← België

Arrest 159786 - - 08/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.786 Rolnummer: A. 88492/VII-20092 Zaak: Arrest 159786 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 21:20 Fiche Arrest nr 159.786 van 8 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.786 van 8 juni 2006 in de zaak A. 88.492/VII-20.092 In zake :

  1. de v.z.w. VERENIGING TER BESCHERMING VAN DE LEEFOMGEVING IN DE BUURT VAN DE FRUITHOFLAAN EN HET ROOI,
  2. Elza VAN ROMPAEY, die woonplaats kiezen bij Advocaten D. ERREYGERS en Y. LOIX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN tussenkomende partij : de n.v. LAKONIA, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. VERENIGING TER BESCHERMING VAN DE LEEFOMGEVING IN DE BUURT VAN DE FRUITHOFLAAN EN HET ROOI en Elza VAN ROMPAEY op 16 december 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 november 1999, waarbij het beroep dat door de verzoekende partijen werd aangetekend tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 17 juni 1999, houdende het verlenen aan de n.v. LAKONIA van een vergunning om een sport- en recreatiecomplex met zwembad en sauna-inrichting gelegen te 2600 Antwerpen (Berchem), Rooiplein 2, kadastraal gekend afdeling 21, sectie A, nummer 334a/deel, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 88.080 van 20 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-20.092-1/12 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 september 2000 ingediend door de n.v. LAKONIA; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2000 die de tussenkomst van de n.v. LAKONIA toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 27 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Y. LOIX die, verschijnt voor de verzoekende partijen, van Bestuurssecretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat M. VAN PASSEL, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-20.092-2/12
  4. De feiten Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. De tussenkomende partij, de n.v. LAKONIA, baat een recreatie- complex uit met onder andere een bar, zwembad, sauna en whirlpool, gelegen aan het Rooiplein nr. 2 te Berchem-Antwerpen. De eerste verzoekende partij is een vereniging zonder winstoog- merk die als maatschappelijk doel heeft "in het bijzonder het behoud van een evenwicht tussen het groen van het recreatiedomein het Rooi, de rust en de open ruimte van de residentiële leefomgeving en het vrijwaren van de historische gebouwen (...), met als kern voor dit evenwicht het bevorderen van het welzijn en de veiligheid in het woon- en leefmilieu van de bewoners gevestigd in de buurt van de Fruithoflaan en het Rooi te Berchem (Antwerpen)". Tweede verzoekster is woonachtig in de nabije omgeving van de inrichting van de n.v. LAKONIA. 1.
  6. De inrichting is gelegen in het Bijzonder Plan van Aanleg (B.P.A.) nr. 9/14 "De Veldekens - Het Rooi - Pulhof - Fruithof", goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart
  7. Zij ligt in een strook bestemd voor sport, spel en recreatie. Als bestemming voorziet het bijzonder plan van aanleg: - sportinstellingen met speelvelden, cafetaria, restaurant, club- en dienstgebou- wen; - terreinen bestemd voor jeugdverenigingen; - parkeergelegenheden; - benzineverkooppunt. 1.
  8. Op 23 april 1992 sluit de tussenkomende partij voor de betrokken gronden een erfpachtovereenkomst met de stad Antwerpen. De erfpachter bekomt de grond in erfpacht "om er een zwembadcomplex met woonst te bouwen en te exploiteren dat zich richt tot beoefenaars van zwembadsporten in familieverband, revalideringspatiënten van hartinfarcten, zwangere vrouwen en andere". 1.
  9. Op 7 mei 1992 verleent de stad Antwerpen aan de tussenkomende partij een bouwvergunning voor het oprichten van een sport- en recreatiecomplex met woning. Die vergunning, die nooit met een annulatieberoep werd bestreden, laat de oprichting toe van een kegelvormige constructie zonder top. VII-20.092-3/12 1.
  10. Aanvankelijk was de inrichting slechts meldingsplichtig (klasse 3). Op 17 december 1992 wordt een melding geakteerd door het college van burgemees- ter en schepenen van de stad Antwerpen. 1.
