← België

Arrest 159802 - - 08/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.802 Rolnummer: A. 71627/XII-1920 Zaak: Arrest 159802 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 21:25 Fiche Arrest nr 159.802 van 8 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.802 van 8 juni 2006 in de zaak A. 71.627/XII-

  1. In zake : Paul PIRARD, die woonplaats kiest bij advocaat C. Lemache, kantoor houdende te Sint-Truiden, Tongersesteenweg 60 tegen : de BURGEMEESTER VAN DE STAD SINT-TRUIDEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul Pirard op 2 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de burgemeester van de stad St-Truiden van 9 augustus 1996 waarbij wordt beslist verzoekers ongunstige evaluatie te behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 30 maart 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 6 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 januari 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Quadvlieg, die loco advocaat C. Lemache verschijnt voor verzoeker; XII-1920-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Paul Pirard is politie-inspecteur bij de stad Sint-Truiden. Blijkens een 4 juli 1996 gedateerd evaluatieverslag wordt aan Paul Pirard de beoordeling “ongunstig” toegekend. Verzoeker tekent op 12 juli 1996 bij de burgemeester beroep aan tegen zijn ongunstige evaluatie van 7 augustus
  2. Op 7 augustus 1996 wordt verzoeker door de burgemeester uitgenodigd om op 9 augustus 1996 door hem gehoord te worden betreffende zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. Blijkens het, slechts door de burgemeester en de secretaris ondertekend, “verslag van het onderhoud van Paul Pirard, inspecteur van politie, door de burgemeester op 9 augustus 1996 om 15u30 n.a.v. zijn bezwaar tegen zijn evaluatie”, antwoordt de burgemeester ontkennend op verzoekers “vraag of er nog bijkomende stukken aan het dossier zullen worden toegevoegd”. Bij het in het administratief dossier neergelegd verslag is een “memorie” gevoegd van verzoeker waarin hij “[zich] verzet conform art. 15 van de procedurevoorschriften tegen toevoeging aan het dossier van stukken dewelke door hem niet tegengetekend werden voor kennisneming” en waarin hij, ook ten gronde, zijn ongunstige evaluatie betwist. In een tweede, slechts door de burgemeester, secretaris en twee van de beoordelaars ondertekend “verslag van het onderhoud van Roger Coenen, politiecommissaris en Romain Roba, adjunct-commissaris inspecteur, door de XII-1920-2/6 burgemeester op 9 augustus 1996 naar aanleiding van het bezwaar van Paul Pirard, inspecteur, tegen zijn evaluatie”, bevestigen de beoordelaars, Coenen en Roba, “dat zij Paul Pirard correct hebben beoordeeld en blijven bij de vooropgestelde beoorde- ling”. Tevens wijzen zij “op het feit dat betrokkene weigert met zijn hiërarchische oversten met name : R. Coenen, politiecommissaris, R. Roba, adj. comm. inspecteur, F. Massa, adj. commissaris en M. Lammens, adj. commissaris te communiceren, laat staan te groeten”. De burgemeester beslist op 9 augustus 1996 om de ongunstige evaluatie van Paul Pirard te behouden. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “Gelet op het evaluatieverslag van Paul PIRARD, inspecteur van politie, getekend voor kennisname op 4 juli 1996; Overwegende dat uit het evaluatieverslag blijkt dat betrokkene ‘ongunstig’ werd beoordeeld; Gelet op het schrijven dd. 12 juli 1996 waarbij Paul Pirard beroep aantekent tegen zijn evaluatie Overwegende dat betrokkene op 9 augustus 1996 werd uitgenodigd om gehoord te worden door de Burgemeester; Overwegende dat betrokkene zich heeft laten bijstaan door Raadsman C Lemache; Gelet op de uiteenzetting van de besluiten door de Raadsman; Gelet op de uiteenzetting van de beoordelaars ten overstaan van de Burgemeester; Gelet op de verslagen van het onderhoud; Overwegende dat de Burgemeester van oordeel is dat : - de evaluatie verlopen is volgens de goedgekeurde procedure; - de beoordelaars betrokkene correct hebben geëvalueerd; Overwegende dat de Burgemeester om deze redenen voorstelt om de ‘ongunstige evaluatie’ van Paul Pirard te behouden”; De grond van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van “het procedurereglement en de rechten der verdediging”; dat hij daartoe onder meer betoogt dat, hoewel hij zich tijdens zijn verhoor uitdrukkelijk verzet heeft tegen toevoeging aan zijn dossier van gegevens welke hem niet ter kennis werden gebracht, na zijn verhoor “nog een ander stuk werd toegevoegd aan het dossier, nl. een ‘verslag’ van het onderhoud van Roger Coenen, politiecommissaris en Romain Roba, adjunct commissaris inspecteur op 9/8/96, waarin deze (bijkomend) een feit aandragen zijnde het niet-groeten door verzoeker van vier met naam genoemde hiërarchische oversten, en de weigering tot communicatie” en dat “dit stuk, en derhalve ook het aangedragen feit, niet aan verzoeker, [werd] voorgelegd conform art. 15 van het procedurereglement, zelfs niet kenbaar gemaakt, noch in vorm, noch XII-1920-3/6 in inhoud, zodat enerzijds het door de Burgemeester te beoordelen dossier onregelmatig samengesteld was, anderzijds verzoeker geschaad werd in de rechten van verdediging”. