id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.752 Rolnummer: A. 122056/XIV-10308 Zaak: Arrest 159752 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 21:17 Fiche Arrest nr 159.752 van 8 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.752 van 8 juni 2006 in de zaak A. 122.056/XIV-10.308. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1970 en van Oekraïense nationaliteit, op 4 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 10 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 17 mei 2006 om 14.00 uur; XIV-10.308-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 18 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 22 december 2000. 1.2. Op 8 maart 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 24 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 19 april 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. (...).”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-10.308-2/8 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “E. Ingeroepen middel : schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeker werpt een middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
- a)Eerste deel van het middel: Volgens J. Salmon, ‘une décision administrative est dépourvue de base juridique (et est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se fonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce’ (J. Salmon, Le Conseil d'Etat, Bruylant, 1994, tome 1, p. 474). In casu heeft het Commissariaat-Generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52 (paragraaf 2, alinea 4) van de wet van 15 december 1980. Dit artikel kan in casu nochtans niet worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr: ‘de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft...’) en geenszins op het Commissariaat-Generaal. De Commissaris Generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december 1980. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht).
- b)Tweede deel van het middel: De Raad van State is ook belast met het onderzoeken van het feit of ‘l'autorité dont l'acte administratif émane n'a pas tenu pour établis des faits qui ne résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation’ (F. Bernard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu heeft het Commissariaat-Generaal in haar beslissing ten onrechte de verzending van verzoeker d.d. 17 mei 2002 (kopie in bijlage) niet in overweging genomen. In zijn brief had verzoeker nochtans uitgelegd waarom het voor hem onmogelijk was naar het C.G.V.S. te gaan en zijn problemen schriftelijk te beschrijven. In dezelfde verzending heeft hij ook een samenvatting van zijn problemen in Oekraïne gegeven. Hij heeft ook uitgelegd waarom het moeilijk was zijn problemen schriftelijk te beschrijven. Volgens het motiveringsbeginsel moest het C.G.V.S. ten minste een verwijzing maken naar dit schrijven in de aangevochten beslissing, bijvoorbeeld om te zeggen in hoeverre dit schrijven niet kon beschouwd worden als een antwoord van verzoeker op de oproeping of op de vraag tot inlichtingen. Door niet de minste verwijzing te maken naar het schrijven d.d. 17 mei 2002 van verzoeker, heeft het C.G.V. S. het motiveringsbeginsel geschonden.
- e)Derde deel van het middel In casu is het ook ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping’. Inderdaad de verzending van verzoeker van 17 mei 2002 is wel degelijk een gevolg, gegeven naar aanleiding van de oproeping van 19 april 2002 - zodat het Commissariaat niet kan besluiten tot de afwezigheid van enig gevolg op deze oproeping.
- d)Vierde deel van het middel Verzoeker verwijt het Commissariaat Generaal tenslotte zijn beslissing op artikel 52 van de wet van 15 december 1980 gebaseerd te hebben, zonder verder te verduidelijken welk van de onderdelen van dit erg lang artikel van toepassing is in concreto. Welnu, dit artikel omvat ongeveer twintig verschillende toepassingsgevallen - zodat het noodzakelijk is te specifiëren welk van toepassing is, opdat een lezer die buitenstaander is de betwiste beslissing zou begrijpen. Het Commissariaat Generaal was tot voor kort trouwens duidelijker in zulke zaken, waarbij het met meer precisie artikel 52.2.4 van de wet beoogde.”; XIV-10.308-3/8 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hieromtrent het volgende stelt: “1. Onderzoek van de middelen 1. In het eerste en enig middel beroept verzoeker zich op de schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980. 1.1. Verzoeker werpt op dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet kan worden toegepast door het Commissariaat-generaal. Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing een dringend beroep betreft bij het Commissariaat-generaal tegen een beslissing waarbij de Minister of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52, de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart. In overeenstemming met artikel 63/3, § 1 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 bevestigt de Commissaris-generaal of één van zijn adjuncten de aangevochten beslissing of beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk is. Artikel 6313 van de Vreemdelingenwet bepaalt niet uitdrukkelijk op welke gronden de commissaris-generaal de bij dringend beroep, bij hem aanhangig gemaakte beslissing kan bevestigen, doch het is een kenmerk van een georganiseerd beroep dat door de beroepsinstantie zowel de opportuniteit als de rechtmatigheid van de bestreden beslissing kan - worden onderzocht. Bijgevolg beschikt de commissaris- generaal over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als de Dienst Vreemdelingenzaken en kan hij zich, bij het bevestigen van de beslissing, steunen op de onontvankelijkheidsgronden voorzien in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. (R.v.St., nr. 98.758 van 10 september 2001, onuitg.) 1.2. Verzoeker werpt op dat de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met de brief van verzoeker van 17 mei 2002 en er evenmin naar verwezen heeft. Verweerder antwoordt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van een beslissing steeds rekening houdt met alle elementen uit het administratief dossier. In de aangehaalde brief wordt geen melding gemaakt van een geldige reden waarom verzoeker geen gevolg kon geven aan de oproeping, laat staan een document dat hiervan het bewijs levert. In de bestreden beslissing werden zowel de juridische als de feitelijke motieven opgenomen die haar op afdoende wijze dragen. Het element waar verzoeker naar verwijst, doet geen afbreuk aan deze motieven. 