id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.837 Rolnummer: A. 136951/XIV-15210 Zaak: Arrest 159837 - - 09/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 21:31 Fiche Arrest nr 159.837 van 9 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.837 van 9 juni 2006 in de zaak A. 136.951/XIV-15.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. ZONDERMAN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 90 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Indonesische nationaliteit, op 20 mei 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 mei 2002 houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.210-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ZONDERMAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat A. DE MEU die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, beide van Indonesische nationaliteit, zijn op 13 augustus 1995 hun echtgenoot en vader komen vervoegen met het oog op een voorzien verblijf van vijf tot zes jaar voor de duur van diens studies. 1.
- Hun verblijfsvergunning wordt jaarlijks verlengd. Het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister wordt niet meer verlengd na 31 oktober 2000, gezien de beëindiging van de studies van hun echtgenoot/vader. 1.
- Op 28 mei 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing. Zij berust op volgende overwegingen: “REDEN VAN BESLISSING: Artikel 61, § 3 : - aan de gezinsleden van een student, aan wie een machtiging tot verblijf is toegekend beperkt tot de duur van diens studies, kan onder dezelfde voorwaarden als de student een bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven worden; - betrokkene + het kind kwamen in 1995 naar België in gezinshereniging bij hun respectievelijke studerende echtgenoot/vader. Hij heeft nu zijn studies beëindigd en aldus dienen zij eveneens het land te verlaten;.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeksters als eerste middel aanvoeren: “IV.A. Eerste middel Doordat de bestreden beslissing zijn oorsprong vindt in de beslissing dd. 28 mei 2002 die tav de heer XXX werd genomen. XIV-15.210-2/7 Terwijl de beslissing tav de heer XXX nietig is, minstens de akte van kennisgeving nietig is. Zodat de bestreden beslissing alzo gebaseerd werd op een nietige beslissing en dient te worden vernietigd. Toelichting: Nu er een beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing van de beslissing dd. 28 mei 2002 door de heer XXX werd ingesteld, minstens de kennisgeving van deze beslissing niet rechtsgeldig werd gedaan aan de heer XXX, kan hierop geen rechtsgeldige beslissing worden gesteund. Het is immers enkel en alleen omdat de heer XXX niet langer gerechtigd zou zijn om in België te verblijven dat er eveneens een bevel om het grondgebied te verlaten werd uitgesproken tav verzoeksters. Welnu, indien de beslissing tav heer XXX wordt vernietigd, dan wel niet tegenstelbaar is, dient de beslissing tav verzoeksters eveneens te worden vernietigd. Het middel is gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat in het eerste middel verzoeksters aanvoeren dat aangezien het bestreden bevel gesteund is op het bevel dat ten aanzien van hun echtgenoot/vader werd genomen nietig is en waarvan minstens de kennisgeving niet rechtsgeldig is gedaan, ook het bestreden bevel dient te worden vernietigd; dat verzoeksters nalaten aan te duiden welke rechtsbeginselen of bepalingen zij geschonden achten; dat verzoeksters het niet aan de Raad van State mogen overlaten om uit die uiteenzetting een middel te distilleren; dat het eerste middel onontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeksters als tweede en derde middel aanvoeren: “IV.B. Tweede middel Doordat de akte van kennisgeving op de keerzijde van de bestreden beslissing geen nadere tijdsbepaling bevat dan '... Ten jare tweeduizend en drie...'. Terwijl de akte van kennisgeving uitdrukkelijk de datum dient te bepalen waarop de betrokkene kennis heeft genomen van de beslissing. Zodat de akte van kennisgeving dient te worden vernietigd en de bestreden beslissing niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht aan verzoeker. Toelichting: Een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing dient op straffe van onontvankelijkheid te worden ingesteld binnen een termijn van 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het heeft aldus zijn belang dat de datum van kennisgeving exact kan worden bepaald, waar op dat ogenblik een vervaltermijn begint te lopen. Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat de exacte bepaling van de datum van kennisgeving dient te worden aanzien als een inlichting die dient beschouwd te worden als een substantieel vormvereiste. De kennisgeving op zich is alzo nietig en de beslissing, inzoverre ze al geldig is, kan niet worden ten uitvoer gebracht. Het middel is gegrond. IV.C. Derde middel Doordat de bestreden beslissing melding maakt van verzoeksters, die beiden meerderjarig zijn, doch enkel ter kennis, zij het al dan niet rechtsgeldig, van eerste verzoekster werd gebracht. Terwijl tweede verzoekster eveneens meerderjarig is en getroffen wordt door de beslissing. Zodat de bestreden beslissing minstens tav tweede verzoekster niet tegenstelbaar is, waar ze niet rechtsgeldig in kennis werd gesteld. Toelichting: Mejuffrouw XXX, zijnde tweede verweerster, werd te Jakarta (Indonesië) op 10 oktober 1984 geboren en is alzo op 10 oktober 2002 meerderjarig geworden. XIV-15.210-3/7 Niettegenstaande het feit dat tweede verzoekster reeds meerderjarig was, werd de bestreden beslissing enkel ter kennis gebracht aan eerste verzoekster, zijnde de moeder. Tweede verzoekster heeft alzo niet geldig kennis genomen van de bestreden beslissing, zodat deze beslissing haar niet geldig kan worden tegengeworpen. Deze kennisgeving heeft wel degelijk zijn belang waar vanaf die datum de termijn om een beroep tot nietigverklaring, dan wel vordering tot schorsing, begint te lopen. De kennisgeving op zich dient alzo minstens tav tweede verweerster te worden vernietigd. Het middel is gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeksters zich beperken tot het formuleren van kritiek op de “akte van kennisgeving” en de kennisgeving zelf van de bestreden beslissing zonder te preciseren welke rechtsbeginselen of bepalingen zij geschonden achten; dat verzoeksters het niet aan de Raad van State mogen overlaten om uit die uiteenzetting een middel te distilleren; dat, hoe het ook weze, een gebrek in de “akte van kennisgeving” of kennisgeving niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat tweede en derde middel niet ontvankelijk zijn; 2.3.
- Overwegende dat verzoeksters als vierde middel aanvoeren: “IV.D. Vierde middel Doordat in de bestreden beslissing als reden van de beslissing enkel wordt verwezen naar art. 61 § 3 Wet 15 december
- En de Dienst Vreemdelingenzaken verder slechts stelde als zou: - aan de gezinsleden van een student, aan wie een machtiging tot verblijf is toegekend beperkt tot de duur van diens studies, kan onder dezelfde voorwaarden als de student een bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven worden, - betrokkene + het kind kwamen in 1995 naar België in gezinshereniging bij hun respectievelijke studerende echtgenoot/vader. Hij heeft nu zijn studies beëindigd en aldus dienen zij eveneens het land te verlaten. Terwijl art. 2 en 3 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen een materiële en formele motiveringsplicht oplegt aan de overheid. Zodat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd omwille van de niet naleving van wet van 29 juli
- Toelichting: Sedert voornoemde wet van 29 juli 1991 dient de Dienst Vreemdelingenzaken eveneens de feitelijke gegevens te vermelden op grond waarvan zij méént een bepaalde beslissing te kunnen nemen. Een beslissing is alzo onvoldoende gemotiveerd wanneer er enkel naar het toepasselijke artikel wordt verwezen. De verplichting om naar de feitelijke gegevens te verwijzen, dient zo gelezen te worden dat de Dienst Vreemdelingenzaken naar al de feitelijke gegevens dient te verwijzen waarvan zij op de hoogte is, dan wel moet zijn, en die een invloed kunnen hebben op de beslissing om al dan niet het grondgebied te verlaten. In casu wordt echter met geen woord gerept over de specifieke situatie van verzoeksters. Meer bepaald wordt nergens melding gemaakt van de meerderjarige zoon van de heer XXX en mevrouw XXX, die het 3 de jaar handelsingenieur volgt aan de KU Leuven en nog altijd is gedomicilieerd en woonachtig bij zijn ouders. Evenmin wordt er melding gemaakt van het feit dat tweede verzoekster op dit ogenblik het laatste jaar middelbaar onderwijs in het St. Pieterscollege te Leuven volgt en de bedoeling heeft om hierna nog hogere studies aan te vatten in België. Tenslotte wordt nergens melding gemaakt van het feit dat de heer XXX te Herent een handelszaak uitbaat, waarmee hij volledig voorziet in het onderhoud van zijn gezin, dat reeds jaren volledig geïntegreerd is in het Leuvense. XIV-15.210-4/7 Voormelde feitelijke gegevens hebben onmiskenbaar hun belang bij het nemen van een beslissing 'bevel om het grondgebied te verlaten' en geven alzo te kennen dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen rekening heeft gehouden met het recht op gezinsleven, gewaarborgd door art. 8 EVRM. Door geen rekening te houden met voormelde feitelijke gegevens, noch deze te vermelden bij het nemen van de bestreden beslissing, schendt de Dienst Vreemdelingenzaken de wet van 29 juli
- Het middel is dan ook gegrond.”; 2.3.
