← België

Arrest 159792 - - 08/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.792 Rolnummer: A. 84672/VII-18588 Zaak: Arrest 159792 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 21:22 Fiche Arrest nr 159.792 van 8 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.792 van 8 juni 2006 in de zaak A. 84.672/VII-18.

  1. In zake : de b.v. EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ FORABEL, die woonplaats kiest bij Advocaten N. DEVOS en G. VAN DEN EYNDE, kantoor houdende te GEEL, Diestseweg 155 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v. EXPLOITATIEMAAT- SCHAPPIJ FORABEL op 10 juni 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 maart 1999 waarbij de beroepen ingediend door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Aminal - afdeling Natuur, en door "Ruimte voor Ravels" tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 1 oktober 1998, houdende het verlenen van een vergunning aan de verzoekende partij voor het exploiteren van een hertenkwekerij te Ravels (Poppel), Overbroek 23A, gegrond worden verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 28 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-18.588-1/13 Gelet op de beschikking van 12 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WYNANTS die, loco advocaten N. DEVOS en G. VAN DEN EYNDE verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris S. TAVERNIER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op 13 oktober 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels aan de verzoekende partij een vergunning om te Ravels, aan de Overbroek 23 A, een hertenfokkerij en -kwekerij te exploiteren. Tegen dit besluit wordt beroep ingesteld door ‘Ruimte voor Ravels’, de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en de afdeling Natuur van Aminal. Op 19 februari 1998 besluit de verwerende partij dit beroep gegrond te verklaren en de vergunning te weigeren. Deze weigering is o.m. gebaseerd op het motief dat de exploitatie stedenbouwkundig ontoelaatbaar is omwille van gedeeltelijke ligging ervan in natuurgebied. Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij een annulatieberoep in (zaak 78.194/VII-16.585). In het auditoraatsverslag wordt besloten tot de verwerping van het beroep. Bij arrest nr. 150.156 van 13 oktober 2005 wordt het beroep verworpen met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 1.
  4. Intussen dient de verzoekende partij op 19 juni 1998 een nieuwe VII-18.588-2/13 vergunningsaanvraag in die qua voorwerp identiek is aan de vorige, evenwel met dien verstande dat de percelen gelegen in natuurgebied weggelaten worden. De overige percelen liggen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het voorwerp wordt in de aanvraag als volgt omschreven : - 300 edelherten (rubriek 9.6.c); - een stalplaats voor maximum 8 voertuigen (aanhangwagens inbegrepen) (rubriek 15.1.1); - een werkplaats voor het herstellen van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden andere dan bedoeld in rubriek 15.3) (rubriek 15.2); - een inrichting voor het wassen van 2 voertuigen per week (rubriek 15.4.1); - inrichtingen voor het fysisch behandelen van gassen (compressoren) met een vermogen van maximum 7 kW (rubriek 16.3.1.1); - een ondergrondse mazouttank van 15.000 liter (rubriek 17.3.6.1), te Ravels, Overbroek 23A, 3/ Afd., sectie C, nrs. 452/B/2, 452/A/2, 452/Z, 16/S/deel, 16/R/deel, 16/A/2 /deel, 75C, 75B, 74A, 73, 28/B/2, 49/E, 77/K, 80/G, 79/B, 78/A, 76, 81/K, 80/F, 81/H, 81/L, 16/Y. Niettegenstaande de negatieve adviezen van de gemeentelijke milieudienst, de Vlaamse Landmaatschappij, de afdeling Natuur en de afdeling Bos en Groen, beslist het college van burgemeester en schepenen op 1 oktober 1998 de gevraagde vergunning te verlenen. 1.
  5. Tegen deze beslissing wordt beroep ingediend door "Ruimte voor Ravels" en door de afdeling Natuur van Aminal. Naar aanleiding van deze beroepen worden de volgende adviezen verleend : - de afdeling ROHM op 26 januari 1999 : ongunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij op 17 december 1998 : ongunstig; - de afdeling Milieuvergunningen op 24 december 1998 : ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert op 26 januari 1999 om de termijn met één maand te verlengen voor bijkomend onderzoek. 1.
