← België

Arrest 159791 - - 08/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.791 Rolnummer: A. 88581/VII-20168 Zaak: Arrest 159791 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 21:21 Fiche Arrest nr 159.791 van 8 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.791 van 8 juni 2006 in de zaak A. 88.581/VII-20.168. In zake : de n.v. SCHROOTBEDRIJF A. DE ROOY EN ZOON, die woonplaats kiest bij Advocaten M. FAURE en K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210A tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SCHROOTBEDRIJF A. DE ROOY EN ZOON op 21 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 14 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw houdende uitspraak over haar aanvraag tot wijziging van een bijzondere voorwaarde met betrekking tot haar inrichting, gelegen aan de Wijnegem- laan 2A te Schoten, opgelegd in het besluit van 5 maart 1998 van de bestendige deputatie van Antwerpen en overgenomen door het besluit van 14 september 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch BAMPS; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-20.168-1/11 Gelet op de beschikking van 12 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. JACUBOWITZ die, loco Advocaten M. FAURE en K. CRAUWELS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat J. BOSQUET die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Bij besluit van 5 maart 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen wordt aan de verzoekende partij een vergunning verleend voor het veranderen door uitbreiding van een inrichting gelegen te Schoten, Wijnegemlaan 2A met : - een scheepssloperij voor 12 binnenschepen per jaar (2.2.2.e.); - de lozing van bedrijfsafvalwater (verontreinigd regenwater afkomstig van de afwatering van de betonnen werk- en opslagvloeren), via een KWS-afscheider in de openbare riolering met een maximumdebiet van 4 m³/u (3.6.2.1.); - de lozing van huishoudelijk afvalwater (HA) in de openbare riolering (3.3.); - de opslag van 1.975 liter propaan en zuurstof in flessen (16.7.2.); - het stallen van 7 voertuigen, andere dan de personenwagens (15.1.1.) (uitbreiding met 3 voertuigen); - de opslag van 2.000 liter hydraulische olie en smeerolie (17.3.7.1.); - de opslag van 1.000 liter afvalolie in vaten van 200 liter (17.3.6.1.b.); - de opslag van 15 ton auto-accu’s (2.2.2.d.3.); Vlaremrubrieken: 2.2.D.3. - 2.2.2.E. - 3.3. - 3.6.2.1. - 15.1.1. - 16.7.2. - 17.3.6.1.B. - 17.3.7.1. VII-20.168-2/11 De vergunning wordt geweigerd voor wat betreft de hermachtiging van : - de opslag van 500 ton ferro- en non-ferroschroot, het sorteren en mechanische behandeling ervan (knippen, lassen, snijden, ...) (2.2.2.c.3.); - de opslag van 110 ton voertuigwrakken en mechanische behandeling ervan (sorteren en pletten) en bijhorende opslag van 3 ton autobanden (2.2.2.d.3.); - het stallen van 7 voertuigen, andere dan de personenwagens (15.1.1.); - 1 schouwput (15.2.); - de mechanische behandeling van schroot en wrakken met een vermogen van 5,3 kW (29.5.2.2.); Vlaremrubrieken: 2.2.2.C.3. - 2.2.2.D.3. - 15.1.1. - 15.2. - 29.5.2.2. In artikel 3, § 3, 4) van voormeld besluit wordt de hiernavolgende bijzondere voorwaarde opgelegd : "De opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 4 meter." 1.2. Tegen betreffend besluit wordt door de verzoekende partij beroep ingesteld bij de bevoegde minister. Bij besluit van 14 september 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt voormelde vergunning gedeeltelijk gewijzigd. Met name wordt voor de hiernavolgende punten ook een vergunning verleend : - de opslag van 500 ton ferro- en non-ferroschroot, het sorteren en de mechanische behandeling ervan (knippen, lassen, snijden, ...); - de opslag van 110 ton voertuigwrakken en de mechanische behandeling ervan (sorteren en pletten) en de bijhorende opslag van 3 ton autobanden; - 1 schouwput; - de mechanische behandeling van schroot en wrakken met een vermogen van 5,3 kW; De in het besluit van de bestendige deputatie in artikel 3, §3, 4), opgelegde bijzondere voorwaarde wordt evenwel bevestigd. 