- Overwegende dat verzoeksters menen dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden is; dat verzoeksters stellen dat de beslissing niet afdoende is gemotiveerd aangezien zij enkel verwijst naar het toepasselijke artikel en er met geen woord wordt gerept over hun feitelijke situatie en die van hun gezin; dat, gelet op het feit dat verzoeksters enkel tot verblijf werden gemachtigd voor de duur van de studies van hun echtgenoot/vader, deze studies zijn afgelopen en hij niet meer over de nodige verblijfsdocumenten beschikt, de Minister van Binnenlandse Zaken in alle redelijkheid op basis artikel 61, § 2, 1/ van de Vreemdelingenwet verzoeksters een bevel kon geven om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat hij hierbij geen rekening diende te houden met de feitelijke situatie waarin zij en het gezin zich bevinden en deze gegevens dan ook niet in zijn motivering moest betrekken; dat de beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat verzoeksters als vijfde middel aanvoeren: “IV.E. Vijfde middel Doordat de bestreden beslissing dd. 28 mei 2002 werd genomen, doch slechts op 8 mei 2003 ter kennis werd gebracht aan verzoeksters. Terwijl een bevel om het grondgebied te verlaten binnen een redelijke termijn dient te worden ter kennis gebracht. Zodat de Dienst Vreemdelingenzaken haar zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsnorm, dan wel het vertrouwensbeginsel, heeft geschonden, door meer dan 11 maanden te wachten vooraleer de bestreden beslissing ter kennis te brengen van verzoeksters. Toelichting: De bestreden beslissing steunt zich op de beslissing die eveneens dd. 28 mei 2002 tav de heer XXX werd genomen en waarin melding werd gemaakt van het feit dat zijn bewijs tot inschrijving in het vreemdelingenregister is vertsreken sedert 31 oktober
- Niettegenstaande het voorgaande wordt er slechts anderhalf jaar later een beslissing genomen, om dan nog eens meer dan 11 maanden te wachten alvorens deze beslissing mee te delen aan verzoeksters. Verzoeksters hebben alzo geruime tijd geleefd, zonder dat zij zich bewust waren van hetgeen hen boven het hoofd hing. Alzo heeft de Dienst Vreemdelingenzaken minstens gedurende twee jaren ten onrechte bij verzoeksters de indruk gewekt als zouden zij niet uit het land worden gezet en werden er aldus foutieve verwachtingen gecreëerd bij verzoeksters. De Dienst Vreemdelingenzaken is als overheidsinstantie mede gehouden tot het naleven van de beginselen van behoorlijk bestuur. Alzo dient op grond van de rechtszekerheidsnorm aanvaard te worden dat de stabiliteit van definitief gevestigde individuele rechtssituaties en rechtsverhoudingen gewaarborgd worden, ook al zijn ze gegrondvest op onregelmatige administratieve rechtshandelingen. XIV-15.210-5/7 Na verloop van tijd worden de rechtssituaties en rechtsverhoudingen onaantastbaar, hetgeen in hoofde van het bestuur wordt verantwoord door de overweging dat het algemeen belang ermee gediend is dat beslissingen vrij snel onaantastbaar worden. In hoofde van de rechtsonderhorige roept de rechtszekerheidsnorm op tot het vredig bezit van het door hem bekomen voordeel. Door geen beslissing te nemen, dan wel geruime tijd te wachten alvorens verzoeksters in kennis te stellen van de bestreden beslissing, creëerde de Dienst Vreemdelingenzaken een specifieke situatie en liet zij verzoeksters in de waan zich in een rechtsgeldige situatie