  11. Door een nieuwe indelingslijst in bijlage 1 bij Vlarem I wordt de inrichting van de tussenkomende partij vergunningsplichtig. Deze partij dient op 27 januari 1998 een milieuvergunningsaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen, dat deze op 7 mei 1998 inwilligt. Te noteren valt dat die milieuvergunning niet enkel slaat op de regularisatie van de bestaande toestand, maar ook op de uitbreiding met onder meer een tweede zwembad, dat zou worden ondergebracht in een tweede, afgeplatte, dit keer omgekeerde kegel. Na een beroep van de v.z.w. COMITE VOOR EEN GROEN BELEID ROND HET ROOI, wordt voornoemde milieuvergunning evenwel opgeheven en in beroep, met een besluit van 5 november 1998, geweigerd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Het beroep wordt weliswaar "niet gegrond" bevonden, de inrichting wordt verenigbaar geacht met de stedenbouwkundige voorschriften en onoverkomelijke milieuhygiënische problemen blijken er niet te zijn, doch de aanvraag wordt onverenigbaar geacht met een aantal bepalingen van Vlarem II, inzonderheid wat betreft de normen voor de kaden rond de zwembaden en het toezicht (redder). Op dat punt is een door de minister verleende afwijking van de Vlarem II-normen nodig. Met een ministerieel besluit van 26 maart 1999 wordt die afwijking verleend. 1.
  12. Op 16 juli 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen aan de tussenkomende partij een bouwvergunning voor een uitbreiding met een zwem- en relaxeenheid: het betreft de tweede omgekeerde kegel. Tegen deze bouwvergunning wordt geen annulatieberoep ingesteld. 1.
  13. Op 7 april 1999 dient de tussenkomende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor haar ganse recreatiecomplex, en op 17 juni 1999 wordt de vergunning verleend. 1.
  14. De verzoekende partijen dienen, samen met nog twee andere personen, tegen dit vergunningsbesluit beroep in bij de bestendige deputatie. Er wordt onder meer op gewezen dat de milieuvergunningverlenende overheid er toe gehouden is te onderzoeken of de geplande inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige en planologische voorschriften en dat in casu de inrichting een zuiver privatief VII-20.092-4/12 karakter heeft en derhalve onverenigbaar is met het bijzonder plan van aanleg 9/14 dat voor het betrokken terrein waarop de inrichting is gelegen, voorziet in een plaats "bestemd voor openbaar nut of met openbare bestemming" 1.
  15. In het kader van de beroepsprocedure worden de vereiste adviezen uitgebracht en dienen de tussenkomende partij en de verzoekende partijen nota's in waarin hun standpunt naar voor wordt gebracht. 1.
  16. Op 4 november 1999 wordt het bestreden besluit genomen: het beroep wordt ongegrond verklaard;
  17. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  18. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie een aantal excepties opwerpt; dat, wat betreft de eerste verzoekende partij, zij vooreerst doet gelden dat deze geen belang heeft bij de vordering, dat immers de eerste verzoekende partij met name slechts zeer recentelijk werd opgericht door een beperkte groep van mensen die zeer specifiek tegenstander zijn van de jarenlange activiteit van de tussenkomende partij en die door een v.z.w. op te richten, hun persoonlijk vermogen pogen te vrijwaren opzichtens een mogelijke tegenvordering vanwege de tussenkomende partij, dat in het verleden de v.z.w. COMITE VOOR EEN GROEN BELEID ROND HET ROOI actief was, dat deze nog steeds bestaat, maar het uiteindelijk niet meer opportuun achtte nog verder te ageren tegen de exploitatie van de tussenkomende partij, dat een harde kern van tegenstanders blijkbaar overging tot het oprichten van een nieuwe v.z.w.; dat, vervolgens, zij betoogt dat het bestreden besluit het bestaan noch het vermogen van deze partij aantast, dat de inrichting van de tussenkomende partij en haar activiteit al jarenlang aanwezig zijn in de omgeving, dat zij inherent deel uitmaakt van het recreatiedomein het Rooi, waarvan de eerste verzoekende partij het behoud wenst, dat de eerste verzoekende partij geen enkel bewijs voorlegt dat de rust in de omgeving, noch het welzijn en de veiligheid in het gedrang komen door de uitbating van de tussen- komende partij, dat men zich niet van de indruk kan ontdoen dat de eerste verzoeken- de partij werd opgericht om de individuele belangen van haar leden te verdedigen, veeleer dan ideële, collectieve belangen, en dat, gelet op het beperkt aantal leden van de eerste verzoekende partij, haar maatschappelijk doel, en het zeer groot aantal omwonenden van de inrichting, niet staande kan worden gehouden dat de eerste verzoekende partij representatief is en dat, naar haar oordeel, de vereniging niet getuigt van een voldoende duurzame en effectieve werking overeenkomstig de VII-20.092-5/12 statuten; dat, wat de tweede verzoekende partij betreft, de tussenkomende partij opmerkt dat het belang van deze dient te worden onderzocht bij elk ingeroepen middel, en dat alle opgeworpen middelen stedenbouwkundige argumenten betreffen; 2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord betogen dat het belang van de eerste verzoekende partij bezwaarlijk kan worden betwist, dat haar maatschappelijk doel aanzienlijk ruimer is dan het aanvechten van de bestreden beslissing op zich, dat de bestreden beslissing manifest in strijd is met de doelstellingen van de eerste verzoekende partij, dat niets er zich tegen verzet dat enkele mensen zich verenigen ter vrijwaring van een buurt, dat de uitbating van een feestcomplex, in een qua vormgeving en materiaalgebruik onaanvaardbare inrichting, de rust en de goede ruimtelijke ordening verstoort; 2.3.
