← België

Arrest 159918 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.918 Rolnummer: A. 138788/XIV-15822 Zaak: Arrest 159918 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 21:41 Fiche Arrest nr 159.918 van 12 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.918 van 12 juni 2006 in de zaak A. 138.788/XIV-15.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, op 7 juli 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 juni 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 16 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; XIV-15.822-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, komen in België binnen op 8 juli 1999 waar zij zich op 9 juli 1999 vluchteling verklaren. 1.
  6. Op 30 mei 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 13 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit zijn de bestreden beslissingen : Wat XXX betreft : “A. Vluchtrelaas U bent een etnische Albanees afkomstig uit Gadime e Epermë (gemeente Lipjan), Kosovo. U bent sympathiserend lid van de Democratische Liga van Kosovo (LDK). Tijdens het etnische conflict in Kosovo kwam de Servische politie op 15 april 1999 naar uw dorp en ze gebood u te vluchten. U verliet Gadime samen met uw echtgenote, die toen zwanger was, met uw vader, uw broer en diens echtgenote, richting Albanië. Op de vluchtweg werd een oom van u door de Servische politie uit de vluchtende massa gehaald. Hij kon zijn leven redden door een grote geldsom te betalen. In Albanië verbleef u ruim twee maanden in een vluchtelingenkamp. Omdat de levensomstandigheden er beneden alle peil waren, verliet u Albanië samen met uw echtgenote, richting België, waar u op 8 juli 1999 aankwam. De volgende dag vroeg u hier asiel aan. Nog in 1999 keerden uw vader, uw broer en schoonzus naar Kosovo terug. U verklaart momenteel niet naar Kosovo terug te willen omdat er onvoldoende veiligheid heerst en omdat u het er financieel moeilijk zou hebben. Bovendien zouden XIV-15.822-2/10 uw zoon Ardit omwille van pneumokokken en uw echtgenote omwille van rugklachten hier medisch behandeld worden. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw paspoort, uitgereikt te Prishtina op 27 mei 1998; uw geboorteakte, uitgereikt te Babus op 23 januari 1998; uw huwelijksakte, uitgereikt te Babus op 18 juni 1998; uw diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt te Lipjan op 15 juni 1994; de Belgische geboorteakte van uw zoon Ardit, uitgereikt te Eeklo op 17 december 1999; vijf Belgische attesten die bevestigen dat u, uw echtgenote en uw zoontje hier lessen volgen; twee Belgische gehoorproeven betreffende uw zoon Ardit; een Belgisch attest dat bevestigt dat uw zoon Ardit de infectieziekte pneumokokken heeft gehad en dat hij nu deelneemt aan een geneeskundig onderzoek, dd. 26 februari 2003; een Belgisch medisch attest waarin de arts bevestigt dat uw zoon post-infectieus gedurende een jaar in België gevolgd dient te worden; uw aanvraag tot regularisatie. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende persoonlijke feiten of elementen heeft aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat u bij een terugkeer naar Kosovo het risico loopt op een persoonlijke en systematische vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Sinds uw vertrek medio 1999 is de situatie in Kosovo immers gevoelig gewijzigd. Uw ingeroepen vluchtmotief, met name de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese bevolking in Kosovo, is niet meer actueel. Overeenkomstig Resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, hebben de Servische ordetroepen en autoriteiten zich immers uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. Wat betreft het feit dat de veiligheid in Kosovo nog niet optimaal is en dat er nog moorden zouden plaatsvinden (gehoor CGVS p. 8), dient te worden opgemerkt dat u zich in geval van moeilijkheden steeds kan wenden tot de (nieuwe) lokale autoriteiten of de ter plaatse aanwezige vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap die ernstige inspanningen leveren om de orde en rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven en het garanderen van de veiligheid voor alle Kosovaarse burgers. Verder blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, dat de criminaliteit in Kosovo het laatste anderhalf jaar een significante daling kende. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat uw vader en broer zich momenteel opnieuw zonder noemenswaardige problemen in Kosovo bevinden (gehoor CGVS p. 7). Het feit dat u in Kosovo over onvoldoende financiële middelen zou beschikken (gehoor CGVS p. 9), is ten slotte een probleem van socio-economische aard dat niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteert. Wat betreft de neergelegde documenten die de ziekte van uw zoon bevestigen, dient opgemerkt te worden dat het aangehaalde probleem van medische aard is en als dusdanig evenmin onder de criteria van de Geneefse Conventie ressorteert. Hetzelfde dient gesteld aangaande de rugklachten van uw echtgenote. In dit verband dient nog te worden toegevoegd dat uit informatie waarover een Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt dat in Lipjan afdoende medische instellingen en NGO's aanwezig zijn waar u voor gespecialiseerde medische hulp terecht kan. Voor een verblijfsvergunning op basis van medische gronden dient u verder de daartoe in België geëigende procedures aan te wenden. De overige door u neergelegde documenten bevestigen uw inspanning tot integratie maar zijn niet van die aard om alsnog bovenstaande vaststellingen te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving XIV-15.822-3/10 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Wat XXX betreft : “A. Vluchtrelaas U bent een etnisch Albanese afkomstig uit Gadime e Ulet (gemeente Lipjan), Kosovo. Tijdens het etnisch conflict in Kosovo kwam de Servische politie op 15 april 1999 naar uw dorp en ze gebood u te vertrekken. U verliet Gadime samen met uw echtgenoot en uw schoonfamilie, richting Albanië. Op de vluchtweg werd een oom van uw echtgenoot door de Servische politie uit de vluchtende massa gehaald. Hij kon zijn leven redden door een grote geldsom te betalen. In Albanië verbleef u ruim twee maanden in een vluchtelingenkamp. Omdat de levensomstandigheden er beneden alle peil waren, verliet u Albanië samen met uw echtgenoot, richting België, waar u op 8 juli 1999 aankwam. De volgende dag vroeg u hier asiel aan. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw paspoort, uitgereikt te Prishtina op 15 juli 1998 en uw geboorteakte, uitgereikt te Lipjan op 19 juni
  8. B. Motivering Volgens uw opeenvolgende verklaringen steunt u uw asielaanvraag op dezelfde asielmotieven als die van uw echtgenoot, XXX. Daar in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd, kan ten aanzien van u evenmin worden gesteld dat u bij een eventuele terugkeer naar Kosovo een gegronde vrees voor vervolging in de zin van Vluchtelingenconventie dient te hebben. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren : “
  11. Eerste middel: Schending van het artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en van het algemene rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging. Dat verzoekers’ asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn door het Commissariaat-generaal behandeld werd, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Immers verzoekers vroegen in België op 9 juli 1999 de status van vluchteling aan. Op 30 mei 2000 werd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het XIV-15.822-4/10 grondgebied te verlaten genomen. Op 22 juni 2000 werd door verzoekers tegen deze beslissing een dringend beroep ingediend bij het Commissariaat-generaal. Op 13 juni 2003, derhalve vier jaar na het indienen van hun asielaanvraag en drie jaar na de indiening van een dringend beroep, werd een beslissing door de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen genomen ten aanzien van verzoekers. Dat derhalve kan gesteld worden dat elke redelijke termijn overschreden werd. Dat daarenboven de be(s)treden beslissing het artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Titel III, Hoofdstuk Ibis) schendt. Dat dit artikel duidelijk het volgende stelt : « de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten bevestigt de aangevochten beslissing of beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk is en dat de betrokkene voorlopig toegelaten wordt tot binnenkomst, verblijf of vestiging in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in afwachting van een beslissing in de zin van artikel 57/6 eerste lid, 1, binnen dertig werkdagen na de indiening van het beroep.» Dat deze termijn door de Commissaris-generaal ruim overschreden werd. Dat bovendien het algemene rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging geschonden wordt doordat alleen de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft volgens het artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan optreden indien binnen de termijn bepaald in artikel 63/3, eerste lid geen beslissing na indiening van het dringend beroep door de Commissaris- generaal genomen werd. Dat het Arbitragehof in zijn arrest van 13 november 1996 stelde dat het artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het bepaalt dat de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, de Vaste Beroepscommissie kan adiëren indien de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over een dringend beroep geen uitspraak heeft gedaan binnen de termijn bepaald in artikel 63/3, eerste lid, van de genoemde wet, maar aan de asielzoeker niet hetzelfde recht toekent.”; 2.1.2.
  12. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging; dat verzoekers aanvoeren dat hun asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn werd behandeld; 2.1.2.
