← België

Arrest 159754 - - 08/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.754 Rolnummer: A. 140729/XIV-16484 Zaak: Arrest 159754 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 21:18 Fiche Arrest nr 159.754 van 8 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.754 van 8 juni 2006 in de zaak A. 140.729/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 oktober 1966 en van Kazakse nationaliteit, op 22 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.484-1/7 Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 17 mei 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 16 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  4. Op 4 december 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 25 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u werd verstuurd op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.) (...).”;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-16.484-2/7 “
  7. Schending van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de algemene motiveringsverplichting en de rechten van verdediging. De beslissing is enkel in een korte alinea gemotiveerd. Verzoekster heeft een asielaanvraag ingediend die gebaseerd is op de conventie van Genève. Het behoort dan ook aan verweerder om deze aanvraag te beoordelen in het licht van de criteria vervat in de Conventie. Verweerder gaat andersom te werk en onderzoekt de aanvraag n het licht van een criterium van gemeen recht zonder verder onderzoek of de feiten kunnen ondergebracht worden bij een criterium van de Conventie van Genève. Aldus is dan ook niet voldaan aan de motiveringsverplichting. Daarenboven diende verweerder uiteraard te antwoorden op de brieven die verzoekster hem had overgemaakt. Verweerder gaat wel eigenaardig te werk. Bij brief van 12.05.2003 stuurt hij een vraag om inlichtingen (stuk 3). Hierop wordt gereageerd door verzoekster (stuk 4). Bij brief van 18.06.2003 wordt een nieuwe vraag gericht zonder te specifiëren in welke mate het antwoord van verzoekster op de eerste vraag hem onvoldoende bleek. Ook hierop wordt door verzoekster gereageerd (stuk 6) en wordt uitdrukkelijk verwezen naar de voorgaande brieven. Totaal ten onrechte werd dan ook een technisch negatief genomen nu de voorwaarden hiertoe geenszins waren voldaan. Vooreerst had verzoekster gereageerd op de vraag naar inlichtingen. Daarnaast stelt zich de vraag naar het nut van een vraag om inlichtingen wanneer deze voordien reeds was gesteld en erop was geantwoord. Het gaat niet op dat verweerder blijft vragen om inlichtingen te stellen om dan bij de eerste keer dat hierop niet zou worden geantwoord, een negatieve beslissing te nemen. Verweerder diende dan ook te antwoorden op de brieven van verzoekster. Nu hij d it niet deed is niet voldaan aan bovenvermelde grief.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hieromtrent het volgende stelt: “2.
  8. In het tweede middel werpt verzoekster op dat de bestreden beslissingen de algemene rechtsbeginselen schenden alsook de algemene beginselen van schenden alsook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur Verweerder antwoordt dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster tot driemaal toe werd opgeroepen voor gehoor met name een eerste maal bij aangetekende brief van 14 februari 2003 voor gehoor voorzien op 25 februari 2003, een tweede maal per aangetekende brief van 12 mei 2003 voor een gehoor voorzien op 22 mei 2003 en tenslotte een derde maal via aangetekende brief van 12 mei 2003 met een gehoor voorzien op 01 juli
  9. Op geen van de voorziene gehoren was verzoekster aanwezig. Telkenmale werd een doktersbriefje voorgelegd. Het laatste dateert van 01 juli
  10. Uit het doktersbriefje blijkt dat dit attest aan verzoekster werd afgeleverd om wegens ziekte onbekwaam is "de lessen te volgen VDAB" alsook dat het verzoekster is toegestaan de woning te verlaten. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster heeft nagelaten te antwoorden op de vraag om inlichtingen haar gesteld in de oproepingsbrief haar opgestuurd in de oproepingsbrief haar toegestuurd op 18 juni
  11. De onvertaalde verklaring door verzoeksters raadsman aan verweerder toegestuurd op 06 juni 2003 kan niet als een antwoord op de vraag om inlichtingen worden voorzien. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de algemene motiveringsverplichting en de rechten van verdediging; XIV-16.484-3/7 2.
  13. Overwegende dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat haar rechten van verdediging werden geschonden, vaststaat dat de procedure voor het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is; dat het volstaat te stellen dat de rechten van verdediging op het administratief-rechtelijke vlak alleen in tuchtzaken bestaan; dat derhalve de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.
  14. Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, §2, 4/ van voornoemde wet bepaalt dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling binnen de maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; Overwegende dat wanneer de verzoekende partij bij aangetekende brief op haar gekozen woonplaats wordt uitgenodigd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om haar asielrelaas te komen toelichten, de verzoekende partij wordt verzocht om, in geval van overmacht, het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag, binnen de maand volgend op de oproeping, per aangetekend schrijven over te maken aan de Commissaris-generaal; dat de oproepingsbrief duidelijk vermeldt dat de status van vluchteling kan worden geweigerd wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen, ondanks het bewijs van overmacht; dat diegene die een asielaanvraag indient, ertoe gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen en elke vraag tot inlichtingen van de bevoegde instanties dient te beantwoorden; Overwegende dat de Commissaris-generaal in casu op grond van artikel 52, §2, 4/ van voornoemde wet zijn bevestigende beslissing heeft genomen; dat de bestreden beslissing steunt op de volgende determinerende motieven: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 19 juni 2003 op uw gekozen woonplaats.”; XIV-16.484-4/7 2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij hieromtrent in essentie aan-voert dat de verwerende partij diende te antwoorden op de brieven die ze haar had overgemaakt; dat de verwerende partij op 12 mei 2003 een brief stuurde met de vraag om inlichtingen; dat hierop door haar werd gereageerd; dat bij brief van 18 juni 2003 een nieuwe vraag werd gericht zonder te specifiëren in welke mate haar antwoord op de eerste vraag voor de verwerende partij onvoldoende bleek; dat ook hierop door de verzoekende partij werd gereageerd en uitdrukkelijk werd verwezen, naar de voorgaande brieven; dat ten onrechte een technisch negatieve beslissing werd genomen nu de voorwaarden hiertoe geenszins waren voldaan; dat de verzoekende partij gereageerd heeft op de vraag om inlichtingen; dat de verwerende partij dan ook diende te antwoorden op haar brieven; 2.
