 8, 17, 19, 25, 26, 32, 33, 34, 38, 41, 43, 44, 45 en 53; dat uit II.6 van de eerste conclusie van dokter Lecoutere blijkt dat hij aan de hand van het neergelegde dossier zich perfect heeft kunnen verdedigen m.b.t. de situatie die volgens de verslaggever onder het verpleegkundig team is ontstaan; dat de stukken m.b.t. de mutatie van de hoofdverpleegkundige, waarop dokter Lecoutere kennelijk alludeert, tot het persoonlijkheidsdossier van de betrokkene behoren en niets uitstaande hebben met de feiten en de gedragshouding die aan dokter Lecoutere worden verweten; dat hij trouwens van die maatregel de facto evident kennis heeft, zodat zijn opmerking ongepast is en een louter dilatoir karakter heeft; dat de algemene vergadering vaststelt dat het tuchtdossier zeer uitgebreid is, eensdeels, terwijl de betrokkenen zich uiteraard niet hoeven te verdedigen omtrent elementen die uit die stukken niet zouden blijken, anderdeels; dat de vraag tot voorlegging van het nursingdossier wordt verworpen”; dat die overwegingen op het eerste gezicht pertinent lijken en verzoeker niet vermag ze tegen te spreken; dat de stukken waarnaar in het tuchtverslag wordt verwezen, opgenomen zijn in het tuchtdossier, waarvan verzoeker niet betwist dat hij er kennis van heeft kunnen nemen; dat voorts de eerste verwerende partij terecht opwerpt dat verzoeker niet beweert dat de bestreden tuchtbeslissing zou tekortschieten op het vlak van de individuele motivering van de opgelegde tuchtmaatregel ten aanzien van hemzelf en ten aanzien van zijn collega; dat de aan beiden ten laste gelegde feiten door de tuchtoverheid afzonderlijk zijn beoordeeld en dat er een afzonderlijke stemming heeft plaatsgehad, ook over de op te leggen tuchtstraf; dat de eerste verwerende partij eveneens terecht opmerkt dat de vraag van verzoeker tot het oproepen van getuigen, klaarblijkelijk alleen tot doel had aan de algemene vergadering toe te lichten dat er na het tuchtverslag van de secretaris een kentering was opgetreden in de relatie tussen verzoeker en zijn collega; dat immers tijdens de zitting van de algemene vergadering van 25 augustus 2005 de raadsman van verzoeker gevraagd heeft “de kans te krijgen om de huidige verzoening toe te lichten IX-5200-34/42 en dr. VAN DEN AMEELE desgevallend op te roepen om daaromtrent bijkomende uitleg te geven”; dat ook in zijn conclusie van 8 september 2005 de raadsman van verzoeker gevraagd heeft dat dokter VAN DEN AMEELE zou komen getuigen over de gesprekken die “thans in een positieve en constructieve sfeer verlopen” en dat hij “volhardt in zijn vraag waarbij ook de huidige hoofdverpleegkundige Barbara VAN MOERLOOS, diensthoofd verpleging E. VAN BLAERE, dr. LOCCUFIER en de andere neonatoloog, dr. A. CASAER zouden gehoord worden over de recente ervaringen inzake de samenwerking tussen hem en zijn collega dr. VAN LAER”; dat de tuchtoverheid terecht vermocht te oordelen dat dergelijke getuigenissen geen afbreuk konden doen aan de feiten uit het verleden, met name aan het reeds jaren aanslepende en escalerende conflict tussen verzoeker en Paul VAN LAER dat zijn hoogtepunt bereikte in het voorval van 19 april 2005; dat dokter VAN DEN AMEELE trouwens op 24 april 2005 nog tot de vaststelling gekomen is dat “bij beide partijen voldoende inzicht in de dynamiek van de problematiek aanwezig is,(...), (maar) weinig bereidheid om tot een constructieve oplossing te komen”; dat de omstandigheid dat na het tuchtverslag van 13 juni 2005, waarin de afzetting van zowel verzoeker als van Paul VAN LAER wordt voorgesteld, een gunstige kentering in de relatie tussen verzoeker en Paul VAN LAER zou zijn ingetreden, hoe dan ook geen afbreuk doet aan de voorgaande feiten, die de tuchtoverheid hebben aangezet om de thans bestreden tuchtmaatregel te nemen; dat het vijfde middel niet ernstig is; 3.6.