1.3. Op 14 juni 1999 wordt door de verzoekende partij, bij de bevoegde minister een aanvraag ingediend strekkende tot het bekomen van een wijziging van de voorgeciteerde bijzondere voorwaarde. Voor de aangevraagde wijziging van voormelde bijzondere voorwaarde wordt de hiernavolgende redengeving gegeven : VII-20.168-3/11 "De bijzondere voorwaarde uit art 3, §3, 4/ waarvan wij de wijziging vragen, legt ons een opslaghoogte voor het schroot op van maximum 4 m. Wij verzoeken u deze maximale opslaghoogte voor het schroot op 11 m te brengen. De motivatie hiervoor is dat de opgelegde opslaghoogte van 4 m voor ons niet houdbaar is gezien wij het schroot enkel opslaan op een betonverharding met een centrale afwatering naar een koolwaterstofafscheider, met op de inrichting bovendien een weegbrug, afsluiting, groenscherm, ... zodat de uiteindelijke milieutechnisch beschikbare oppervlakte voor opslag van het schroot op ons terrein sterk beperkt wordt, en wij ons derhalve verplicht zien de opslaghoogte voor het schroot te verhogen tot 11 m. Wij zorgen in ieder geval voor een regelmatige afvoer van het schroot, omdat wij grote opslaghoeveelheden willen vermijden. Een stapelhoogte van 11 m voor het schroot zal geen bijkomende visuele of andere hinder veroorzaken, gezien onze bedrijfshal van 12 m hoogte gedeeltelijk voor de schrootopslag gelegen is, met achteraan tegen het terrein aan de aanwezigheid van een bos van ca 20-25 m hoogte, en in de omgeving het Albertkanaal en de Kempische Vaart. Bovendien ligt ons terrein in een industriegebied, met rondom de aanwezigheid van andere hogere bedrijfsgebouwen". 1.4. Op 10 augustus 1999 werd door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) een gunstig advies verleend op grond van volgende overwegingen : "Overwegende dat de opgelegde opslaghoogte van 4 m niet houdbaar is voor de exploitant, daar de beschikbare milieutechnische oppervlakte beperkt is; Overwegende dat gesteld wordt dat een stapelhoogte van 11 m geen bijkomende visuele hinder of andere hinder veroorzaakt; dat de bedrijfshal van 12 m hoogte gedeeltelijk voor de schrootopslag gelegen is; dat er achteraan het terrein zich een bos van 20-25m hoogte bevindt; dat de opslag zich bevindt in de nabijheid van andere bedrijfsgebouwen, het Albertkanaal en de Kempische Vaart; dat een groenscherm aanwezig is; Overwegende dat lekkende wrakken onmiddellijk moeten bewerkt worden en niet gestapeld mogen worden; Overwegende dat de toename van de opslaghoogte niet ten koste mag gaan van de arbeidsveiligheid". 1.5. Op 13 augustus 1999 wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij het volgende advies verleend : "Gelet op art. 21 van Vlarem I waarin gesteld wordt dat inzake afvalwater het advies van VMM een gemotiveerde beoordeling moet bevatten van de herkomst van het afvalwater en van de verenigbaarheid met het AWP, met de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en met de geplande investeringen. Overwegende dat de exploitant met deze aanvraag een wijziging wenst te bekomen inzake de maximale vergunde opslaghoogte voor schroot, nl. 11 m. i.p.v. 4 m.; de rubrieken voor opslag behoren niet tot de bevoegdheden van de VMM". 1.6. Op 24 augustus 1999 wordt de aanvraag gunstig geadviseerd door VII-20.168-4/11 de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen. 1.7. Op 25 augustus 1999 wordt door AMINAL - afdeling Milieuvergunningen een verslag van onderzoek en advies inzake de gevraagde wijziging van de bijzondere voorwaarde opgesteld waarin in essentie het hiernavolgende wordt gesteld : "4. EVALUATIE EN BEOORDELING: Overwegende dat onderhavige aanvraag tot wijziging van bijzondere voorwaarden betrekking heeft op de opslaghoogte van schroot; Overwegende dat de exploitant stelt dat hij zal zorgen voor een regelmatige afvoer van het schroot, omdat hij grote opslaghoeveelheden wil vermijden; dat hij verder stelt dat een stapelhoogte van 11 m voor het schroot geen bijkomende visuele of andere hinder zal veroorzaken, omdat de bedrijfshal van 12 m hoogte gedeeltelijk voor de schrootopslag gelegen is, met achteraan tegen het terrein aan de aanwezigheid van een bos van ca. 20-25 m hoogte en in de omgeving het Albertkanaal en de Kempense Vaart; dat het terrein in een industriegebied ligt met rondom de aanwezigheid van andere hogere bedrijfsgebouwen; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen blijkt dat de opslag waarvoor de afwijking wordt gevraagd deels afgeschermd is door het eigen bedrijfsgebouw van de aanvrager; dat dit gebouw ca. 11 m hoog is; dat aan de achterzijde van de inrichting bomen staan met een geschatte hoogte van 20 m; Overwegende dat de inrichting gelegen (