  13. Overwegende dat verzoekers niet kunnen worden gevolgd; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat zij hun asielaanvraag indienden op 9 juli 1999 en dat de bestreden beslissingen dateren van 13 juni 2003; dat, hoewel dient vastgesteld dat zulks een vrij lange termijn betreft, rekening dient gehouden met het groot aantal asielaanvragen uit die periode én met het feit dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen elke asielaanvraag aan een gedetailleerd individueel onderzoek onderwerpt; dat, waar verzoekers verwijzen naar de termijn van 30 werkdagen van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, erop dient gewezen dat hieraan geen sanctie is verbonden; dat trouwens de vraag dient gesteld welk XIV-15.822-5/10 belang verzoekers in casu hebben bij het inroepen van een eventuele schending van deze bepalingen, aangezien zij, zolang er geen uitspraak was gedaan over hun dringend beroep, gerechtigd waren op het grondgebied te verblijven; dat verzoekers aanvoeren dat hun rechten van verdediging werden geschonden en daarbij verwijzen naar het arrest van het Arbitragehof van 13 november 1996 waarin werd gesteld dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet een schending inhield van de artikelen 10 en 11 G.W.; dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet ingevolge dit arrest van het Arbitragehof achteraf door de federale wetgever werd opgeheven; dat het eerste middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren : “
  15. Tweede middel: Schending van het artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ondertekend op 4 november 1950 te Rome, van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat verweerder in de bestreden beslissingen, genomen ten aanzien van verzoekers, het artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de u itdrukkelijke motiverin g v an d e b estu u rsh an d elin g en en d e zorgvuldigheidsverplichting, wanneer hij zonder gegronde redenen stelt dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Dat verzoekers evenwel vaststellen dat de feiten, waarop zij hun vrees voor vervolging baseerden, niet onderzocht werden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat verweerder derhalve onzorgvuldig tewerk ging en weinig interesse betuigde voor verzoeksters precieze problemen. Dat immers verzoekers van oordeel zijn dat de veiligheid in hun land geenszins gegarandeerd is. Dat de in Kosovo aanwezig internationale troepenmacht niet bij machte is in de regio het geweld een halt toe te roepen en in Kosovo geen greep krijgt op het KLA ("Kosovaars Bevrijdingsleger"), welke alles in het werk stelt om de macht in handen houden. Dat Kosovo "est dominée par “l’anarchie qui laisse la violence s'exercer sans opposition", celle-ci étant en grande partie attribuée à l’UCK, tandis que l’impunité règne au lieu de la justice". (cf stuk 2, Le courrier, 10.03.2000, Noam Chomsky, "Un an après le "guerre du Kosovo", http://www.fastnet.ch/PAGE2/chomsky/p2 postface.html). Dat er een duidelijk verband kan worden aangetoond tussen de Albanese maffia en het Kosovaars Bevrijdingsleger (cf stuk 3, "Kosovo Liberation Army, freedom fighters or...., truth in facts and testimonies, articles on KLA-Kosovo-Drugs-Mafia and Fundraising", http://www.kosovo.com/kla3.html) Dat Albanese criminelen en maffia-leden, die lid waren van het KLA, dat later werd omgevormd tot Kosovo Beschermings Korps (KPC-Kosovo Protection Corps), ongestraft blijven (cf. stuk 4, Timothy Bankcorft-Hinchey, "Kosovo: De Waarheid", http://www.ncpn.nl/archief/2001/19/kosovo.htm). XIV-15.822-6/10 Dat derhalve, gezien de maffia de facto aan de macht is in Kosovo en straffeloosheid er heerst, verzoekers bij een terugkeer naar hun land het slachtoffer zullen worden van vervolgingen zonder dat zij de bescherming kunnen inroepen van de Joegoslavische autoriteiten of de in Kosovo aanwezige internationale vredesmacht. Dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen heeft nagelaten verzoekers vrees voor vervolging te toetsen aan de criteria voorzien in het art. 1,A
(2)van de Vluchtelingenconventie. Dat derhalve de beslissing, welke besluit tot een kennelijk ongegronde asielaanvraag, niet afdoende gemotiveerd is en de artikelen 1,A
(2)en 33 (non-refoulementbeginsel) schendt. Dat daarnaast een terugleiding naar Kosovo schending inhoudt van het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome. Immers artikel 3 EVRM stelt duidelijk dat «niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.» Dat verzoekers vrezen in hun land opnieuw het slachtoffer te worden van vervolgingen, folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Dat verweerder in de bestreden beslissingen, genomen ten aanzien van verzoekers, de artikelen 1,A
(2)en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 ; het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome ;de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting, wanneer hij nalaat een onderzoek in te stellen naar verzoekers vrees voor vervolging bij een terugkeer naar hun land.”; 2.2.2.1. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van “het artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting”; dat verzoekers de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijten de door hen aangehaalde feiten onvoldoende te hebben onderzocht en getoetst aan de criteria voorzien in artikel 1, A,