te bevinden. Volgens het vertrouwensbeginsel moet de rechtsonderhorige burger kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concreet geval heeft gedaan. In casu heeft het gezin XXX nooit in de obscure illegaliteit geleefd, waar zij vanaf hun aankomst in België, zijnde 1995, steeds zijn ingeschreven geweest bij de dienst bevolking van de stad Leuven, alsook actief deelnemen aan het sociale leven in Leuven en omstreken en sedert 2000 een handelszaak uitbaten. Het feit van de goede integratie van het gezin XXX toont eveneens aan dat zij ervan uitgingen dat zij zich in een rechtsgeldige situatie bevonden en tot het eind van hun dagen in België zouden kunnen blijven leven. Alzo heeft de Dienst Vreemdelingenzaken de zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsnorm geschonden, dan wel het vertrouwensbeginsel. Het middel is dan ook gegrond.”; 2.4.
- Overwegende dat verzoeksters zich beroepen op de schending van de zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsnorm en het vertrouwensbeginsel, aangezien de verwerende partij 11 maanden heeft gewacht vooraleer de bestreden beslissing ter kennis te brengen; dat het feit dat de verwerende partij 11 maanden heeft gewacht om het door haar genomen bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, te betekenen, geen afbreuk kan doen aan de vaststelling dat verzoeksters reeds sedert 31 oktober 2000 illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven; dat de aangehaalde beginselen niet meebrengen dat de waan van verzoeksters dat zij hier rechtsgeldig verblijven, zou leiden tot het handhaven van een onwettige toestand; dat er derhalve geen schending van de in het middel aangehaalde beginselen kan worden aangenomen; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.5.
- Overwegende dat verzoeksters als zesde middel aanvoeren: “V.F. Zesde middel Doordat de bestreden beslissing verzoekster verplicht om voor 23 mei 2003 het grondgebied te verlaten. Terwijl verzoeksters sedert 1995 onafgebroken in België wonen, hier volledig geïntegreerd zijn en al hun belangen alhier gevestigd zijn. Zodat de bestreden beslissing iedere redelijkheidsnorm schendt. Toelichting: Verzoeksters hebben supra reeds uitvoerig aangetoond hoe zij volledig geïntegreerd zijn in België, meer bepaald in Leuven en omstreken en hoe dit in de loop van de jaren hun eigenlijke vaderland is geworden. Tweede verzoekster beëindigt dit jaar haar studies middelbaar onderwijs en beoogt hogere studies in België aan te vatten. Indien verzoeksters verplicht worden om België te verlaten wordt iedere redelijkheid geschonden. Het middel is dan ook gegrond.”; XIV-15.210-6/7 2.5.
- Overwegende dat verzoeksters zich beroepen op de schending van de redelijkheidsnorm; dat verzoeksters stellen dat zij en hun gezin zijn geïntegreerd in de loop van de jaren; dat dit geen afbreuk doet aan de wettigheid van de bestreden beslissing; dat verzoeksters immers niet ontkennen dat zij een verblijfsvergunning hadden gekregen voor de duur van de studies van hun echtgenoot/vader en dat hij zijn studies heeft beëindigd; dat de Minister verzoeksters dus in alle redelijkheid een bevel kon geven om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de schending van de redelijkheidsnorm niet kan worden aangenomen; dat het zesde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.210-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.