  1. is)in industriegebied; dat de geplande hogere opslag op ca. 120 m van de straat is gelegen dat daardoor de visuele hinder die de gevraagde opslag zou veroorzaken beperkt is; Overwegende dat het aangevoerde schroot o.a. bestaat uit rijnaken; dat gelet op de afmetingen van deze boten het onmogelijk is deze voor hun afbraak zo op te slaan dat ze niet hoger dan 4 meter komen; Overwegende dat bij wijze van vergelijking kan aangestipt worden dat bij besluit van 27 november 1997 in het Waals gewest de stapelhoogte voor schrootwerven op 15 m werd gesteld". Er wordt daarop gunstig advies verleend en voorgesteld wordt in de bijzondere voorwaarde dat de opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot 4 meter te vervangen door de volgende bijzondere voorwaarde : "De opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 11 meter". 1.8. In haar advies van 27 augustus 1999 wordt door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het hiernavolgende overwogen: "(...) 4. EVALUATIE EN BEOORDELING: Overwegende dat onderhavige aanvraag tot wijziging van bijzondere voorwaarden betrekking heeft op de opslaghoogte van schroot; Overwegende dat de exploitant stelt dat hij zal zorgen voor een regelmatige afvoer van het schroot, omdat hij grote opslaghoeveelheden wil vermijden; dat hij verder stelt dat een stapelhoogte van 11 m voor het schroot geen bijkomende visuele of andere hinder zal veroorzaken, omdat de bedrijfshal van 12 m hoogte gedeeltelijk voor de schrootopslag gelegen is, met achteraan tegen het terrein VII-20.168-5/11 aan de aanwezigheid van een bos van ca. 20-25 m hoogte en in de omgeving het Albertkanaal en de Kempense Vaart; dat het terrein in een industriegebied ligt met rondom de aanwezigheid van andere hogere bedrijfsgebouwen; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen blijkt dat de opslag waarvoor de afwijking wordt gevraagd deels afgeschermd is door het eigen bedrijfsgebouw van de aanvrager; dat dit gebouw ca. 11 m hoog is; dat aan de achterzijde van de inrichting bomen staan met een geschatte hoogte van 20 m; Overwegende dat de inrichting gelegen (
  2. is)in industriegebied; dat de geplande hogere opslag op ca. 120 m van de straat is gelegen; dat daardoor de visuele hinder die de gevraagde opslag zou veroorzaken beperkt is; Overwegende dat het aangevoerde schroot o.a. bestaat uit rijnaken; dat gelet op de afmetingen van deze boten het onmogelijk is deze voor hun afbraak zo op te slaan dat ze niet hoger dan 4 meter komen; Overwegende dat bij wijze van vergelijking kan aangestipt worden dat bij besluit van 27 november 1997 in het Waals gewest de stapelhoogte voor schrootwerven op 15 m werd gesteld; 5. GEMOTIVEERDE BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID MET DE OMGEVING EN DE GOEDE PLAATSELIJKE ORDENING: Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; 6. EVALUATIE VAN DE AANSPRAKEN EN BEZWAREN: Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt worden geëvalueerd: De bezwaren van de beroeper kunnen worden bijgetreden; 7. ADVIES: Overwegende dat bijgevolg deze aanvraag voor wijziging van voorwaarden gunstig wordt geadviseerd voor wat de opslag van scheepswrakken betreft; 8. VOORSTEL: Aan de NV A. De Rooy en Zoon, Wijnegembaan 2A, 2900 Schoten de gevraagde wijziging van artikel 3, §3, 4/, van het besluit nr. 2/MV/MLAV1/970000350/RTH/SDV van 5 maart 1998 van de bestendige deputatie van Antwerpen, gewijzigd bij besluit nr. AMV/0005297/1000 van 14 september 1998 van de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Tewerkstelling: 'De opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 4 meter'. toestaan; De bijzondere voorwaarde uit artikel 3, §3, 4/ van voornoemd besluit wordt vervangen door : 'De opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 4 meter, behalve indien het opslag van scheepswrakken betreft, die tot 11 meter dient worden beperkt'". 