  20. Overwegende, wat de opgeworpen exceptie t.a.v. de eerste verzoekende partij betreft, dat wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is, en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang, dat dit belang niet tot de individuele belangen van de leden wordt beperkt, dat het maatschappelijk doel door de bestreden beslissing kan worden geraakt en dat dit maatschappelijk doel werkelijk wordt nagestreefd, wat moet blijken uit de concrete en duurzame werking van de vereniging, zowel in het verleden als in het heden; Overwegende dat alhoewel de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie heeft opgeworpen dat de eerste verzoekende partij niet getuigt van een voldoende duurzame en effectieve werking, deze partij in gebreke blijft inlichtingen te verstrekken omtrent haar concrete activiteiten waaruit een duurzame werking van de vereniging zowel in het heden als in het verleden blijkt; dat dienvolgens het beroep in hoofde van de eerste verzoekende partij niet ontvankelijk is; dat de exceptie kan worden aangenomen; 2.3.
  21. Overwegende dat, wat de tweede verzoekende partij betreft, de tussenkomende partij weliswaar een aantal opmerkingen maakt aangaande het belang van deze partij, maar dat een echte exceptie evenwel niet wordt geformuleerd; dat de tussenkomende partij er zelf op wijst dat de tweede verzoekende partij in een appartement tegenover het perceel van de tussenkomende partij woont; dat, gelet op het feit dat de tussenkomende partij in de onmiddellijke nabijheid van dat appartement een vergunningsplichtige hinderlijke inrichting exploiteert, het belang van de tweede verzoekende partij kan worden aangenomen; VII-20.092-6/12
  22. De gegrondheid van het beroep 3.1.
  23. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel nemen "uit de schending van artikel 2, §1 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; titel 6 van het Bijzonder Plan van Aanleg BE/9-14 lingen; artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet; de artikelen 5.32.9.2.1., §3, 2/ en 5.32.9.2.2., §3, 3/ Vlarem II; beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel"; dat zij betogen dat het aangevochten besluit aan de tussenkomende partij een milieuvergunning verleent voor de exploitatie van een inrichting met privatief karakter, terwijl de vergunde inrichting krachtens het geldende Bijzonder Plan van Aanleg (B.P.A.) gelegen is in een zone "voor openbaar nut of voor openbare bestemming", zodat het bestreden besluit de verordenende kracht van het B.P.A. schendt (eerste onderdeel), dat het bestreden besluit geen argumentatie bevat betreffende hun bezwaren dat het privatief karakter van de inrichting niet te verenigen is met de bestemming van openbaar nut in het geldende B.P.A., terwijl in hun beroepschrift uitdrukkelijk wordt gesteld dat dit privatief karakter van de inrichting in strijd is met het verordenend karakter van het B.P.A.(tweede onderdeel), en dat de bestendige deputatie geen rekening heeft gehouden met hun stedenbouw- kundige en planologische beroepsargumenten, terwijl ook bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen de overheid rekening dient te houden met deze aspecten (derde onderdeel); Overwegende dat de verzoekende partijen bij het tweede onderdeel volgende toelichting geven; "In hun beroepschrift (zie vooral stukken 32.3 en 32.4) tegen het besluit dd. 17 juni 1999 van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Antwerpen tonen verzoekers uitvoerig aan dat de privatieve activiteiten van de nv Lakonia in strijd zijn met de verordenende kracht van de voorschriften van Titel 6 van het geldende Bijzonder Plan van Aanleg BE/9-