  6. Op 11 februari 1999 beslist de verwerende partij de termijn met één maand te verlengen. Het aanvullend onderzoek levert opnieuw ongunstige adviezen op vanwege de Vlaamse Landmaatschappij en de afdeling ROHM. Ook de Provinciale Milieuvergunningscommissie verleent op 9 maart 1999 een ongunstig advies. 1.
  7. Op 18 maart 1999 beslist de verwerende partij de beroepen gegrond te verklaren en de vergunning te weigeren. Dit is de bestreden beslissing. Ze VII-18.588-3/13 vermeldt in extenso de ongunstige adviezen waarna de verwerende partij zich er expliciet bij aansluit;
  8. De gegrondheid van het beroep 2.1.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van artikel 13.4.3.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (inrichtingsbesluit); dat het middel in het verzoekschrift als volgt wordt toegelicht : "De beslissing is zeer summier gemotiveerd. Zij verwijst naar ongunstige adviezen, die gevolgd worden. De inrichting is gelegen in natuurgebied. De bestreden beslissing weigert de vergunning omdat ‘gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften’. Voornoemde reglementaire bepaling verbiedt echter geenszins het houden van herten in een natuurgebied. Indien de verwerende partij van oordeel zou zijn geweest dat de exploitatie, of het houden van de gezegde dieren, strijdig zou zijn met de stedenbouwkundige of ruimtelijke bestemming van een natuurgebied, dan had zij moeten aangeven waarom dit volgens haar het geval zou zijn geweest. Dit is in casu niet gebeurd"; 2.1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt reageert : "Verzoekster stelt foutief dat de inrichting is gelegen in natuurgebied en de bestendige deputatie om die reden de vergunning heeft geweigerd. De huidig aangevraagde percelen zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De vorige milieuvergunningsaanvraag, die verzoekster indiende, omvatte wel percelen die in het natuurgebied gelegen waren. Die aanvraag werd door de bestendige deputatie, in graad van beroep, op 19 februari 1998 geweigerd (...) , omwille van de gedeeltelijke ligging in natuurgebied. Tegen dat weigeringsbesluit diende verzoekster een annulatieberoep in bij de Raad van State, gekend onder G/A.78.194/VII-16.
  11. In die procedure is er nog geen uitspraak. Verzoekster heeft wellicht gewoon de tekst van het vorige verzoekschrift tot nietigverklaring gekopieerd. Dit middel is in het kader van deze milieuvergunningsaanvraag dus niet ter zake"; 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert : VII-18.588-4/13 "Wat het eerste (en ook het tweede) middel betreft, stelt verwerende partij dat verzoekster ‘wellicht gewoon de tekst van het vorige verzoekschrift tot nietigverklaring heeft gekopieerd’. Het eerste middel zou niet terzake doen. Opgemerkt moet worden dat, ingevolge het gebrek aan eigenlijke motivering, verzoekster niet wist waarom de bestendige deputatie de milieuvergunning eigenlijk weigerde. Men vermeldt dat de inrichting gelegen is in landschappelijk waardevol gebied en stelt dat deze niet verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Indien daaruit zou moeten worden afgeleid, zoals verzoekster meent te mogen verstaan, dat het houden van herten niet kan in een natuurgebied, dan wordt uiteraard de ingeroepen reglementsbepaling geschonden. Dit geldt eveneens voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De aanwezigheid van herten, en de benodigdheden voor het houden daarvan, kunnen de schoonheidswaarde van het landschap in dat agrarisch gebied niet aantasten"; 2.1.4 Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog in hoofdzaak argumenteert waarom de gevraagde inrichting niet strijdig is met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; 2.1.