1.9. Bij het thans bestreden besluit van 14 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt aan de verzoekende partij de gevraagde wijziging toegestaan van artikel 3, §3, 4/, van het besluit van 5 maart 1998 van de bestendige deputatie van Antwerpen, zoals overgenomen door het besluit van 14 september 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, "De opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 4 meter" en vervangen door: VII-20.168-6/11 “De opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 4 meter, behalve indien het opslag van scheepswrakken betreft, die tot 11 m dient worden beperkt”; 2. De gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel aanvoert wat volgt : "Tweede middel: Schending van het motiveringsbeginsel. Schending van artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van best uurshandelingen, dient de vergunningverlenende overheid haar beslissingen formeel en op afdoende wijze te motiveren. M.n. moet de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven kunnen terugvinden op basis waarvan ze werd genomen opdat hij met kennis van zaken zou kunnen oordelen of het aangewezen is de beslissing te bestrijden. De beslissing moet m.a.w. duidelijk de redenen bevatten die haar verantwoorden en van waaruit kan worden afgeleid waarom de in de aanvraag verdedigde stellingen niet werden aangenomen (R.v.St. nr. 60.143, 13 juni l996) Daarnaast dienen de gronden waarop de beslissing is genomen, begrijpelijk te zijn, in rechte aanvaardbaar en voldoende gedragen door de feitelijke gegevens. Uit het aangetekend schrijven bevattende de aanvraag tot het bekomen van een wijziging van de opgelegde voorwaarde blijkt dat verzoekster een aanvraag had ingediend voor het bekomen van de wijziging van de toegestane opslaghoogte van het schroot, zonder enige beperking en m.a.w. dus zowel voor de scheepswrakken als voor de rest van het onbewerkte als bewerkte schroot. Nochtans heeft de overheid beslist enkel de gevraagde wijziging toegestaan voor wat betreft de stapeling van scheepswrakken, zodat ze impliciet de wijzigingsaanvraag heeft geweigerd voor wat betreft het andere al dan niet bewerkte schroot.. Echter in heel de motivering blijkt nergens waarom de wijziging niet zou kunnen worden toegestaan ten aanzien van het overige schroot. De argumenten die naar voor komen uit de motivering en die de overheid inroept om een wijziging van de opslaghoogte van de scheepswrakken toe te staan, gelden immers evenzeer ten aanzien van (...) het overige schroot. Dit geldt zowel voor de regelmatige afvoer van de wrakken, de afscherming van de opslag door het eigen bedrijfsgebouw, de aanwezigheid van een bos met een hoogte van 20 à 25 meter, de ligging in een industriegebied en de stapelhoogte van 15 meter die wordt voorzien in het besluit van het Waals Gewest van 27 november 1997, elementen die evenzeer van toepassing zijn op de stapeling van het overige schroot. Uit de aangehaalde argumentatie wordt nergens ingegaan op de redenen voor de weigering van de stapelhoogte van al het al dan niet bewerkte schroot. Meer zelfs, de gegeven argumentatie laat uitschijnen dat ook hier een wijziging van de stapelhoogte eveneens dient te worden toegestaan. Dergelijke motivering druist met andere woorden regelrecht in tegen alle logica en kan bezwaarlijk consistent worden genoemd. VII-20.168-7/11 Derhalve schendt het bestreden besluit artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, alsook het algemeen beginsel van behoorlijke motivering"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord volgende repliek geeft : "2. Beweerde schending van het motiveringsbeginsel. Alhoewel de aanvraag tot wijziging van de exploitatievoorwaarden zulks niet uitdrukkelijk