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing geen afdoende motivering bevat, meer bepaald dat de formeel ingeroepen motieven hem niet toelaten “de regelmatigheid en de gegrondheid” ervan te beoordelen, ten einde “zijn houding [te] bepalen”, nu louter is vermeld dat de “evaluatie verlopen [is] volgens de goedgekeur- de procedure” en dat de “beoordelaars betrokkene correct hebben geëvalueerd”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord onder meer stelt dat “na de uiteenzetting van de feiten de Burgemeester een apart onderhoud [heeft] gehad met Roger Coenen, politiecommissaris en Romain Roba, adj. commissaris Inspecteur” maar geen wezenlijk verweer biedt op de middelen; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog doet gelden dat “dit verslag alleszins een nieuw feit inhoudt dat ter beoordeling van de Burgemeester werd voorgelegd in afwezigheid van verzoeker”; dat “verzoeker zich desbetreffende niet heeft kunnen verdedigen, zodat de beslissing de rechten van verdediging schendt” en dat “het procedurereglement en de rechten van verdediging noodwendigen dat verzoeker in kennis is van alle elementen waarop de Burgemeester zijn beslissing zal gronden”; Overwegende, wat het eerste middel betreft, dat overeenkomstig artikel 15 van het evaluatiereglement “in het evaluatiedossier enkel stukken [worden] opgenomen die het personeelslid voor kennisneming heeft ondertekend, of indien betrokkene weigert te ondertekenen, stukken die, met vermelding van dit gegeven werden ondertekend door de leden van de evaluatiecommissie”; Overwegende dat te dezen na verzoekers verhoor nog twee van zijn oversten zijn gehoord; dat gegevens die voor verzoeker negatief zijn en vervat waren in hun verklaringen, in verzoekers evaluatie zijn betrokken aangezien ernaar verwezen is in het bestreden besluit; dat aldus het aangehaalde artikel 15 geschonden is en het middel in die mate gegrond is; XII-1920-4/6 Overwegende, wat het tweede middel betreft, dat de motivering in de bestreden beslissing, teneinde te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991, de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zulks op afdoende wijze; dat die motivering een belanghebbende in staat dient te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van de motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; Overwegende dat te dezen de motivering van de bestreden beslissing enkel een chronologische weergave van de procedure bevat en voorts de bewering dat “de evaluatie verlopen is volgens de goedgekeurde procedure” en dat “de beoordelaars betrokkene correct hebben geëvalueerd”; dat daarentegen verzoeker een omstandig beroepschrift heeft bezorgd aan de burgemeester en een memorie waarin hij zijn evaluatie in vraag stelt en verzoekt een “adviescommissie aan te stellen teneinde de evaluatieprocedure te onderzoeken”; Overwegende dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat de formele motiveringsverplichting de burgemeester niet oplegt te antwoorden op elk argument dat verzoeker in zijn beroepschrift of tijdens de hoorzitting deed gelden, uit de betrokken beslissing toch moet blijken -wil de beroepsprocedure niet vervallen in een zinledig formalisme- dat die argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken is geworden; dat een dergelijke afweging te dezen uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt; dat die motivering daarentegen nietszeggend en vaag is zodat verwerende partij tekort is gekomen aan haar wettelijke verplichting tot het verstrekken van een afdoende motivering; dat ook het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt de beslissing van 9 augustus 1996 van de burgemeester van Sint-Truiden waarbij de ongunstige evaluatie van Paul Pirard wordt behouden. XII-1920-5/6 Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1920-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.802 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.