  13. Overwegende dat artikel 13.4.3.1 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt : "De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk"; dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op "natuurgebieden" terwijl de in het geding zijnde vergunningsaanvraag enkel betrekking heeft op percelen gelegen in "landschappelijk waardevol agrarisch gebied"; dat ook in het bestreden besluit wordt gesteld "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : landschappelijk waardevol agrarisch gebied"; dat dienvolgens het bestreden besluit geen schending kan uitmaken van artikel 13.4.3.
  14. van evengenoemd besluit; dat het middel zoals aangevoerd in het verzoekschrift niet gegrond is; dat de argumentatie van de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie aangaande de verenigbaarheid van de inrichting met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied neerkomt op een nieuw middel, dat reeds in het verzoekschrift had kunnen worden aangevoerd; dat het betoog van de verzoekende partij dat bij "gebrek aan eigenlijke motivering" zij niet wist waarom de verwerende partij de milieuvergunning weigerde niet opgaat, nu in het bestreden besluit de elementen uit de diverse ongunstige adviezen werden weergegeven en de verwerende VII-18.588-5/13 partij die elementen expliciet tot de hare heeft gemaakt; dat dienvolgens het nieuwe middel, niet van openbare orde zijnde, niet ontvankelijk is; 2.2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel de schending aanvoert van “de motiveringsplicht, zoals algemeen opgelegd door de wet van 29 juli 1991, artikel 17, 1ste lid van het Decreet van 28 juni 1985 en artikel 49 van Vlarem I”; dat zij het middel in het verzoekschrift als volgt toelicht : "Zoals reeds gemeld wordt de vergunning geweigerd omdat de aanvraag niet verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, zonder dat wordt aangegeven waarom, volgens de verwerende partij, die aanvraag strijdig zou zijn met de (gedeeltelijke) ligging van het terrein waarop de inrichting zal worden uitgebaat in natuurgebied. De verwerende partij verwijst ook naar de ongunstige adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij, de Provinciale Milieuvergunningscommissie en de Afdeling Milieuvergunningen van de Administratie voor Milieu- Natuur- Land- en Waterbeheer. De verwerende partij geeft echter niet de motieven aan waarom zij zich bij deze adviezen aansluit. Nochtans beschikt de verwerende partij over een eigen beslissingsbevoegdheid en is zij er bijgevolg toe gehouden haar eigen redengeving te doen kennen. In het geval de verwerende partij van oordeel is dat er wat haar betreft, de adviezen van de vernoemde instanties de weigering van de milieuvergunning verantwoorden, vereist de motiveringsverplichting op zijn minst dat de verwerende partij dit in haar beslissing dan ook met zoveel woorden vermeldt"; 2.2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "Ook de tekst van dit middel werd wellicht door verzoekster letterlijk overgenomen uit het verzoekschrift tot nietigverklaring, in het kader van de vorige aanvraag. Nogmaals dient gesteld dat de huidige aanvraag geen betrekking meer heeft op percelen die in het natuurgebied zijn gelegen. De bestendige deputatie heeft zich inderdaad gesteund op de ongunstige adviezen van de AMV, de VLM en de PMVC. De inhoud van die adviezen wordt zeer uitvoerig in het besluit weergegeven. Door te stellen dat die ongunstige adviezen worden gevolgd, geeft de bestendige deputatie duidelijk aan dat zij de motieven overneemt, die in die adviezen worden vermeld. Samengevat kan gesteld worden dat de vergunning werd geweigerd om de volgende redenen : - een deel van het agrarisch gebied bestaat uit bos waarvoor een goedgekeurd bosbeheerplan is opgesteld; - een ontbossing kan in dit geval niet aanvaard worden omdat deze niet gebeurt in functie van uitvoering van werken van algemeen belang die in overeenstemming zijn met de geldende plannen van aanleg; - er kan geen toestemming worden gegeven voor het