vermeldt, laat het geen twijfel dat precies de toegestane uitbreiding van deze exploitatie met het verschroten van binnenschepen, de aanleiding tot de aanvraag is geweest, en zulks is nog geëxpliciteerd geweest bij het plaatsbezoek, in het kader van het onderzoek waartoe de voormelde aanvraag aanleiding gegeven heeft, van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen. Vandaar dan ook dat bij herhaling gewezen wordt op de onmogelijkheid om rijnaken vóór hun afbraak zo op te slaan dat ze niet hoger komen dan 4 meter. Het is in het licht van deze zinsnede dat voldaan is aan de motiveringsplicht, nu de verzoekende partij hieruit kan afleiden wat de redenen geweest zijn tot het nemen van de bewuste beslissing, en tot het verhogen van de opslaghoogte voor wat scheepswrakken betreft, met name de afmetingen van deze wrakken. Een gelijkaardig probleem van afmetingen stelt zich uiteraard niet voor autowrakken, dus is het logisch en aanvaardbaar dat het toestaan van een afwijking op de oorspronkelijke milieuvoorwaarden beperkt werd tot scheepswrakken, te meer daar een tot een hoogte van 4 meter beperkte opslag voor autowrakken, in het verleden voor verzoekende partij nooit aanleiding gegeven heeft tot moeilijkheden. Het middel is ongegrond"; 2.3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van wederantwoord als volgt reageert : "Verzoekende partij verwijst naar haar uiteenzetting in haar verzoekschrift tot nietigverklaring betreffende het tweede middel. Zij betwist niet dat de uitbreiding van haar activiteiten tot het verwerken van scheepswrakken de aanleiding is geweest van het verzoek tot afwijking van de maximaal opgelegde opslaghoogte, zoals toegestaan in de vergunning. Anders dan verwerende partij voorhoudt kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat de aanvraag tot wijziging enkel betrekking zou hebben op de stapeling van de scheepswrakken. Dit is noch impliciet noch expliciet uit de aanvraag zelf af te leiden. Integendeel maakt de aanvraag niet specifiek melding van de scheepswrakken, precies omdat ze betrekking heeft op de opslaghoogte in het algemeen voor alle vormen van verwerkt schroot. In het bestreden Besluit wordt trouwens uitdrukkelijk vermeld: 'Overwegende dat onderhavige aanvraag tot wijziging betrekking heeft op de opslaghoogte van schroot'; Hoewel het bestreden Besluit enkel een wijziging toestaat ten aanzien van scheepswrakken, valt nergens terug te vinden waarom de opslaghoogte niet kan worden toegestaan ten aanzien van het andere schroot. De vermelding dat rijnaken voor hun afbraak onmogelijk kunnen worden gestapeld zonder een opslaghoogte van 4 meter te overschrijden, is onvoldoende en niet draagkrachtig als motivering ten aanzien van de weigering om de VII-20.168-8/11 maximale opslaghoogte eveneens op 11 meter toe te staan voor het andere schroot. Verzoekende partij kan uit deze zinsnede niet opmaken waarom, rekening houdende met de bescherming van het leefmilieu, een uitgebreidere wijziging niet kan worden toegestaan voor het integrale schroot. Dit is voor verzoekende partij onbegrijpelijk, aangezien zoals uit de voorgaande uiteenzetting blijkt, er gewoonweg geen of alleszins geen noemenswaardige hinder voor het leefmilieu teweeg wordt gebracht door de gevraagde wijziging. In het licht van de door de Raad van State gegeven omschrijving van de motiveringsplicht, waarvan het doel erin bestaat dat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, schendt het bestreden Besluit duidelijk de in het tweede middel aangehaalde bepalingen"; 2.4.1. Overwegende dat uit het sub 1 weergegeven feitenrelaas blijkt dat de verzoekende partij een vergunning heeft verkregen voor onder meer een scheepssloping voor 12 binnenschepen per jaar, opslag van 15 ton auto-accu's, opslag van 500 ton ferro- en non-ferroschroot, opslag van 110 ton voertuigwrakken; dat de verzoekende partij een aanvraag indiende om de opgelegde bijzondere voorwaarde dat "de opslaghoogte van het afval moet beperkt worden tot maximum 4 meter" te wijzigen door "deze maximale opslaghoogte voor het schroot op 11 meter te