- Overwegende dat verzoeker in zijn zesde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij argumenteert dat de redelijke termijn om een tuchtonderzoek te voeren en tot een beslissing te komen, ruim werd overschreden; dat de feiten waarnaar wordt verwezen zich uitstrekken over een periode van liefst zes jaar; dat dit hem de mogelijkheid ontneemt om te bewijzen dat de tegen hem ingebrachte bezwaren ongegrond zijn of om te antwoorden op de verwijten die hem worden gemaakt; 3.6.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat verzoeker dit middel niet voor de tuchtoverheid heeft aangevoerd en dat hij dat niet ontvankelijk voor het eerst voor de Raad van State kan doen; dat voorts het vereiste dat iemands proces binnen een redelijke termijn moet afgehandeld zijn, niets te maken heeft met de vraag in hoeverre feiten uit het verleden ten laste mogen worden gelegd, doch enkel met de duur van de tuchtprocedure; dat verzoeker blijkbaar de vraag aan de orde wenst te stellen of er in tuchtzaken al dan niet een verjaring bestaat; dat IX-5200-35/42 verzoeker niet beweert dat de procedure onnodig lang heeft aangesleept; dat hij ook niet aantoont dat hij ten aanzien van de feiten uit de periode 1999-2005 in zijn verdediging gehinderd is geweest; 3.6.
- Overwegende dat het door verzoeker aangevoerde middel geen betrekking heeft op de duur van de tegen hem gevoerde tuchtprocedure, doch wel op het reeds grote tijdsverloop sedert het begaan van de hem tuchtrechtelijk verweten feiten; dat hij het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht omdat het bestreden tuchtbesluit mede is gesteund op feiten die zich over een periode van zes jaar uitstrekken en dus zo ver teruggaan in de tijd -volgens verzoeker onredelijk ver- dat de uitoefening van zijn rechten van verdediging ten aanzien van die feiten in het gedrang komt; dat in de mate dat verzoeker zijn rechten van verdediging in het gedrang gebracht ziet, de eerste verwerende partij terecht opmerkt dat verzoeker dienaangaande niets heeft laten gelden tegenover de tuchtoverheid en dat hij zulks niet op een ontvankelijke wijze voor het eerst voor de Raad van State kan doen; dat in de mate verzoeker de redelijke termijn in vraag stelt waarbinnen de hem ten laste gelegde feiten tuchtrechtelijk kunnen worden vervolgd, het middel samenvalt met het zevende middel, waarin verzoeker de verjaring van de hem ten laste gelegde feiten aanvoert; dat de verjaringstermijn waarin is voorzien in artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, immers de formele uitdrukking is van de opvatting van de wetgever over de termijn waarbinnen in redelijkheid een tuchtprocedure kan worden ingeleid; dat aangezien zoals hierna zal blijken dat verzoekers zevende middel niet ernstig is, ook het zesde middel niet ernstig wordt bevonden; 3.7.
