← België

Arrest 159784 - - 08/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.784 Rolnummer: A. 85689/XII-2168 Zaak: Arrest 159784 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 21:19 Fiche Arrest nr 159.784 van 8 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.784 van 8 juni 2006 in de zaak A. 85.689/XII-

  1. In zake : Monique FEYS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Longeville, kantoor houdende te Oostkamp, Sint-Pietersplein 6 e tegen :
  2. het GEMEENSCHAPSONDERWIJS,
  3. de VLAAMSE GEMEENSCHAP. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monique Feys op 23 juli 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 mei 1999 waarbij de centrale raad van het Gemeenschapsonderwijs haar definitieve ambtsneer- legging uitspreekt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-2168-1\7 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Longeville, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is vast benoemd kleuterleidster, geaffecteerd aan de basisschool Oostkamp. De directeur van die basisschool kent aan verzoekster op 17 juni 1997 en op 15 juni 1998 de evaluatie “onvoldoende” toe, waarop verzoekster telkens reageert met een bezwaarschrift en waarna de directeur de gegeven evaluatie telkens handhaaft. Op 8 augustus 1998 kent ook de pedagogisch begeleider aan verzoekster de evaluatie “onvoldoende” toe, die zij bevestigt na bezwaar van verzoekster. Op 22 april 1999 beslist de raad van beroep van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs het beroep van verzoekster tegen deze laatste evaluaties ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Deze beslissing wordt aan verzoekster ter kennis gebracht per aangetekend, 29 april 1999 gedateerd schrijven, dat ook volgende vermeldingen bevat : “U kan deze beslissing niet meer d.m.v. een administratief beroep bestrijden. U kan deze beslissing wel via een jurisdictioneel beroep aanvechten. In dit geval dient u binnen een termijn van 60 dagen m.i.v. de datum van ontvangst van de kennisgeving van deze beslissing, een annulatieberoep bij de Raad van State in te dienen.”. XII-2168-2\7 Op 20 mei 1999 beslist de centrale raad van het Gemeenschapsonderwijs om de beslissing van de raad van beroep “uit te voeren en de definitieve ambtsneerlegging uit te spreken” en dit met ingang van “de dag na de dag waarop deze beslissing door ‘De Post’ wordt betekend”; De gegrondheid van het beroep
  5. Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift drie annulatiemiddelen aanvoert; dat enkel het derde middel rechtstreeks gericht is tegen de beslissing van de centrale raad, orgaan van het Gemeenschapsonderwijs en auteur van de bestreden rechtshandeling; dat verzoekster in het eerste en het tweede middel daarentegen wettigheidsbezwaren aanvoert tegen de beslissing waarbij de raad van beroep, orgaan van de Vlaamse Gemeenschap, haar administratief beroep tegen de gegeven evaluatie ongegrond verklaard heeft;
  6. Overwegende, ambtshalve, dat de vraag rijst of het eerste en het tweede middel wel ontvankelijk zijn; dat verzoekster immers de beslissing van de raad van beroep niet afzonderlijk met een annulatieberoep heeft bestreden en ze ook in het voorliggend beroep niet tot voorwerp van haar vordering maakt; dat zij dus enkel de onwettigheid van die beslissing aanvoert als vernietigingsgrond voor de jegens haar uitgesproken definitieve ambtsneerlegging; 3.
  7. Overwegende dat de bestreden beslissing van de centrale raad van het Gemeenschapsonderwijs een constitutieve rechtshandeling is die met het oog op het vaststellen van verzoeksters rechtstoestand vereist is ter uitvoering van het bepaalde in artikel 88, 5/, van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 : “Art.
  8. Voor de vast benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging : [...] 5/ indien zij gedurende twee opeenvolgende schooljaren ‘onvoldoende’ hebben gekregen bij een evaluatie ten aanzien van het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft. Die periode wordt opgeschort wanneer het personeelslid geen diensten presteert in het ambt waarvoor de ‘onvoldoende’ is toegekend. Een evaluatie ‘onvoldoende’ die overeenkomstig artikel 69 in behandeling is bij de raad van beroep heeft slechts gevolgen vanaf de datum van de eindbeslissing van de raad van beroep”; dat die beslissing van de centrale raad voor verzoekster griefhoudend en door haar aanvechtbaar is; XII-2168-3\7 3.
  9. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord betoogt dat de Raad van State wel zeker bevoegd is om kennis te nemen van de inhoud van de beslissing van de raad van beroep ter beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing van de centrale raad; dat zij argumenteert, eensdeels, dat alleen uitvoerbare beslissingen aanvechtbaar zijn voor de Raad van State en de beslissing van de raad van beroep op zich geen zulke uitvoerbare rechtshandeling is en, anderdeels, dat in casu een complexe rechtshandeling wordt bestreden, zodat de vernietiging van het resultaat van die hele verrichting mag worden gevorderd op grond van de onregelmatigheid van één van de samenstellende handelingen, waar zij aan toevoegt, enigszins in tegenstelling tot haar eerste betoog, “ook al kon die vorige handeling afzonderlijk met een annulatieberoep bestreden worden en al is de termijn om dat beroep in te stellen (tegen de beslissing van de Raad van Beroep) verstreken”; 3.
