id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.831 Rolnummer: A. 124543/XIV-11020 Zaak: Arrest 159831 - - 08/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 21:29 Fiche Arrest nr 159.831 van 8 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.831 van 8 juni 2006 in de zaak A. 124.543/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue St-André 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 26 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 maart 2001 tot weigering van verblijf; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.020-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Oezbeekse nationaliteit, is in België binnengekomen op 27 november 2000 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
- Op 9 maart 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk verlaten. 1.
- Op 16 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf van 9 maart
- Dit is de bestreden beslissing: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, van Oezbeekse nationaliteit en Tataars-Russische origine, verklaarde op het Commissariaat-generaal dat u in 1991 een voorstel weigerde om voor de KGB (Comité voor staatsveiligheid) te werken na de voltooiing van een hogere opleiding in Moskou. U werkte sinds 1997 in een nachtclub in Tashkent. In november 1999 werd u opgebeld door R., een medewerker van de staatsveiligheidsdienst met de vraag om u te ontmoeten. Tijdens de ontmoeting stelde R. u voor om te werken voor de nationale staatsveiligheidsdienst (SNB). U ging akkoord om bij de staatsveiligheid te gaan werken en u ging akkoord om vóór u bij de staatsveiligheid kon beginnen werken informant te zijn voor de staatsveiligheidsdienst. U moest informatie verzamelen over hooggeplaatste mensen die naar de club kwamen. In januari 2000 heeft u voor de eerste keer informatie gegeven aan R. over mensen die in de club kwamen. Raïs heeft u in februari 2000 een bewijs dat u een vrijwillige medewerker van de wegenpolitie gegeven zodat u zich gemakkelijker kon verplaatsen. Tot in mei 2000 bezorgde u Raïs allerlei informatie over hooggeplaatste personen die naar de club kwamen. In mei 2000 heeft u aan R. verteld dat u niet langer informatie wilde geven indien de staatsveiligheid u niet officieel aannam zoals beloofd was. R. zei tegen u dat u zou worden aangenomen als officïele medewerker van de staatsveiligheidsdienst. Hij had uw paspoort nodig om de formaliteiten te vervullen om u als werknemer aan te nemen. U heeft uw paspoort afgegeven. Begin juni 2000 heeft u aan R. gezegd dat geen informant meer wilde zijn van de staatsveiligheid en dat u geen werknemer van de staatsveiligheid wilde zijn. R. bedreigde u. Op 22 juni 2000 namen twee rechercheurs u mee naar het politiekantoor. XIV-11.020-2/7 Een vrouw had een klacht tegen u ingediend. U werd vals beschuldigd van het illegaal wisselen van vreemde munten tegen een valse wisselkoers. De vrouw had haar klacht teruggetrokken nadat u haar 400$ had betaald. U heeft ook een bepaald bedrag betaald aan de rechercheur. U werd één nacht vastgehouden op het politiekantoor.Toen R. u belde zei hij tegen u dat u opnieuw en voor langer zou vast zitten indien u de volgende keer tegenwerkte. Op 29 augustus 2000 hadden u, uw vrouw, XXX, en minderjarige zoon een autoongeluk. Op 14 september 2000 deed de rechtbank uitspraak dat u dronken achter het stuur zat en dat u verantwoordelijk was voor het autoongeluk. U werd wederom vals beschuldigd omdat u weigerde om samen te werken met de staatsveiligheid. U moest 520.000 Sum betalen aan de andere chauffeur. U moest tevens een geldboete en een administratieve heffing van de rechtbank van 10000 Sum betalen. U heeft deze 530.000 Sum betaald. Op 21 oktober 2000 werd u werderom vals beschuldigd van het illegaal wisselen van vreemde valuta. Op het politiekantoor werd u gefolterd en gepest. U werd gedwongen om alles op te schrijven wat men dicteerde en dit te ondertekenen. U zag R. op het politiekantoor. Hij zei dat u in ruil voor zijn hulp om u vrij te krijgen als informant voor de staatsveiligheid moest blijven werken. U ging hiermee akkoord. R. zei tegen u dat alle documenten die u had ondertekend betreffende het illegaal geld wisselen zouden worden gebruikt indien u besliste om niet meer te werken als informant. Omdat u had geprobeerd om zelfmoord te plegen