houden van herten in het bos of op boswegen, omdat dit een bos- en natuurvernietigende activiteit is; - de aanvraag is strijdig met de EG-Vogelrichtlijn 79/409; VII-18.588-6/13 - de aanvraag is in strijd met de bepalingen van het Mestdecreet; - landbouwtechnisch is het mogelijk dat de dieren enkel in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zullen gehouden worden; uit het aanvraagdossier blijkt echter niet duidelijk of er al dan niet afrasteringen zijn voorzien; derhalve is het moeilijk controleerbaar of de dieren enkel in het agrarisch gebied zullen gehouden worden, en niet het natuurgebied zullen betreden; - de aangevraagde exploitatie zal schade berokkenen aan de natuur; Uit deze negatieve elementen blijkt dat de aanvraag strijdig is met het Bosdecreet, het Natuurdecreet en het Mestdecreet en dat er geen garantie bestaat dat de dieren enkel in het agrarisch gebied zullen gehouden worden. Verzoekster kan al deze negatieve elementen terugvinden in het besluit, bij de uitvoerige weergave van de adviezen, zodat zij op voldoende wijze geïnformeerd wordt waarom de vergunning werd geweigerd. Het tweede middel is niet gegrond"; 2.2.
  17. Overwegende dat de repliek van de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dezelfde is als sub 2.1.
  18. weergegeven; 2.2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie nog betoogt dat de verwerende partij geenszins verplicht was de adviezen te volgen en dat zij minstens had dienen te vermelden waarom zij zich bij die adviezen aansloot; 2.2.
  20. Overwegende dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel gewezen, de diverse elementen uit de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen, van de Vlaamse Landmaatschappij en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie in extenso in het bestreden besluit worden weergegeven; dat het gaat om een aaneenrijging van argumenten om de vergunning te weigeren, en dat geen enkel argument ten gunste van de inrichting van de verzoekende partij wordt aangehaald; dat aangezien deze adviezen eenduidig ongunstig zijn, de verwerende partij zich kon beperken tot de motivering : "Overwegende dat de ongunstige adviezen van de AMV de VLM en de PMVC gevolgd worden"; dat de verzoekende partij dan ook kon weten waarom haar de vergunning werd geweigerd; dat de verzoekende partij nog vruchteloos zich erover beklaagt dat de verwerende partij niet expliciet heeft gemotiveerd waarom zij zich bij deze adviezen aansluit; dat het antwoord daarop immers evident is, te weten dat de verwerende partij akkoord is met de diverse weergegeven elementen uit de ongunstige adviezen; dat dan ook niet valt in te zien welke eigen redengeving de verwerende partij nog had moeten aanbrengen; dat, tenslotte, zoals reeds het geval bij het eerste middel, ook hier de verzoekende partij er verkeerdelijk van uitgaat dat de verwerende partij de inrichting strijdig zou hebben geacht met de bestemming natuurgebied; dat immers er wel degelijk werd uitgegaan van de ligging van de inrichting in "landschappelijk waardevol agrarisch gebied"; dat het middel niet gegrond is; VII-18.588-7/13 2.3.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij als derde middel de schending aanvoert van de artikelen 2.3, 5, 34/,1, 3 en 33 van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991 zoals gewijzigd bij decreet van 20 december 1995; dat zij het middel als volgt toelicht : "In het advies van de Vlaamse Landmaatschappij wordt voorgehouden dat de bepalingen van het Meststoffendecreet ook van toepassing zouden zijn op de inrichting. Dit is strijdig met de artikelen 2.3, 34/ 1, 3 en 33 van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991 zoals gewijzigd bij decreet van 20 december