brengen"; dat de verzoekende partij haar wijzigingsaanvraag geenszins heeft beperkt tot de opslaghoogte voor scheepswrakken; 2.4.2. Overwegend dat in navolging van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het bestreden besluit volgende redengeving bevat: "Overwegende dat onderhavige aanvraag tot wijziging van bijzondere voorwaarden betrekking heeft op de opslaghoogte van schroot; Overwegende dat de exploitant stelt dat hij zal zorgen voor een regelmatige afvoer van het schroot, omdat hij grote opslaghoeveelheden wil vermijden; dat hij verder stelt dat een stapelhoogte van 11 m voor het schroot geen bijkomende visuele of andere hinder zal veroorzaken, omdat de bedrijfshal van 12 m hoogte gedeeltelijk voor de schrootopslag gelegen is, met achteraan tegen het terrein aan de aanwezigheid van een bos van ca. 20-25 m hoogte en in de omgeving het Albertkanaal en de Kempense Vaart; dat het terrein in een industriegebied ligt met rondom de aanwezigheid van andere hogere bedrijfsgebouwen; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen blijkt dat de opslag waarvoor de afwijking wordt gevraagd deels afgeschermd is door het eigen bedrijfsgebouw van de aanvrager; dat dit gebouw ca. 11 m hoog is; dat aan de achterzijde van de inrichting bomen staan met een geschatte hoogte van 20 m; Overwegende dat de inrichting gelegen is in industriegebied; dat de geplande hogere opslag op ca. 120 m van de straat is gelegen; dat daardoor de visuele hinder die de gevraagde opslag zou veroorzaken beperkt is; Overwegende dat het aangevoerde schroot o.a. bestaat uit rijnaken; dat gelet op de afmetingen van deze boten het onmogelijk is deze voor hun afbraak zo op te slaan dat ze niet hoger dan 4 meter komen; VII-20.168-9/11 Overwegende dat bij wijze van vergelijking kan aangestipt worden dat bij besluit van 27 november 1997 in het Waals gewest de stapelhoogte voor schrootwerven op 15 m werd gesteld; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener kunnen worden bijgetreden; Overwegende dat deze aanvraag voor wijziging van voorwaarden bijgevolg gunstig wordt geadviseerd voor wat de opslag van scheepswrakken betreft". 2.4.3. Overwegende dat, alhoewel in het bestreden besluit er wordt van uitgegaan dat "de onderhavige aanvraag tot wijziging van bijzondere voorwaarden betrekking heeft op de opslaghoogte van schroot", nergens daarin wordt gemotiveerd waarom de gevraagde opslaghoogte van maximum 11 meter enkel kan worden toegestaan ten aanzien van scheepswrakken en niet ten aanzien van het andere schroot; dat de vermelding dat rijnaken voor hun afbraak onmogelijk kunnen worden gestapeld zonder een opslaghoogte van 4 meter te overschrijden, nog geen motief inhoudt voor de weigering om de maximale opslaghoogte eveneens op 11 meter toe te staan voor het andere schroot; dat dit des te meer klemt nu in de aanvraag tot wijziging expliciet werd gesteld dat een stapelhoogte van 11 meter voor het schroot geen bijkomende visuele of andere hinder zal veroorzaken, gezien de bedrijfshal van 12 meter hoogte gedeeltelijk voor de schrootopslagplaats gelegen is, met achteraan tegen het terrein aan de aanwezigheid van een bos van ca. 20-25 m hoogte, en gezien de ligging in de omgeving van het Albertkanaal en de Kempische Vaart, met de bijkomende specifiëring dat het terrein gelegen is in een industriegebied, met rondom de aanwezigheid van andere hogere bedrijfsgebouwen; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 14 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw houdende uitspraak over de aanvraag van de n.v. A. DE ROOY EN ZOON tot wijziging van een bijzondere voorwaarde met betrekking tot haar inrichting, gelegen aan de Wijnegemlaan 2A te Schoten, opgelegd in het besluit van 5 maart 1998 van de bestendige deputatie van Antwerpen en overgenomen door het besluit van 14 september 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling Artikel 2. VII-20.168-10/11 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.168-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.791 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.