  10. Overwegende dat de beslissing van de raad van beroep, anders dan verzoekster meent, wel rechtsgevolgen heeft en een uitvoerbare rechtshandeling is; Overwegende dat die beslissing vooreerst past in het verloop van de statutair verplichte evaluatie van het personeel; dat zij meer bepaald die evaluatieprocedure van het personeelslid op administratief vlak beëindigt en de gegeven evaluatie definitief maakt, hetzij door het beroep te verwerpen en de “onvoldoende” te bevestigen, in welk geval die “onvoldoende” de definitieve evaluatie is, hetzij door het beroep gegrond te verklaren, in welk geval de “onvol- doende” luidens het toentertijd geldende artikel 8, § 6, van het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 wordt vernietigd en ze uit het evaluatiedossier wordt verwijderd; dat de beslissing van de raad van beroep dan ook terecht in artikel 88, 5/, van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 een “eindbeslissing” wordt genoemd; dat voorts, wanneer het personeelslid, zoals te dezen, gedurende twee opeenvolgende schooljaren “onvoldoende” heeft gekregen bij een evaluatie ten aanzien van het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft, artikel 88, 5/, van het rechtspositiedecreet aan het Gemeenschapsonderwijs geen beoordelingsruimte over- laat, zodat het de definitieve toekenning van een tweede “onvoldoende” is die de betrokkene een onmiddellijk nadeel berokkent en haar rechtstoestand determineert; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, terecht in de kennisgeving van die beslissing aan verzoekster de vermelding is gedaan van haar beroepsmogelijkheden, overeenkomstig de eis gesteld in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; XII-2168-4\7 Overwegende dat de beslissing van de raad van beroep daarentegen niet begrepen kan worden als een onderdeel van een complexe administratieve rechtshandeling die in de beslissing over de definitieve ambtsneerlegging culmineert; dat, om te kunnen gewagen van een complexe rechtshandeling immers vereist is dat de eerdere beslissing beschouwd moet worden als uitsluitend en noodzakelijk voorbereidend op de latere in het geding zijnde beslissing; dat, omgekeerd, het gegeven dat de eerdere beslissing noodzakelijk voorhanden moet zijn opdat de latere beslissing rechtsgeldig getroffen kan worden en zelfs het bestuur tot het treffen ervan bindt, daartoe niet volstaat; dat niet beweerd kan worden dat de evaluatieprocedure noodzakelijk er op is gericht om een ontslag voor te bereiden en precies met het oog daarop wordt opgestart; dat de evaluatie een op zichzelf staande rechtshandeling is die verplicht is voor alle personeelsleden in het kader van hun rechtspositie; dat de definitieve ambtsneerlegging slechts het ingrijpende doch bijkomstige neveneffect is van een tweede definitief geworden “onvoldoende”, maar niet de administratieve rechtshandeling die beoogd wordt door de evaluatie of ter voorbereiding waarvan het personeelslid aan de evaluatie wordt onderworpen; Overwegende dat verzoekster dan ook, om de wettigheid van de beslissing van de raad van beroep in het geding te kunnen brengen, dit had moeten doen binnen zestig dagen na de kennisgeving ervan; dat het huidige beroep later is ingesteld; dat de beslissing van de raad van beroep dienvolgens onaantastbaar is geworden; dat het eerste en het tweede middel niet ontvankelijk zijn; 4.
  11. Overwegende dat verzoekster een derde annulatiemiddel put uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing van de centrale raad “blindelings uitvoering verleent aan de hoger gewraakte beslissing van de Raad van Beroep”, terwijl het voorliggend dossier “niet objectief en/of voldoende is gestoffeerd en gemotiveerd om de evaluatie ‘onvoldoende’ te bekrachtigen en uit te voeren”; dat zij het middel in nagenoeg dezelfde bewoordingen herneemt in haar memorie van wederantwoord; 4.
  12. Overwegende dat verzoekster het in dit middel zo ziet, dat de centrale raad, uit zorgvuldigheid, eigener beweging de motieven van de beslissing van de raad van beroep had moeten onderzoeken, de beweerde gebreken had moeten vaststellen en dienvolgens weigeren om de definitieve ambtsneerlegging uit te spreken; XII-2168-5\7 Overwegende dat de decreetgever heeft gewild dat een personeelslid beschikt over een beroepsmogelijkheid tegen een evaluatie “onvoldoende” en daartoe in artikel 43, § 3, van het rechtspositiedecreet aan de Vlaamse regering de opdracht heeft gegeven een procedure uit te werken die “overeenkomt met de procedure inzake beroep tegen tuchtmaatregelen”; dat die procedure is, zo leren de artikelen 61 en volgende van het rechtspositiedecreet, een beroepsmogelijkheid bij de raad van beroep; dat dan meer bepaald luidens artikel 43, § 3, in samenhang met artikel 61, § 2, van het rechtspositiedecreet de evaluatie net zoals de tuchtmaatregel definitief is na het verstrijken van de beroepstermijn “ofwel nadat de raad van beroep, na uitputting van de procedure waarin is voorzien in afdeling 3 een definitieve beslissing heeft genomen”; dat die beslissing in artikel 88, 5/ “de eindbeslissing van de raad van beroep” wordt genoemd; Overwegende dat het geheel in strijd met deze decretale regels is, om van de centrale raad een bijkomende beroepsinstantie te willen maken die de motieven van de eindbeslissing van de raad van beroep zou moeten controleren; dat integendeel de eindbeslissing van de raad van beroep een uitvoerbare beslissing is waaraan artikel 88, 5/, van het rechtspositiedecreet rechtstreeks dwingende gevolgen koppelt die door de eerste verwerende partij zonder eigen beoordelingsvrijheid moeten worden aangenomen; dat de bestreden beslissing met andere woorden het resultaat is van een gebonden bevoegdheid van het bestuur, waarbij geen nieuwe beoordeling met beleidsvrijheid mogelijk is; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-2168-6\7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2168-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.