  22. Deze bepalingen verwijzen immers naar artikel 5 van hetzelfde decreet, dat een lijst geeft van de dieren die als 'vee' worden beschouwd. Het gaat hier om runderen, varkens, pluimvee, ander vee (paarden, schapen, geiten, nertsen en konijnen). Herten worden niet opgesomd in deze lijst. Er moeten dan ook ernstige vragen worden gesteld naar de toepasbaarheid van de Meststoffenregeling. Het inroepen daarvan geldt immers als een weigeringsgrond. Op te merken valt dat op grond van rubriek 9.6 van de bijlage 1 aan Vlarem I de inrichting wel vergunningsplichtig is (herten zijn kleine herkauwers), maar dit impliceert nog niet dat het Meststoffendecreet terzake van toepassing is"; 2.3.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt reageert : "Verzoekster betwijfelt ten onrechte de toepasbaarheid van het Mestdecreet in dit dossier. De aanvraag heeft betrekking op edelherten. Deze dieren zijn niet als dusdanig opgenomen in artikel 5 van het Mestdecreet waarin de diersoorten worden opgesomd waarvoor er bij de Mestbank een aangifteplicht bestaat. Volgens de VLM is de inrichting echter aangifteplichtig bij de Mestbank gelet op het feit dat de oppervlakte cultuurgrond die de inrichting in gebruik zou hebben, meer dan 2 ha bedraagt. Voorts stelt de VLM in het aanvullend advies van 3 maart 1999 dat het Mestdecreet niet van toepassing is op het houden van herten als dusdanig, maar wel op de mestproductie van deze dieren. Edelherten hebben immers een bepaalde mestproductie die min of meer vergelijkbaar is met deze van schapen en soortgelijke herkauwers. De jaarlijkse fosfaat- en stikstofproductie wordt echter niet vermeld in artikel 5 van het Mestdecreet. Mest afkomstig van herten wordt volgens het Mestdecreet gecatalogeerd onder de term 'andere meststoffen'. Artikel 2,13° van het Mestdecreet definieert de term meststof : elke stof die de nutriënten stikstof of fosfor bevat en die kan aangewend worden op gronden ter bevordering van de gewasgroei. Andere meststoffen zijn alle meststoffen die noch dierlijke mest, noch chemische meststoffen zijn. Hertenmest kan niet gecatalogeerd worden als dierlijke mest (de diersoort wordt niet vermeld in artikel 5 van het Mestdecreet), noch als chemische meststof en dient dus beschouwd te worden als een ‘andere meststof’. Vermits de VLM het meest geëigend adviesverlenend overheidsorgaan is om de al dan niet toepasbaarheid van het Mestdecreet te beoordelen, heeft de VII-18.588-8/13 bestendige deputatie zich in haar besluit terecht gesteund op het advies van de VLM. Bovendien dient opgemerkt dat de in het besluit aangehaalde strijdigheid met het Mestdecreet slechts een subsidiair weigeringselement vormde. Het hoofdmotief tot weigering van de vergunning is de stedenbouwkundige onverenigbaarheid (+ strijdigheid met Bosdecreet en Natuurdecreet). Het derde middel is niet gegrond"; 2.3.3 Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert : "Wat het derde middel betreft, geeft verwerende partij toe, zoals trouwens reeds in het verzoekschrift gesteld, dat edelherten niet voorkomen in de opsomming van artikel 5 van het Mestdecreet. De artikelen 2.3, 33 en 34 van dit meststoffendecreet verwijzen telkens naar artikel
  24. De meststoffenregeling met de daaruit voortvloeiende beperkingen inzake milieuvergunningen, is derhalve niet toepasselijk op edelherten. De verwerende partij stelt dat de Vlaamse Landmaatschappij het meest geëigend adviesverlenend overheidsorgaan is om de al dan niet toepasbaarheid van het Mestdecreet (sic) Daaruit volgt zeer duidelijk dat, zoals in het tweede middel werd opgeworpen, de bestendige deputatie geen eigen redengeving heeft gebruikt bij het nemen van de thans bestreden beslissing. Zij heeft de beoordeling van de toepasbaarheid van het Mestdecreet zonder meer overgelaten aan de Vlaamse Landmaatschappij, hoewel de Bestendige Deputatie over een eigen beslissingsbevoegdheid beschikt. Om tot haar besluit te komen, kon de verwerende partij gegevens putten uit niet bindende adviezen. De verwerende partij had echter de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid. Dit houdt in dat zij moest nagaan of deze activiteiten in feite en in rechte konden worden aanvaard. De beoordeling daarvan - of minstens de redenen waarom - moeten uit de bestreden beslissing blijken. Dit is niet het geval"; 2.3.
