id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.908 Rolnummer: A. 132588/XIV-13704 Zaak: Arrest 159908 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 21:40 Fiche Arrest nr 159.908 van 12 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.908 van 12 juni 2006 in de zaak A. 132.588/XIV-13.
- In zake : XXX, wonende te 2018 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 3 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 januari 2003 houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.704-1/4 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat H. VAN VRECKOM die, loco Advocaat M. DRIESSEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat A. DE MEU die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Angolese nationaliteit, komt samen met zijn echtgenote E. J., op 8 oktober 2001 in België binnen waar zij zich op dezelfde dag vluchteling verklaren. 1.
- Deze asielaanvraag wordt ten aanzien van verzoeker op 22 augustus 2002 afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen houdende weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Verzoeker dient op 25 september 2002 bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in van de voormelde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Bij arrest nummer 155.355 van 21 februari 2006 wordt de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen door de Raad van State vernietigd. 1.
- Op 9 januari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht op 13 januari
- Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken of van zijn gemachtigde, genomen op 9 januari 2003 wordt aan : Naam, voornamen: XXX geboren te/op: Ndalatando, 5 mei 1960 nationaliteit: Angola bevel gegeven het grondgebied van het Rijk te verlaten uiterlijk op 12 februari 2003 met verbod zich naar, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Portugal, Spanje, Italië, Oostenrijk en Griekenland te begeven. REDEN VAN DE BESLISSING XIV-13.704-2/4 Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art. 7, alinea 1,2/). Werd niet erkend als vluchteling (K.B. van 8 oktober 1981 - art. 77). Indien hij/zij dit bevel niet opvolgt, loopt de voornoemde gevaar, onverminderd rechtsvervolging op grond van art.75 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig art.27 van dezelfde wet. (...)”;
- Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat het bestreden bevel als rechtsgrond vermeldt: artikel 7, alinea 1, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 77 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 in uitvoering van voormelde wet; dat daarenboven het bestreden bevel steunt op de omstandigheid dat verzoeker niet werd erkend als vluchteling; dat het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 in artikel 77, lid 1, bepaalt dat "de vreemdeling die niet als vluchteling erkend is, het grondgebied (moet) verlaten"; dat het tweede lid van hogergenoemd artikel uitdrukkelijk bepaalt dat "de Minister of zijn gemachtigde geeft hem (vreemdeling) daartoe het bevel. Aan de vreemdeling wordt kennis gegeven van de beslissing door afgifte van het document overeenkomstig het model bijlage 13 (...)”; dat op 22 augustus 2002 de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten opzichte van verzoeker de beslissing nam tot weigering van erkenning van de hoedanigheid als vluchteling; dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een rechtsprekende beslissing is en moet worden geacht met de wet overeen te stemmen, zolang ze niet door de Raad van State is vernietigd; dat bij arrest nummer 155.355 van 21 februari 2006 de voornoemde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen evenwel door de Raad van State werd vernietigd; dat dit tot gevolg heeft dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen opnieuw zal moeten beslissen over de eventuele erkenning van verzoeker als vluchteling; dat dit eveneens tot gevolg heeft dat het bestreden bevel, welk is gesteund op de voormelde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet meer ten uitvoer mag worden gelegd; dat de rechtszekerheid vereist dat het bestreden bevel wordt vernietigd;
- Over de vordering tot schorsing. Overwegende dat, aangezien de bestreden beslissing wordt vernietigd, er dan ook geen reden meer is om ze te schorsen; XIV-13.704-3/4
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 januari 2003 houdende het bevel, gericht aan verzoeker, om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.704-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.