- Overwegende dat verzoeker in zijn zevende middel de schending aanvoert van “art 317 GEM W en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het fair-play beginsel en van artikel 6 6 §1 EVRM”; dat hij uiteenzet dat luidens artikel 317 van de nieuwe gemeentewet geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan worden ingesteld na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten; dat dit in casu “wel degelijk bewust” is gebeurd; dat volgens hem hetgeen in het tuchtverslag en het bestreden tuchtbesluit met betrekking tot de verjaring van de feiten wordt overwogen, “de zaken op hun kop zet”; dat uit de aan verzoeker ten laste gelegde feiten die zich situeren in de periode van zes maanden voor het instellen van de tuchtvordering, geen volgehouden attitude blijkt waarvan voorgaanden kunnen worden gevonden tijdens de zes voorafgaande jaren; dat het voorval van 4 april 2005 geen fout uitmaakt in hoofde van verzoeker; dat het voorval van 15 april 2005 geen IX-5200-36/42 verband houdt met het conflict tussen verzoeker en zijn collega en dat verzoeker tijdens het voorval van 19 april 2005 medisch adequaat heeft gehandeld; dat voorts de tuchtoverheid geen feiten uit het verleden als tuchtfeiten in aanmerking mag nemen, indien zij die feiten toentertijd niet als tuchtfeiten heeft aangemerkt; dat hij in het verleden rapporten heeft geschreven over het conflict op de dienst, die nu tegen hem worden gebruikt; dat “een rechtsonderhorige onmiskenbaar het recht heeft om te weten dat de informatie die hem wordt gevraagd, gebruikt zal worden in een procedure die tegen hem gevoerd wordt”; dat dit volgens verzoeker blijkt uit artikel 6.1 van het EVRM en artikel 14.3 van het BUPO; dat ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het fair play-beginsel dit voorschrijven; dat de tuchtoverheid verzoeker “loyaal en tijdig” op de hoogte had moeten stellen van haar voornemen om tegen hem een tuchtprocedure in te leiden; 3.7.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet antwoordt dat verzoeker ten onrechte de schending van deze wetsbepaling aanvoert, aangezien de Raad van State aanneemt dat de tuchtoverheid naast feiten die zij heeft vastgesteld of waarvan zij kennis heeft genomen tijdens een periode van zes maanden voor de inleiding van de tuchtprocedure, ook nog oudere feiten in aanmerking mag nemen, althans wanneer aan het betrokken personeelslid een algemeen gedrag wordt verweten en de eerstgenoemde feiten daarvan een illustratie zijn; dat in deze de tuchtoverheid het tuchtdossier van verzoeker in die zin heeft benaderd, met andere woorden dat de tuchtoverheid verzoeker heeft willen sanctioneren voor een algemeen gedrag en dat de feiten die het voorafgaande half jaar werden vastgesteld een illustratie van dat gedrag zijn; dat, met betrekking tot de aangevoerde schending van het fair play-beginsel, verzoeker deze niet voor de tuchtoverheid heeft aangevoerd en dat hij zulks niet op een ontvankelijke wijze voor het eerst voor de Raad van State kan doen; dat de eerste verwerende partij voorts opmerkt dat de miskenning van het fair play-beginsel opzet, kwade trouw en moedwilligheid veronderstelt, terwijl uit geen enkel stuk van het dossier blijkt dat de eerste verwerende partij verzoeker ertoe zou hebben aangezet in geschriften tegen zijn collega te ageren, om daarvan naderhand gebruik te kunnen maken in een tuchtprocedure tegen verzoeker; 3.7.