  25. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie nog betoogt dat ook al gaat het om een subsidiair motief, dit niet wegneemt dat er een schending is van het meststoffendecreet en dat de bestreden beslissing dan ook moet worden vernietigd; 2.3.
  26. Overwegende dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de te verwachten schade aan natuur en bos het decisief weigeringsmotief uitmaakt; dat, zoals bij de bespreking van het vierde en het vijfde middel zal blijken, de strijdigheid van de inrichting met het decreet betreffende het natuurbehoud van 21 oktober 1997 een voldoende motief vormt voor de weigering van de gevraagde milieuvergunning; dat de strijdigheid van de inrichting met het meststoffendecreet een overtollig en overigens subsidiair weigeringsmotief uitmaakt; dat dienvolgens het eventueel gegrond bevinden van het middel, gestoeld op de schending van het VII-18.588-9/13 meststoffendecreet, niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat het middel dan ook niet moet worden onderzocht; 2.4.
  27. Overwegende dat het vierde middel wordt genomen uit de "schending van de materiële motiveringsplicht"; dat de verzoekende partij het middel als volgt toelicht : "Elke overheidshandeling moet gegrond zijn op deugdelijke, rechtens en feitelijk, aanvaardbare motieven. De verwerende partij gaat ervan uit dat door de exploitatie tot ontbossing zou worden overgegaan. Dit is een loutere veronderstelling, die berust op een hypothese, en die niet wordt bewezen. De vergunning wordt alleen gevraagd voor de terreinen gelegen in het landschappelijke waardevol agrarisch gebied, en niet voor deze gelegen in het natuurgebied. Men weigert de vergunning omdat er geen bedrading zou worden aangebracht. Dit is geen aanvaardbaar weigeringsmotief. Indien de verwerende partij de zaken wou veilig stellen, dan dient die verplichting als voorwaarde in de vergunning te worden opgelegd"; 2.4.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : "Uit het advies van de AROHM blijkt dat reeds de aanwezigheid van 10 edelherten een bos van 100 ha zou vernietigen. Het totale domein van Forabel betreft ca. 25 ha bos. Door de grote hoeveelheid van dieren

(300)zal het bos vernietigd worden, wat in feite dus neerkomt op een ontbossing. Volgens de AROHM is dit onaanvaardbaar en in strijd met het Bosdecreet en het Natuurdecreet. De stelling van verzoekster dat de vergunning werd geweigerd omdat er geen bedrading zou worden aangebracht, dient genuanceerd te worden. Zoals reeds gesteld werd bij de weerlegging van het tweede middel, is het landbouwtechnisch mogelijk dat de dieren enkel in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied worden gehouden, en niet in het natuurgebied. Dit veronderstelt dat er bedrading en hekkens worden aangebracht tussen de 2 zones. Het dossier biedt echter geen enkele garantie dat dergelijke voorzieningen zullen aangebracht worden en evenmin werd er hiervoor een bouwvergunningsaanvraag ingediend. Gelet op de andere weigeringsmotieven had het opleggen van een bijzondere voorwaarde voor de bedrading geen enkele zin. Het vierde middel is niet gegrond"; 2.4.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord geen repliek geeft op de argumentatie van de verwerende partij; 2.4.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nogmaals betoogt dat de bestendige deputatie, indien zij een bedrading noodzakelijk VII-18.588-10/13 achtte, dit als bijzondere voorwaarde had moeten opleggen bij het verlenen van de exploitatievergunning; 2.4.