  24. Aangaande de argumentatie van verzoekers wordt in het bestreden besluit overwogen: 'Overwegende dat betreffende de argumentatie van de heer Erreygers, raadsman van beroep, het volgende kan gesteld worden: - .... - de ruimtelijke en milieubezwaren zijn voldoende weerlegd in de adviezen van AMV, de VMM en de PMVC;' Enkel in het advies van AMV wordt in de bestreden beslissing een overwe- ging aangetroffen met betrekking tot het privatief karakter van de bestreden inrichting, hierin wordt gesteld: 'Men hekelt het privé karakter van de inrichting, omdat de erfpacht een openbaar karakter vereist; mocht dit een publiek zwembad/sauna zijn, zou de VII-20.092-7/12 overlast voor de omwonenden vele malen groter zijn;' (eigen onderlijning en accentuering) De argumentatie van AMV is kennelijk onjuist! Verzoekers stellen niet dat de erfpachtovereenkomst, doch dat het Bijzonder Plan van Aanleg een openbaar karakter vereist. Nergens in de bestreden beslissing wordt uiteengezet waarom de privatieve inrichting kon worden vergund in een zone voor plaatsen met openbaar nut of openbare bestemming. De bestreden beslissing is op dat punt kennelijk onvoldoende gemotiveerd. In de bestreden beslissing worden de beroepsargumenten van verzoekers niet deugdelijk beantwoord. De bestreden beslissing schendt de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet dd. 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en het motiveringsbegin- sel;" dat zij het bij het derde onderdeel in essentie betogen dat het niet opgaat, zoals de verwerende partij in casu heeft gedaan, louter te stellen dat de tussenkomende partij over een bouwvergunning beschikt, om hieruit te concluderen dat de stedenbouwkun- dige en planologische argumenten van de beroepindieners niet meer zouden worden onderzocht, laat staan beantwoord; 3.1.
  25. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord op het tweede en het derde onderdeel van het middel als volgt reageert: "2) Dat het bestreden besluit geen argumentatie zou bevatten met betrekking tot de bezwaren van de verzoekers dat het privé-karakter van de inrichting niet te verenigen is met de bestemming in het BPA is nogal vreemd: in het advies van de AMV wordt hier wel degelijk op ingegaan. Er wordt daarin trouwens nogmaals verwezen naar gunstige adviezen van AROHM daaromtrent in de eerder vernoemde vorige procedure. Dit geldt ook voor de adviezen van AROHM zelf en de PMVC. 3) Het bestreden besluit zou geen rekening houden met de stedenbouwkundi- ge en planologische argumenten van de verzoekers: ook deze stelling verbaast natuurlijk, vermits, ook gelet op de argumentatie in de vorige punten, het wel duidelijk is dat in het deputatiebesluit van 4 november 1999 wel degelijk (opnieuw en ruimschoots) aandacht is besteed aan dit argument... Het eerste middel is, in al zijn onderdelen, niet gegrond"; 3.1.
  26. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen dat in het advies van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (AROHM) noch in enig ander advies, noch in het bestreden besluit, wordt geantwoord op de door de verzoekende partijen gestelde grieven inzake de verenigbaarheid van de bestreden inrichting met de planologische voorschriften; 3.1.
  27. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie vooreerst op algemene wijze opmerkt dat het aanvoeren van negen middelen de behandeling van het beroep moeilijk en ondoorzichtig maakt, en dat men zich wat VII-20.092-8/12 betreft de formele motiveringsplicht niet al te strikt en formalistisch moet opstellen; dat zij aangaande het eerste middel in essentie aanvoert dat de omschrijving die de verzoekende partijen geven aan het begrip "openbaar nut" niet terug te vinden is in het B.P.A. 9/14, noch in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, dat de andere sportinfrastructuur in de betrokken zone evenmin vrij toegankelijk is, dat men hieromtrent voorafgaandelijk afspraken dient te maken, dat de bestendige deputatie in het bestreden besluit voldoende aandacht schonk aan de argumentatie van de verzoekende partijen, dat zij verwees naar de adviezen van AROHM en de afdeling Milieuvergunningen, en dat de motivering van de cel Ruimtelijke Ordening veel ruimer is dan het stukje dat de verzoekende partijen citeren; 3.1.5.
