← België

Arrest 159923 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.923 Rolnummer: A. 132260/XIV-13611 Zaak: Arrest 159923 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 21:41 Fiche Arrest nr 159.923 van 12 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.923 van 12 juni 2006 in de zaak A. 132.260/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. de KERCHOVE, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, de Wynantsstraat 23 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 23 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; XIV-13.611-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. LEJEUNE die, loco Advocaat G. de KERCHOVE verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is in België binnengekomen op 24 mei 1999 en heeft zich de volgende dag vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 28 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 24 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 juli 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese, afkomstig uit Pejë, Kosovo en van Joegoslavische nationaliteit. Op 24 maart 1999 zou u met uw dochter naar het ziekenhuis van Pejë zijn gegaan om haar te laten behandelen voor een trauma dat ze tijdens de oorlog zou hebben opgelopen. Na deze consultatie zou u het door de massale aanwezigheid van Servische soldaten op straat niet hebben aangedurfd om terug naar huis te keren. U zou naar een tante zijn gegaan die in de buurt woonde. Nog diezelfde avond zou u getuige zijn geweest van de moord op uw neef. Hij zou geweigerd hebben Servische soldaten een som geld te geven, waarna hij zou zijn doodgeschoten. De volgende morgen zou u met uw gezin naar uw ouders zijn gegaan, waar u tot 28 maart 1999 zou hebben verbleven. Op die dag zouden de Serviërs u en uw familie uit uw ouderlijke woning hebben verjaagd. U zou vervolgens naar Montenegro zijn gevlucht, waar u tot 20 mei 1999, de dag van uw vlucht naar België, zou hebben gewoond. U zou op 22 mei 2002 in gezelschap van uw gezin in België zijn aangekomen. Op 25 mei 1999 hebt u hier een asielaanvraag ingediend. U verklaarde niet naar Kosovo terug te kunnen keren uit een gebrek aan onvoldoende woonruimte aldaar en omdat de economische situatie er slecht is. U bent in het bezit van een Joegoslavisch paspoort, XIV-13.611-2/7 uitgereikt te Pejë op 25 april 1999; een Joegoslavische identiteitskaart; een rijbewijs; een kinderpas van uw zoon en dochter; een huwelijksakte; een geboorteakte en van een aantal medische attesten in verband met de psychische toestand van uw dochter. Er dient te worden vastgesteld dat u geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u bij een eventuele terugkeer naar Kosovo anno 2002 een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben. Sinds uw vertrek uit uw geboortestreek eind maart 1999 is de situatie daar ondertussen gevoelig gewijzigd en is er een einde aan de oorlog gekomen. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, zijn het bestuur en de controle van Kosovo in de handen van de internationale gemeenschap, die ernstige inspanningen levert om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven aldaar. Bovendien hebben de Servische autoriteiten en ordetroepen zich sinds juni 1999 uit Kosovo teruggetrokken. De door u aangehaalde elementen waarom u niet naar Kosovo kan terugkeren, met name de slechte economische situatie en het gebrek aan voldoende woonruimte (CGVS-gehoorverslag p. 6 en 7), zijn problemen van socio-economische aard die als dusdanig niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. (...).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  7. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Formulering Genomen van de schending van artikel 1.a.2 van de Conventie van Genève dd. 28 juli 1951 betreffende de hoedanigheid van vluchteling, eveneens van de schending van artikel 52 van de wet van 15 december
  8. DOORDAT Tegenpartij stelt dat "verzoekster geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat zij bij een eventuele terugkeer naar Kosovo een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben". TERWIJL Deze vaststelling tegenstrijdig is met het gedetailleerd relaas van verzoekster en van de door haar aangehaalde feitelijke gegevens. Dat het blijkt uit haar relaas dat verzoekster geen andere keuze heeft gehad haar land van oorsprong te verlaten, dat elke terugkeer onmogelijk is en dat hij wel een ernstige gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat het CGVS zijn beslissing baseert op het feit dat de oorlogssituatie in Kosovo gevoelig gewijzigd is en aan de oorlog een einde gekomen is; Dat het CGVS naar geen enkel officieel document verwijst om deze bewering te ondersteunen; Dat het belangrijk is te verwijzen naar een verslag van Amnesty International van december 2002 (ref.: EUR 70/010/02 DOCUMENT PUBLIC SF 02 CO 491) dat als volgt kan worden geresumeerd: «Amnesty International est actuellement préoccupée par un certain nombre de problèmes concernant la situation