1.3. Verzoeker werpt op dat verzoeker wel enig gevolg heeft gegeven naar aanleiding van de oproeping. Verweerder antwoordt dat gevolg geven aan de oproeping, niet gelijk staat aan enig gevolg geven naar aanleiding van de oproeping. Het gevolg geven aan de oproeping heeft geen andere betekenis dan het ingaan op de uitnodiging op het Commissariaat-generaal, op de datum zoals aangegeven in de oproepingsbrief. 1.4. Verzoeker werpt op dat in de bestreden beslissing niet gepreciseerd wordt op basis van welke paragraaf van artikel 52 de bestreden beslissing werd genomen. Verweerder antwoordt dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker begrepen heeft dat de bestreden beslissing steunt op § 2, /4 van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Deze precisering van artikel 52 van de Vreemdelingenwet wordt in de bestreden beslissing dan ook op voldoende duidelijke wijze aangegeven door de vaststelling dat verzoeker 'zonder geldige reden, geen gevolg [heeft] gegeven binnen de maand aan de oproeping'. Verweerder merkt op dat in de oproepingsbrief van 19 april 2002 de aandacht van verzoeker op deze paragraaf van artikel 52 van de Vreemdelingenwet wordt gevestigd. Het eerste en enig middel is niet ernstig.”; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar de inhoud van haar verzoekschrift; 2.4 Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.5. Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van XIV-10.308-4/8 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet tot doel hebben de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.6. Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, §2, 4/ van voornoemde wet bepaalt dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling binnen de maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; Overwegende dat wanneer de verzoekende partij bij aangetekende brief op haar gekozen woonplaats wordt uitgenodigd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om haar asielrelaas te komen toelichten, de verzoekende partij wordt verzocht om, in geval van overmacht, het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag, binnen de maand volgend op de oproeping, per aangetekend schrijven over te maken aan de Commissaris-generaal; dat de oproepingsbrief duidelijk vermeldt dat de status van vluchteling kan worden geweigerd wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen, ondanks het bewijs van overmacht; dat diegene die een asielaanvraag indient, ertoe gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen en elke vraag tot inlichtingen van de bevoegde instanties dient te beantwoorden; XIV-10.308-5/8 Overwegende dat de Commissaris-generaal in casu op grond van artikel 52, §2, 4/ van voornoemde wet zijn bevestigende beslissing heeft genomen; dat de bestreden beslissing steunt op de volgende determinerende motieven: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 19 april 2002 op uw gekozen woonplaats.”; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede onderdeel van betreffend middel in essentie aanvoert dat het Commissariaat-generaal in zijn beslissing ten onrechte haar schrijven van 17 mei 2002 niet in overweging heeft genomen; dat ze in haar brief had uiteengezet waarom het voor haar onmogelijk was zich naar het Commissariaat- generaal te begeven en haar problemen schriftelijk te beschrijven; dat ze in dezelfde zending ook een samenvatting van haar problemen in Oekraïne heeft gegeven; dat volgens het motiveringsbeginsel het Commissariaat-generaal minstens een verwijzing diende te maken naar dit schrijven in de aangevochten beslissing, bijvoorbeeld om te zeggen in hoeverre dit schrijven niet kon beschouwd worden als een antwoord op de oproeping of op de vraag tot inlichtingen; dat hierdoor het motiveringsbeginsel werd geschonden; Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij door het Commissariaat-generaal bij aangetekend schrijven van 19 april 2002, verzonden naar haar gekozen woonplaats, werd uitgenodigd om haar asielrelaas te komen toelichten op 3 mei 2002, en dat ze tevens werd verzocht om, in geval van overmacht, het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag, binnen de maand volgend op de oproeping, per aangetekend schrijven over te maken aan de Commissaris-generaal; dat bij beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 mei 2002 de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, werd bevestigd en naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 24 mei 2002; dat het determinerend motief van betreffende beslissing luidde als volgt: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aan-getekend werd verstuurd op 19 april 2002 op uw gekozen woonplaats.”; dat bij aangetekend schrijven van 17 mei 2002 de verzoekende partij het Commissaris- generaal op de hoogte bracht dat ze in de onmogelijkheid verkeerde, omwille van psychologische redenen, aanwezig te zijn op het verhoor op het Commissariaat-generaal dat zou plaatsvinden op 3 mei 2002 en waartoe ze op 19 april 2002 bij aangetekend schrijven werd opgeroepen; XIV-10.308-6/8 Overwegende dat bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het motief van de bestreden beslissing, waar wordt gesteld dat steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk is, omdat ze, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die haar aangetekend werd verstuurd op 19 april 2002 op haar gekozen woonplaats, geen steun vindt in het administratief dossier; dat de verzoekende partij binnen de maand volgend op de oproeping, bij aangetekend schrijven van 17 mei 2002 onder meer laat gelden dat ze, nadat ze werd mishandeld en fysisch en psychisch werd geïntimideerd door mafiosische structuren, met diepgaande psychologische letsels tot gevolg, in de onmogelijkheid verkeerde zich aan te bieden voor een officieel onderhoud; dat waar de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat “in de aangehaalde brief (...) geen melding (wordt) gemaakt van een geldige reden waarom verzoeker geen gevolg kon geven aan de oproeping, laat staan een document dat hiervan het bewijs levert” de vaststelling volstaat dat betreffend motief, ontleend aan een gebrekkige verantwoording voor het niet verschijnen op het verhoor, niet in de bestreden beslissing werd opgenomen, zodat het dan ook niet voor de eerste maal voor de Raad van State kan worden aangevoerd ter verantwoording van deze beslissing; dat bijgevolg de motiveringsverplichting werd geschonden, dat het eerste middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-10.308-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-10.308-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div