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij bij de uiteenzetting van het middel uitgaat van de verkeerde hypothese dat de bossen uitsluitend zijn gelegen in het natuurgebied terwijl blijkens de stukken van het administratief dossier ook een deel van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied uit bos bestaat; dat het oordeel van de verwerende partij dat het bos door de grote hoeveelheid dieren zal worden vernietigd, niet een "loutere veronderstelling" is, maar is gestoeld op een wetenschappelijke studie "Hoefdieren in het boslandschap", Backhuys Publishers, Leiden 1997; dat de verzoekende partij geen wetenschappelijke gegevens aanbrengt die deze studie weerspreekt; dat, voorts, de verwerende partij er niet toe was verplicht om de vergunning toch toe te staan, mits het opleggen van een bijzondere voorwaarde tot het aanbrengen van een bedrading rond de diverse percelen bos; dat dit des te meer klemt nu in het eerste advies van de afdeling ROHM wordt gesteld dat door het weglaten in de aanvraag van de percelen bos in natuurgebied, er wel "een bizarre configuratie van gronden waarop de aanvraag van toepassing is" ontstaat; dat in die omstandigheden het opleggen van bedrading als bijzondere voorwaarde niet meteen evident is; dat, ten slotte, de verzoekende partij bij machte was om in haar vergunningsaanvraag expliciet het aanbrengen van een afsluiting rond de percelen bos voor te stellen zo dit althans in praktijk mogelijk was; dat het middel niet gegrond is; 2.5.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij als vijfde middel de schending aanvoert van “artikel 16 § 1 van het decreet betreffende het natuurbehoud”; dat zij het middel als volgt toelicht : "Tenslotte beroept de verwerende partij zich ten onrechte op artikel 16 § 1 van het decreet betreffende het natuurbehoud. Daarin wordt enkel gezegd dat de overheid "zorg draagt" om geen milieubelastende vergunningen af te leveren. Dit artikel kan niet als een algemene en absolute verbodsbepaling worden geïnterpreteerd. Artikel 20, laatste lid van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 stelt dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een vergunning bijzondere exploitatievoorwaarden kan opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Aldus kon bijvoorbeeld een afsluiting tussen agrarisch- en natuurgebied worden opgelegd"; 2.5.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : VII-18.588-11/13 "Artikel 16 § 1 van het decreet betreffende het natuurbehoud stelt het volgende : 'Als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid, dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, draagt deze overheid er zorg voor door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan'. Uit de adviezen blijkt voldoende dat er door de gevraagde exploitatie wel schade aan de natuur zou ontstaan. De bestendige deputatie had dus, als vergunningverlenende overheid, de plicht om de vergunning te weigeren. Het opleggen van voorwaarden had geen enkele zin, gelet op de eerder opgesomde negatieve elementen in dit dossier. Het vijfde middel is niet gegrond"; 2.5.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord geen repliek geeft op het verweer van de verwerende partij; 2.5.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie in essentie nog doet gelden dat artikel 16 van het decreet betreffende het natuurbehoud niet kan inhouden dat geen enkele vergunning nog kan worden toegekend; dat zij stelt het nodige te hebben gedaan door een nieuwe vergunning aan te vragen waarbij door de inrichting geen gebruik zou worden gemaakt van de delen van het terrein gelegen in het natuurgebied; 2.5.
  8. Overwegende dat artikel 16, § 1, van het decreet betreffende het natuurbehoud aan de overheid een discretionaire bevoegdheid toekent bij de keuze op welke wijze er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan; dat, gelet op de diverse elementen zoals weergegeven bij het onderzoek van het vijfde middel, de verwerende partij niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door ervoor te opteren om de vergunning te weigeren ten einde er voor te zorgen dat er in casu geen vermijdbare schade aan de natuur kon ontstaan; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. VII-18.588-12/13 De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.588-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.792 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.