- Overwegende dat artikel 317 van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten; dat de bestreden tuchtbeslissing terecht verwijst naar de rechtspraak van de IX-5200-37/42 Raad van State dat wanneer de tuchtoverheid geen geïsoleerde tuchtfeiten, maar veeleer een algemeen gedrag of een algemene houding van het personeelslid heeft willen bestraffen, de omstandigheid dat de tuchtoverheid als illustratie van dat gedrag of die houding, naast meer recente voorvallen, feiten aanhaalt die zich meer dan zes maanden voor het instellen van de tuchtvordering hebben voorgedaan, niet tot de onregelmatigheid van de tuchtstraf leidt; dat in deze uit de bestreden tuchtbeslissing op afdoende wijze blijkt dat de tuchtoverheid de onverzoenlijke en onduldbare gedragshouding van verzoeker tegenover zijn collega heeft willen bestraffen; dat van die gedragshouding het voorval van 19 april 2005 de ultieme illustratie is, dewelke de tuchtoverheid ertoe heeft gebracht de tuchtprocedure in te leiden; dat dit voorval de uiterste escalatie was van de bijzonder conflictueuze houding die verzoeker en zijn collega tegenover elkaar aannamen; dat de omstandigheid dat de tuchtoverheid ter verduidelijking van die houding heeft uiteengezet hoe ze is gegroeid en op welke ogenblikken en op welke wijze ze reeds eerder tot uiting is gekomen vooraleer te escaleren naar het voorval van 19 april 2005, de rechtmatigheid van het tuchtbesluit niet in het gedrang kan brengen; dat verzoeker voorts niet aantoont en dat uit het dossier ook niet blijkt dat de eerste verwerende partij de onverzoenlijke houding van verzoeker zou hebben uitgelokt; dat de eerste verwerende partij integendeel in de loop der jaren verscheidene inspanningen lijkt te hebben gedaan om aan die onverzoenlijke houding een einde te stellen, door onder meer een samenwerkingsovereenkomst voor te stellen, door het organiseren van bemiddeling en door het aanpassen van de dienstregeling; dat verzoeker bijgevolg bezwaarlijk kan beweren dat hij niet op de hoogte was van het laakbare karakter van zijn houding ten aanzien van zijn collega; dat het zevende middel derhalve niet ernstig is; 3.8.
- Overwegende dat verzoeker in zijn achtste middel de schending aanvoert “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald van het evenredigheidsbeginsel”; dat hij uiteenzet dat de opgelegde tuchtstraf kennelijk onevenredig is; dat de tuchtoverheid op het vlak van de strafmaat over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt; dat die bevoegdheid echter geen synoniem kan zijn van willekeur, dat de wettige uitoefening ervan moet worden voorafgegaan door en steunen op een voldoende afweging van de gegevens van de zaak en van de belangen die door de beslissing zullen worden geraakt; dat in casu de ten laste gelegde feiten de tuchtmaatregel niet kunnen wettigen; dat de betrokken artsen niet geschorst zijn geweest en er zich geen nieuwe discussies hebben voorgedaan; dat er integendeel een kentering is ingetreden; dat de tuchtoverheid zelf op drie vlakken in de fout is gegaan: zij heeft de werkdruk op de dienst laten toenemen zonder de IX-5200-38/42 nodige budgetten vrij te maken voor een kaderuitbreiding, zij heeft geen echte bemiddeling tussen de betrokken artsen tot stand gebracht en zij heeft het advies van de aangestelde arbiter, dokter KEIRSE, om dokter VAN LAER uit de dienst te verwijderen, nooit uitgevoerd; 3.8.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar ‘s Raads arrest nr. 153.192 van 27 december 2005 dat de algemene vergadering zich het standpunt van de secretaris heeft eigen gemaakt, dat de directie alle mogelijke inspanningen heeft gedaan tot bemiddeling en begeleiding en heeft overwogen dat de veeleisendheid van de dienst neonatologie geen verschoning kan zijn voor de extreem verziekte situatie die tussen verzoeker en zijn collega is totstandgekomen; dat zij van mening is dat verzoeker niet aantoont dat dit standpunt feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn; 3.8.
- Overwegende dat de Raad van State ten aanzien van de aard en de zwaarte van een opgelegde tuchtstraf slechts beschikt over een marginale toetsingsbevoegdheid zodat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de tuchtfeiten staande straf onwettig kan bevinden en dat voor het overige de tuchtoverheid op discretionaire wijze oordeelt over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf; dat de Raad van State aldus alleen die sancties onwettig kan bevinden die kennelijk buiten verhouding staan tot de feiten waarvoor ze werden opgelegd, dit wil zeggen die sancties die als dermate buiten verhouding staand tot de feiten moet worden beschouwd dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen; dat te dezen geen dergelijke wanverhouding wordt