  28. Overwegende, vooreerst, dat de inrichting niet enkel valt onder de werkingssfeer van het B.P.A. nr. 9/14, maar ook onder het toepassingsgebied van het gewestplan Antwerpen, dat in het bestemmingsvoorschrift "gebied voor dagrecreatie" voorziet; dat daarenboven het gewestplan vastgesteld werd bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, terwijl het B.P.A. nr. 9/14 werd goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1975; dat het gewestplan dus van latere datum is en hiërarchisch hoger staat, zodat het dient te primeren in geval van strijdigheid tussen de plannen; dat evenwel deze strijdigheid er in casu niet is, vermits het B.P.A. voor de betrokken percelen voorziet in een "strook voor sport en spel", hetgeen perfect onder dagrecreatie kan vallen, en voorts in de bestemming "plaatsen voor openbaar nut of met een openbare bestemming" voorziet; dat ook dat laatste niet noodzakelijk hoeft te strijden met de gewestplanbestemming “gebied voor dagrecreatie”; 3.1.5.
  29. Overwegende dat, wat de motivering van het bestreden besluit betreft, de verwerende partij zich expliciet aansluit bij de adviezen van AROHM en de afdeling Milieuvergunningen waarvan zij de elementen weergeeft; dat in het advies van de afdeling Milieuvergunningen wordt aangestipt dat "de dienst Planologie van de Stad dit gunstig heeft beoordeeld, evenzo AROHM in een vorige procedure"; dat voorts wordt gesteld: "Men hekelt het privé-karakter van de inrichting, omdat de erfpacht een openbaar karakter vereist; mocht dit een publiek zwembad/sauna zijn, zou de overlast voor de omwonenden (...) vele malen groter zijn. Bovendien is het perceel veel te klein voor grote, openbare projecten/bestemmingen"; VII-20.092-9/12 dat in het laattijdig gunstig advies van AROHM te lezen staat: "De aanvraag is gelegen in het bijzonder plan van aanleg nr 9/14 De aanvraag is gelegen in de strook voor sport, spel en recreatie. Als bestemming voorziet het BPA: * sportinstellingen met speelvelden, cafetaria, restaurant, club- en dienstge- bouwen * Terreinen bestemd voor jeugdverenigingen * Parkeergelegenheden * Benzineverkooppunt Op 07.05.92 verleende de Stad Antwerpen een bouwvergunning voor het oprichten van een sport- en recreatiecomplex met woning. Op 16.07.98 werd door de Stad een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden met een zwem- en relaxeenheid. Hierbij werd geoordeeld dat de aanvraag stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar is. De beroepers gaan blijkbaar met de interpretatie van de Stad niet akkoord. Het stond ze vrij hun gelijk te trachten te behalen bij de Raad van State. Uit het verweerschrift van advokaat Van Passel namens de nv Lakonia blijkt dat er door niemand beroep werd ingediend bij de Raad van State"; 3.1.5.
  30. Overwegende dat krachtens artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de overheid die moet beschikken op een milieuvergunningsaanvraag verplicht is om de voorschrif- ten van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen; dat de wetgeving inzake stedenbouw en de wetgeving op het gebied van milieuvergunningen onderscheiden doelstellingen beogen; dat dienvolgens het verlenen van een bouwvergunning niet automatisch het recht op een milieuvergunning impliceert en dat de op 16 juli 1998 verleende bouwvergunning de verwerende partij er op geen enkele wijze van kan ontslaan om de verenigbaarheid van de exploitatie met het toepasselijk bijzonder plan van aanleg te onderzoeken; dat dienvolgens een loutere verwijzing naar de niet aangevochten bouwvergunning geen afdoende motivering vormt inzake de door tweede verzoekende partij in het beroepschrift aangevoerde strijdigheid van de inrichting met het gewestplan en het bijzonder plan van aanleg; dat, voorts, het advies van de afdeling Milieuvergunningen, in het bijzonder de argumentatie dat in het geval van een "publiek zwembad/sauna" “de overlast voor de omwonenden (...) vele malen groter (zou) zijn en dat het perceel veel te klein is voor grote, openbare projecten bestemmingen” geen afdoend antwoord biedt op het argument dat de betrokken inrichting niet als een "plaats bestemd voor openbaar nut of met een openbare bestemming" kan worden beschouwd; dat het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel gegrond zijn, VII-20.092-10/12 BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen in hoofde van de eerste verzoekende partij. Artikel
  32. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 november 1999, waarbij het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 17 juni 1999, houdende het verlenen aan de n.v. LAKONIA van een vergunning om een sport- en recreatiecomplex met zwembad en sauna-inrichting gelegen te 2600 Antwerpen (Berchem), Rooiplein 2, kadastraal gekend afdeling 21, sectie A, nummer 334a/deel, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel
  33. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  34. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen voor de helft ten laste van de eerste verzoekende partij, en voor de helft ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen voor de helft ten laste van de eerste verzoekende partij, en voor de helft ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.092-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.092-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.786 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.