liet uw familie u opnemen in het ziekenhuis. R. verklikte u bij de hooggeplaatste personen waarover u informatie had gegeven. R. lichtte hen in dat u als informant werkte en informatie over hen aan hem doorgaf. Op 14 november 2000 kwam er een vriend naar het ziekenhuis om te zeggen dat alles over u bekend was geworden en dat u twee dagen de tijd had om te vluchten naar het buitenland.Uw vriend was opgebeld geweest door de directeur van de club om te zeggen dat er een hooggeplaatst persoon bij hem was langsgekomen die alles over u wist en dat die hooggeplaatste persoon eiste dat u naar hem toe werd gebracht. Tijdens dit telefoongesprek zei de directeur ook tegen u vriend dat hij u twee dagen gaf om te kunnen vluchten. U verliet samen met uw vrouw en minderjarige zoon op 16 november 2000 Oezbekistan. Op 27 november 2000 vroeg u de status van vluchteling aan.U bent in het bezit van uw rijbewijs, attest van middelbaar onderwijs, diploma, huwelijksakte, copies van drie bladzijden uit uw werkboekje, een adreskaartje van de “Dutchclub”, een bewijs dat u vrijwillige medewerker bent van de wegenpolitie en de geboorteakte van uw zoon. Er dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw verklaringen blijkt dat u vervolgd wordt omwille van één van de redenen van de Vluchtelingenconventie. De problemen die u heeft gekend omdat u niet meer voor de staatsveiligheid wilde werken (twee beschuldingen van deelname aan zwart wisselcircuit van vreemde valuta, CGVS, p. 14- 15 en 19; beschuldiging veroorzaken auto-ongeluk, CGVS, p. 19) zijn van private en gemeenrechtelijke aard zonder dat ze enige politieke, etnische of religieuze connotatie hebben. Bijgevolg vallen ze buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Gezien het voorafgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève, worden weerhouden. De documenten (huwelijksakte, geboortakte kind, attest van middelbaar onderwijs, diploma, rijbewijs, uittreksel werkboekje, identificatiebadge politie, adreskaartje Dutchclub), die in het kader van uw asielaanvraag werden neergelegd, wijzigen het voorafgaande niet.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Volgens art. 62 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, moeten de administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. De motivering moet bestaan uit juridische en feitelijke overwegingen, die aan de beslissing ten grondslag liggen. "Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motivering zijn XIV-11.020-3/7 niet afdoende" (Van Heule, D., Vluchtelingen: een overzicht na de Wet van 06.05.1993, Gent , Mys en Breesch, 1993, 78 en Van Heule, D., De motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet, T.V.R., 1993/2, 67-71). De bestreden beslissing van de CGVS is een voorbeeld van onnauwkeurige, ongeldige, niet-plausibele, stereotiepe motivering, die niet afdoende is. De bestreden beslissing heeft gesteld dat de asielaanvraag van betrokkene geen verband met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen houdt. Deze argumentatie kan niet bijgetreden worden. Het CGVS baseert zijn beslissing slechts op ongegronde besluit dat de asielaanvraag van betrokkene geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. De problemen van verzoeker werden bestempeld als van private en gemeenrechtelijke aard zonder dat ze enige politieke, etnische of religieuze connotatie hebben. Verweerder geeft geen enkele argument die zijn beweringen kunnen bevestigen. Het CGVS negeert uitleg van verzoeker, die duidelijk vermeldt dat hij werd gedwongen zijn vaderland te verlaten uit gegronde vrees voor vervolgingen wegens zijn behoren tot een bepaalde sociale groep. Onder sociale groep bedoelt verzoeker: hij werd slachtoffer van politieke strijd voor macht in Oezbekistan tussen verschillende machthebbers, aan de éné zijde - nieuwe zakenmensen in de regering van Oezbekistan, aan de andere zijde - hoog geplaatste personen van Staatsveiligheid, vertegenwoordigers van conservatieve bewind van huidige president. Op basis van bovenvermelde argumentatie blijkt dat de motivering van het CGVS gebrekkig is. Beweringen van de gemachtigde van het CGVS dat de asielaanvraag van verzoeker geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, beantwoorden dan ook niet aan de realiteit.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.
