← België

Arrest 159907 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.907 Rolnummer: A. 139186/XIV-15963 Zaak: Arrest 159907 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 21:40 Fiche Arrest nr 159.907 van 12 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.907 van 12 juni 2006 in de zaak A. 139.186/XIV-15.963. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. de VIRON, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Wijnheuvelenstraat 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 15 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van, enerzijds, de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 april 2003 waarbij de aanvraag tot regularisatie wordt verworpen en, anderzijds, van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 31 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.963-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM die, loco Advocaat I. de VIRON verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat A. DE MEU die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX, van Turkse nationaliteit, heeft op 18 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 1/ en 2, 4/. 1.2. Op 11 mei 2001 stelt het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig is, en zendt de aanvraag met een gunstig advies voor beslissing over aan de Minister. 1.3. Op 1 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag tot regularisatie werd verworpen. Dit is de eerste bestreden beslissing: “(...) De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid het artikel 2 en 9; Gelet op de regularisatieaanvraag ingediend op 18 januari 2000 door XXX, geboren op 20 november 1968 te Polu, van Turkse nationaliteit, gebaseerd op het artikel 2 alinea 1 (de vreemdeling die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling heeft aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar, deze termijn wordt teruggebracht tot drie jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan) en het artikel 2 alinea 4 (de vreemdeling die humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale bindingen in België heeft ontwikkeld); Gezien het gunstig advies van de Commissie voor Regularisatie van 11 november 2000, gebaseerd op het voornoemde criterium van artikel 2 alinea 1 XIV-15.963-2/6 Overwegende dat betrokkene zich op 31 december 1993 vluchteling verklaarde; Overwegende dat de asielprocedure van betrokkene definitief werd afgesloten op 19 november 1998 door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen met de bevestiging van de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen tot weigering van het statuut van vluchteling van 5 september 1996, beslissing hem betekend op 30 november 1998; Overwegende dat betrokkene beweert dat zijn echtgenote, Y. Ze., in 1990 is overleden; Overwegende dat betrokkene beweert twee kinderen te hebben: B. M., geboren op 10 augustus 1987 te Polu, van Turkse nationaliteit en B. O., geboren op 21 juni 1985 te Polu, van Turkse nationaliteit; Overwegende dat betrokkene beweert dat beide voornoemde kinderen student zijn en dat zij zich in Turkije bevinden; Overwegende dat de duurzame sociale bindingen van betrokkene dus in Turkije liggen; Overwegende dat hij op 27 mei 1997 in Nederland wordt aangehouden wegens illegaal verblijf; Overwegende dat hij begin maart 1998 wordt aangehouden omdat hij zich in een vrachtwagen op weg naar Groot-Brittannië bevindt; Overwegende dat door de politie op 9 juni 1998 door de politie wordt vastgesteld dat betrokkene niet meer op het opgegeven adres te Antwerpen verblijft; BESLIST DAT de aanvraag van regularisatie tot verblijf ingediend door de voornoemde persoon in het kader van de wet van 22 december 1999 wordt verworpen. (...)”; 1.4. Op 23 juni 2003 wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing: “(...) ORDRE DE QUITTER LE TERRITOIRE - Modèle B En exécution de la décision du Ministre de l'intérieur prise en date du 01/04/2003 il est enjoint au nommé XXX, né à Polu le 20/11/1968, de nationalité Turquie de quitter, au plus tard le 08 juillet 2003 le territoire de la Belgique ainsi que le(

  1. s)territoire(
  2. s)des Etats suivants : Allemagne, Autriche, Espagne, France, Grèce, Italie, Luxembourg, Pays-Bas, Portugal, Norvège Suède, Finlande, Islande et Danemark. Motif de la décision : - Demeure dans le Royaume au-delà du délai fixé conformément à l'article 6 ou ne peut apporter la preuve que ce délai n'est pas dépassé (article 7, al. 1, 2/ de la loi du 15/12/1980). - N'a pas été reconnu comme réfugié (A.R. du 8/10/1987 - Article 77). Motivation en fait : - La demande de régularisation introduite sur base de la Loi du 22/12/1999 a été définitivement rejetée par décision Ministérielle du 01/04/2003. - La demande d'asile introduite par l'intéressé a été définitivement clôturée. A défaut d'obtempérer à cet ordre, le (
  3. la)prénommé(
  4. e)s'expose, sans préjudice de poursuites judiciaires sur la base de l'article 75 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l’éloignement des étrangers, à être ramené(
  5. e)à la frontière et à être détenu(
  6. e)à cette fin pendant temps strictement nécessaire pour l'exécution de la mesure, conformément à l'article 27 de la même loi. (...)”; 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Wat de beslissing tot regularisatie betreft: XIV-15.963-3/6 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Premier moyen : violation de l'article 12 § 4 de la loi du 22.12.1999: En ce que la décision a été prise en violation de l'article 12 § 4 de la loi puisque si le Ministre estime devoir s'écarter de l'avis favorable rendu par le secrétariat de la Commission, il doit saisir une chambre de la Commission de Régularisation qui, après une procédure contradictoire, émet un nouvel avis. Or, en espèce, le Ministre de l'intérieur a rejeté d'emblée la demande régularisation sur base de l'avis favorable du secrétariat sans soumettre la demande régularisation à la Commission. L'acte doit donc être annulé, le Ministre de l'intérieur ayant violé l'article 11 de la loi et commis un excès de pouvoir en prenant immédiatement une décision sans demander l'avis de la Commission de Régularisation.”; 2.1.2. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 12, § 4 van de Regularisatiewet; dat artikel 12, § 4 luidt als volgt: “Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig is, en dat prima facie blijkt dat de aanvraag kan leiden tot een gunstig advies, zendt het deze met een gunstig advies voor beslissing over aan de minister. Als de minister wenst af te wijken van dit advies, maakt hij de aanvraag aanhangig bij een kamer van de Commissie voor regularisatie, die na een procedure op tegenspraak, een nieuw advies uitbrengt. De aanvraag wordt vervolgens opnieuw overgezonden aan de minister, die een definitieve beslissing neemt.”; dat uit de stukken van het administratief dossier inderdaad blijkt dat het secretariaat van de Commissie voor regularisatie op 11 mei 2001een gunstig advies heeft verleend op basis van artikel 12, § 4 van de Regularisatiewet; dat, hoewel in de bestreden weigeringsbeslissing wordt verwezen naar een gunstig advies van de Commissie voor regularisatie van “11 november 2000", uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat de Minister, alvorens de bestreden weigeringsbeslissing te nemen, de aanvraag aanhangig zou hebben gemaakt bij een kamer van de Commissie voor regularisatie, die daarop een nieuw advies zou hebben uitgebracht; dat, gelet op het voorgaande dient aangenomen dat artikel 12, § 4 van de Regularisatiewet is geschonden aangezien de Minister, na het gunstig advies van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie, geen weigeringsbeslissing kon nemen zonder een advies van een kamer van de Commissie voor regularisatie; dat het eerste middel gegrond is; XIV-15.963-4/6 2.2. Wat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betreft: Overwegende dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 23 juni 2003 is gesteund op de weigeringsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 april 2003; dat, gezien het beroep tegen deze beslissing gegrond is, ook het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten dient te worden vernietigd; 3. Over de vordering tot schorsing. Overwegende dat, aangezien de bestreden beslissingen worden vernietigd, er dan ook geen reden meer is om ze te schorsen; 4. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd worden de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 april 2003 waarbij de aanvraag tot regularisatie van verzoeker wordt verworpen en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten aan verzoeker ter kennis gebracht op 23 juni 2003. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-15.963-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.963-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.