(2)van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekers stellen dat “de in Kosovo aanwezig internationale troepenmacht niet bij machte is in de regio het geweld een halt toe te roepen en in Kosovo geen greep krijgt op het KLA”; dat daarnaast verzoekers erop wijzen “dat er een duidelijk verband kan worden aangetoond tussen de Albanese maffia en het Kosovaars Bevrijdingsleger”, hetgeen hen doet besluiten dat zij “bij een terugkeer naar hun land het slachtoffer zullen worden van vervolgingen zonder dat zij de bescherming kunnen inroepen van de Joegoslavische autoriteiten of de in Kosovo aanwezige internationale vredesmacht”; dat verzoekers in dat verband verwijzen naar een aantal pers- en internetartikelen; 2.2.2.2. Overwegende dat erop dient gewezen dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat XIV-15.822-7/10 betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever gebruik werd gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu oordeelt, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, dat de asielaanvraag van verzoeker (de bestreden beslissing t.a.v. verzoekster verwijst naar de bestreden beslissing t.a.v. verzoeker aangezien verzoekster zich ter staving van haar asielaanvraag baseert op dezelfde motieven als haar echtgenoot) kennelijk ongegrond is, omwille van het feit dat verzoeker “onvoldoende persoonlijke feiten of elementen heeft aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat (hij) bij een terugkeer naar Kosovo het risico loopt op een persoonlijke en systematische vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat de toestand in Kosovo intussen “gevoelig gewijzigd” is en hierbij verwijst naar Resolutie 1244 van de VN- Veiligheidsraad van 10 juni 1999; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verder benadrukt dat verzoeker “zich in geval van moeilijkheden steeds kan wenden tot de (nieuwe) lokale autoriteiten of de ter plaatse aanwezige vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap die ernstige inspanningen leveren om de orde en rust te herstellen”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er ook op wijst dat uit de informatie waarover hij beschikt, blijkt dat “de criminaliteit in Kosovo het laatste anderhalf jaar een significante daling kende” en er aan toevoegt dat verzoekers vader en broer “zich momenteel opnieuw zonder noemenswaardige problemen in Kosovo bevinden”; dat, met betrekking tot het feit dat verzoeker in Kosovo “over onvoldoende financiële middelen zou beschikken”, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten slotte nog stelt dat zulks een probleem is van sociaal-economische aard dat als dusdanig niet ressorteert onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker geen enkele poging onderneemt om deze motieven te weerleggen; dat verzoeker enkel verwijst naar pers- en internetartikels die de algemene situatie in Kosovo, zijn land van herkomst, weergeven, zonder dit te betrekken op zijn persoonlijke situatie; dat verzoekers argumenten niet volstaan om de motivering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te weerleggen; dat van een kandidaat-vluchteling immers wordt verwacht dat hij voldoende concrete elementen aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker nergens aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onredelijk oordeelde waar hij vaststelde dat verzoeker geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij anno 2003 bij een eventuele terugkeer naar Kosovo een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben; dat de bestreden beslissing voldoende feitelijk en rechtens relevante elementen bevat opdat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan besluiten tot de kennelijke XIV-15.822-8/10 ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoeker; dat een schending van de motiveringsplicht niet kan worden aangenomen; dat erop dient gewezen dat de bescherming, verleend in artikel 3 van het E.V.R.M., slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing kan vinden; dat verzoekers dan ook hun beweringen dienen te staven met een begin van bewijs; dat verzoekers zich echter beperken tot blote beweringen en geenszins in concreto aantonen dat zij een ernstig en reëel risico lopen te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling, zodat een schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet kan worden aangenomen; dat, inzake de door verzoekers aangevoerde schending van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie, dient opgemerkt dat uit de bespreking van het middel blijkt dat verzoekers niet als vluchteling in de zin van artikel 1, A
(2)van de Vluchtelingenconventie zijn erkend, zodat zij zich niet dienstig kunnen beroepen op artikel 33 van de Vluchtelingenconventie; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  1. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-15.822-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.822-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.