  16. Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij door het Commissariaat-generaal bij aangetekend schrijven van 14 februari 2003, verzonden naar haar gekozen woonplaats, werd uitgenodigd om haar asielrelaas te komen toelichten, en dat ze tevens werd verzocht om, in geval van overmacht, het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag, binnen de maand volgend op de oproeping, per aangetekend schrijven over te maken aan de Commissaris-generaal; dat bij beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 maart 2003 de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten werd bevestigd en naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 19 maart 2003; dat het determinerend motief van betreffende beslissing luidde als volgt: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u werd verstuurd op uw gekozen woonplaats.”; dat op 18 april 2003 voormelde beslissing werd ingetrokken omwille van een administratieve vergissing; dat op 12 mei 2003 door het Commissariaat-generaal een nieuwe oproeping tot gehoor op 22 mei 2003, en vraag om inlichtingen, aangetekend werd verzonden aan de verzoekende partij op haar gekozen woonplaats; dat bij aangetekend schrijven van 21 mei 2003 de raadsman van de verzoekende partij het Commissariaat-generaal op de hoogte bracht dat de verzoekende partij ingevolge ziekte niet aanwezig kon zijn op betreffend verhoor; dat in bijlage van dit schrijven een doktersattest ter bevestiging van dit gegeven werd gevoegd; dat de raadsman van de verzoekende partij, binnen de maand volgend op de oproeping, bij aangetekend schrijven van 6 juni 2003 een verklaring ter ondersteuning van de asielaanvraag van de verzoekende partij heeft overgemaakt aan de Commissaris-generaal; dat betreffende verklaring was opgesteld in de moedertaal van de verzoekende partij; dat op 18 juni 2003 door het Commissariaat-generaal andermaal een oproeping tot gehoor op 1 juli 2003 en vraag om inlichtingen aangetekend werd verzonden aan de verzoekende partij op haar gekozen woonplaats; dat de raadsman van de verzoekende partij aanwezig was op dit XIV-16.484-5/7 verhoor; dat binnen de maand volgend op de oproeping, bij aangetekend schrijven van 17 juli 2003 de raadsman van de verzoekende partij het Commissariaat-generaal op de hoogte brengt van het feit dat de verzoekende partij nooit voormelde uitnodiging van 18 juni 2003 heeft ontvangen en zelfs al zou ze deze hebben ontvangen ze evenwel niet aanwezig kon zijn op betreffend interview omwille van medische redenen, waarbij een doktersattest werd toegevoegd; dat de raadsman voormeld schrijven van 17 juli 2003 besloot met de mededeling dat zijn cliënte “voor het overige verwijst (...) naar haar vorige brieven”; Overwegende dat bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het motief van de bestreden beslissing, waar wordt gesteld dat steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk is, omdat ze, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die haar aangetekend werd verstuurd op 19 juni 2003 op haar gekozen woonplaats, geen steun vindt in het administratief dossier; dat de verzoekende partij op de vraag om inlichtingen van 12 mei 2003, binnen de maand volgend op de oproeping, bij aangetekend schrijven van 6 juni 2003 een verklaring heeft overgemaakt aan de Commissaris-generaal, opgesteld in een vreemde taal, waarin normaliter de elementen werden opgenomen ter ondersteuning van haar asielaanvraag; dat vermits de vraag om inlichtingen van 18 juni 2003 identiek was aan deze van 12 mei 2003, de verzoekende partij zich ertoe kon beperken te verwijzen naar haar eerdere antwoord, zoals overigens in de brief van 17 juli 2003 werd gedaan; dat waar de verwerende partij in haar nota opwerpt dat “de onvertaalde verklaring door verzoeksters raadsman aan verweerder toegestuurd op 6 juni 2003 niet als antwoord op de vraag om inlichtingen kan worden aanzien” de vaststelling volstaat dat, daargelaten de vraag of het antwoord op de vraag om inlichtingen enkel in de moedertaal van de asielaanvrager, dan wel vergezeld van een vertaling, kon opgesteld worden, betreffend motief, ontleend aan het gebrek aan vertaling van de door de verzoekende partij versterkte inlichtingen, niet in de bestreden beslissing werd opgenomen, zodat het dan ook niet voor de eerste maal voor de Raad van State kan worden aangevoerd ter verantwoording van deze beslissing; dat bijgevolg de motiveringsverplichting werd werd geschonden, dat het tweede middel in die mate gegrond is en dat de overige onderdelen van het betreffend middel niet tot een ruimere nietigverklaring kunnen leiden, XIV-16.484-6/7 BESLUIT: Artikel
  17. Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-16.484-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.