- Eerste middel: gebrekkige motivering. Verzoekende partij werpt op dat de bestreden beslissing een voorbeeld van onnauwkeurige, ongeldige, niet plausibele, stereotiepe motivering is die niet afdoende is. Verzoekende partij betwist immers de motivering van de bestreden beslissing van eerste verzoeker waarin werd gesteld dat diens asielmotieven vreemd zijn aan de Vluchtelingenconventie. Er zou door verweerder evenwel geen enkel argument worden gegeven die deze bewering kan bevestigen. Verweerder ontkent dit. Vooreerst wordt in het feitenrelaas van de beslissing een overzicht gegeven van de asielmotieven van eerste verzoeker. Vervolgens werd in de motivering van de beslissing gesteld dat deze problemen, met vermelding ervan, geen politieke, etnische of religieuze connotatie hebben. Bijgevolg kan niet gesteld worden dat de beslissing geen afdoende motivering bevat. Verzoekende partij stelt verder dat de asielmotieven van verzoekers wel degelijk vallen onder de Vluchtelingenconventie aangezien eerste verzoeker wegens zijn behoren tot een sociale groep werd vervolgd. Dit heeft eerste verzoeker alleszins niet aannemelijk gemaakt tijdens zijn procedure in dringend beroep. Evenmin maakt verzoekende partij dit aannemelijk in voorliggend verzoekschrift. Het aangebrachte feit dat eerste verzoeker het slachtoffer werd van een politieke machtstrijd zegt niets meer over de sociale groep waarvan eerste verzoeker deel zou hebben uitgemaakt en waardoor hij vervolgd zou zijn geweest. Het Handboek van het HCR verstaat onder sociale groep met dezelfde origine, dezelfde sociale status of dezelfde levenswijze (Handbook, nr. 78). Dit is hier niet het geval. Bijgevolg zijn de beslissingen afdoende gemotiveerd. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert: XIV-11.020-4/7 “In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring, vermeldt verzoeker volgende twee middelen: • Gebrekkige motivering - schending van art. 62 van de Vreemdelingenwet • Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijke bestuur Wat betreft de argumentatie van verweerder i.v.m. eerste middel van verzoeker, blijft de eerste bij zijn standpunt. Hij verwijst naar het Handboek van het HCR, waar interpretatie werd gegeven aan wat men verstaat onder een sociale groep. Verzoeker is het niet eens met de geïnterpreteerde interpretatie van verweerder. In zijn annulatieverzoekschrift legde betrokkene uit dat hij het slachtoffer werd van politieke strijd voor macht in Oezbekistan tussen verschillende machthebbers, wat onder begrip van sociale groep wel valt. Vandaar is de argumentatie van verweerder niet ernstig. Op grond van niet door verweerder weerlegde middelen van verzoeker, beantwoordt de stelling van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat de aanvraag van verzoeker als geen verband houdend met de criteria van het Internationale Verdrag betreffende de status van vluchtelingen wordt beschouwd, dan ook niet aan de realiteit.”; 2.1.4.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing een voorbeeld is van een onnauwkeurige, ongeldige, niet-plausibele, stereotiepe motivering die niet afdoende is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen enkel argument zou geven die zijn beweringen kunnen bevestigen; dat hij verder verzoekers uitleg dat hij zijn land moest verlaten uit vrees voor vervolging omwille van het behoren tot een bepaalde sociale groep, zou genegeerd hebben; dat met het behoren tot een sociale groep verzoeker zou bedoelen dat hij het slachtoffer was van een politieke strijd om de macht in Oezbekistan; dat deze strijd tussen verschillende machthebbers en de nieuwe zakenmensen in de regering van Oezbekistan zou verlopen; 2.1.4.
- Overwegende dat verzoekers kritiek dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen enkel argument geeft die zijn beweringen kunnen bevestigen, niet kan worden aangenomen; dat in het feitenrelaas van de bestreden beslissing vooreerst een overzicht wordt gegeven van verzoekers asielmotieven; dat vervolgens de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat deze problemen van private en gemeenrechtelijke aard zijn; dat een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing toelaat de op het geval van verzoeker afgestemde redenen te kennen waarop die beslissing is gesteund; dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven kent; dat niet kan gesteld worden dat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is; dat verzoeker stelt dat zijn asielmotieven onder de Vluchtelingenconventie vallen aangezien hij gedwongen werd zijn land van herkomst te verlaten uit gegronde vrees voor vervolgingen wegens zijn behoren tot een bepaalde sociale groep; dat uit het administratief dossier echter blijkt dat verzoeker “het behoren tot een bepaalde sociale groep” voor het eerst voor de Raad van State inroept; dat de verwerende partij er bijgevolg geen kennis van had toen zij de bestreden beslissing moest nemen en er derhalve geen rekening kon of moest mee houden; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de door hem toegekende ruime appreciatiebevoegdheid heeft overschreden, noch dat hij de XIV-11.020-5/7 bestreden beslissing heeft genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel machtsoverschrijding en een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aanvoert, meer specifiek van de zorgvuldigheidsplicht; dat hij stelt: “DERDE (TWEEDE) MIDDEL: Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijke bestuur. Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijke bestuur veronderstellen dat het CGVS bij uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan. Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtsreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat verzoeker wenst te verwijzen naar zijn argumenten in het eerste middel.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.
- Tweede middel: machtsafwending en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekers stellen dat de nadelige gevolgen van de beslissing niet evenredig zijn met haar doel en verwijzen naar hun argumenten in het eerste middel. Verweerder kan dan ook volstaan met een verwijzing naar zijn antwoord op het eerste middel waaruit blijkt dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze met een gebrek is behept. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.3.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zouden mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen; dat verder verzoeker verwijst naar zijn argumenten in het eerste middel; 2.2.3.
- Overwegende dat erop dient gewezen dat verzoeker zich beperkt tot een aantal beschouwingen, zonder de door hem geformuleerde kritiek in concreto uit te werken; dat verder verzoeker verwijst naar zijn argumenten in het eerste middel; dat het dan ook volstaat te verwijzen naar de uiteenzetting hierboven waaruit blijkt dat niet tot de nietigverklaring kan worden besloten; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: XIV-11.020-6/7 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.020-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.