des droits de l'homme dans la République Fédérale de Yougoslavie. (...) Amnesty International est également préoccupée par les nombreuses allégations faisant état de tortures et de mauvais traitements qui seraient, dans tout le pays, infligés par les membres des force de police et par le fait que les autorités ne font apparemment rien pour apporter une solution à ce problème. L'absence d'enquêtes et de poursuites adéquates perpétue un climat d'impunité analogue à celui qui existe en matière de crimes de guerre et de crimes contre l'humanité. Une autre des préoccupations d'Amnesty International est l'apparente incapacité des autorités de la République Fédérale de Yougoslavie à prendre des mesures adéquates afin de protéger certains éléments de la population des attaques qu'ils subissent en XIV-13.611-3/7 raison de leur appartenance ethnique ou de leur orientation sexuelle, de la part de personnes n'appartenant pas à l'Etat et à traduire en justice les auteurs de ces violations. L'Organisation est également préoccupée par la discrimination dont les Roms continuent à être victimes, particulièrement les Roms du Kosovo qui ont été déplacés à la suite du conflit de
  9. Parmi les préoccupations d'Amnesty International figure aussi l'absence d'un vrai service de remplacement, exempt de tout caractère punitif, pour les objecteurs de conscience ». In het verslag Amnesty International 2002 wordt vermeld dat: “In Kosovo vonden opnieuw etnisch gemotiveerde aanslagen plaats op minderheden en op gematigde politici om politieke redenen, met name vóór de verkiezingen van november, waarbij spanningen tussen Servische en Albanese gemeenschappen leidden tot schendingen van mensenrechten. Het VN-Interimbestuur in Kosovo en de NAVOVredesmacht KFOR slaagden er niet in de mensenrechten afdoende te beschermen en te bevorderen”. Dat uit deze verslagen duidelijk blijkt dat personen zoals verzoekster die van Kosovaarse afkomst zijn nog vandaag slachtoffers zijn van aanvallen omwille van hun etnische afkomst; Dat verzoekster dus een gegronde vrees voor vervolging heeft;”; 2.1.2.
  10. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van artikel 1, A

(2)van de Conventie van Genève en van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing baseert op het feit dat de oorlogssituatie in Kosovo gevoelig gewijzigd is en aan de oorlog een einde is gekomen, maar dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen naar geen enkel officieel element verwijst om deze bewering te ondersteunen; dat verzoekster verwijst naar een verslag van Amnesty International van december 2002, waaruit hij afleidt dat personen van Kosovaarse afkomst vandaag nog slachtoffers zijn van aanvallen omwille van hun etnische afkomst. 2.1.2.
  1. Overwegende dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat luidens artikel 52 van de Vreemdelingenwet een asielaanvraag onontvankelijk mag worden verklaard wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond heeft verklaard en zich hiervoor steunde op het motief dat verzoekster geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat zij bij een eventuele terugkeer naar Kosovo anno 2002 een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van volgende overwegingen tot deze vaststelling kwam: sinds verzoeksters vertrek uit Kosovo eind maart 1999 is de situatie gevoelig gewijzigd en is er een einde gekomen aan de oorlog; XIV-13.611-4/7 overeenkomstig resolutie 1244 zijn het bestuur en de controle van Kosovo in handen van de internationale gemeenschap, die ernstige inspanningen levert om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven; de Servische autoriteiten en ordetroepen hebben zich sinds juni 1999 uit Kosovo teruggetrokken; de door verzoekster aangehaalde elementen (namelijk het beschikken over onvoldoende woonruimte en het niet vinden van werk wegens de slechte economische situatie) zijn problemen van socio- economische aard die niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève; dat de bewering van verzoekster dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen naar geen enkel officieel document verwijst om de stelling dat de oorlogssituatie in Kosovo gevoelig is gewijzigd en aan de oorlog een einde is gekomen te ondersteunen, niet kan worden bijgetreden; dat in de bestreden beslissing immers uitdrukkelijk naar resolutie 1244 wordt verwezen; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de vaststelling kwam dat verzoeksters asielaanvraag kennelijk ongegrond is, niet alleen op basis van het feit dat de situatie in Kosovo gewijzigd is, maar tevens op basis van het feit dat de door verzoekster aangehaalde elementen problemen zijn van socio-economische aard; dat met de algemene verwijzing naar het rapport van Amnesty International verzoekster niet met concrete gegevens aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van onjuiste feitelijke gegevens tot zijn vaststelling van de actuele toestand in Kosovo is gekomen; dat zo uit de voorgebrachte verslagen van Amnesty International blijkt dat er in Kosovo anno 2002 nog talrijke schendingen van de mensenrechten voorkomen, er, anderzijds, niet afgeleid kan worden dat etnisch Albanezen -zoals verzoekster- er nog omwille van hun origine in gevaar zijn; dat door verzoekster trouwens niet in het minst wordt betwist dat - zoals ook in de bestreden beslissing wordt gesteld- de Servische autoriteiten en ordetroepen zich sinds juni 1999 uit Kosovo hebben teruggetrokken; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  2. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “Formulering Genomen van de machtsafwending en van de schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivatie van bestuursakten, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980, eveneens van de manifeste beoordelingsdwaling. DOORDAT Tegenpartij geen ernstig motief ziet dat een risico van schending van de Conventie van Genève zou kunnen rechtvaardigen in geval van verwijdering van verzoekster. TERWIJL Verzoekster wel een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève heeft, zodat zij in de onmogelijkheid staat in haar land van herkomst terug te keren, en dit om de aangehaalde asielmotieven. Tegenpartij heeft niet alle door verzoekster aangehaalde elementen in overweging genomen. Tegenpartij antwoordt dus niet op een gepaste manier aan de door verzoekster aangehaalde elementen teneinde haar vlucht uit haar land van herkomst en de onmogelijkheid om daar terug te keren te rechtvaardigen. Dat tegenpartij de stukken van het dossier en de asielaanvraag waarin verzoekster doet gelden dat de zoon van haar tante voor haar en haar dochter door Serviërs doodgeschoten werd, miskend heeft. XIV-13.611-5/7 Dat het de Raad van State als cassatierechter toekomt na te gaan of het CGVS aan de door haar vastgestelde feiten de correcte juridische gevolgen verbindt, en meer bepaald of de motieven, waarop de beslissing is gesteund, voldoende draagkracht vinden in de feitelijke gegevens van het dossier; dat verzoekster in zijn verzoek doet gelden dat "één van zijn familielid doodgeschoten werd voor zijn ogen en voor de ogen van zijn dochter die sindsdien nog meer oorlogstrauma's heeft". Dat deze elementen terug te vinden zijn in het administratief dossier; Dat de redengeving van de beslissing van het CGVS het mogelijk moet maken de uitspraak op haar rechtmatigheid en wettigheid te toetsen; Dat het CGVS in zijn beslissing zelfs geenszins verwijst naar concrete elementen uit het dossier zodanig dat zijn beslissing te algemeen en te vaag is dat ze de Raad van State niet in staat kan stellen stelt zijn controle op de rechtmatigheid en wettigheid van de bestreden beslissing uit te oefenen, en meer bepaald om uit te maken of de aanvraag tot het verkrijgen van de hoedanigheid van vluchteling om al dan niet rechtens verantwoorde redenen werd afgewezen. Dat de bestreden beslissing niet genoegzaam met redenen is omkleed; dat zij aldus het motiveringsbeginsel schendt, vervat in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 199
  3. Er bestaat dus wel in hoofde van tegenpartij een gebrek aan motivatie en een manifeste beoordelingsdwaling. De genomen beslissing schendt dus de wettelijke bepalingen van het tweede middel.”; 2.2.2.
  4. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en tevens van oordeel is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste beoordelingsfout heeft begaan; dat verzoekster namelijk van oordeel is dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing geenszins verwijst naar concrete elementen uit het dossier zodanig dat de beslissing te algemeen en te vaag is; dat verzoekster erop wijst dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet alle door verzoeker ingeroepen elementen in overweging heeft genomen; 2.2.2.
  5. Overwegende dat er dient op gewezen dat voornoemde wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet de verplichting oplegt te antwoorden op alle elementen die door de asielzoeker worden aangebracht, maar dat het volstaat dat uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom de asielaanvraag als niet-ontvankelijk wordt beschouwd, hetgeen in casu is gebeurd; dat de ingeroepen moord op een neef door de Servische politie overigens genoegzaam wordt verworpen waar erop wordt gewezen dat “de Servische autoriteiten en ordetroepen zich sinds juni 1999 uit Kosovo terugtrokken”; dat, zoals reeds uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoekster terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard op grond van het motief dat verzoekster geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat zij bij een eventuele terugkeer naar Kosovo anno 2002 een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben; dat hiervoor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich terecht steunt op de vaststelling dat sinds verzoeksters vertrek uit Kosovo eind maart 1999 de situatie gevoelig XIV-13.611-6/7 is gewijzigd en er een einde gekomen is aan de oorlog en dat de door verzoekster aangehaalde elementen (namelijk het beschikken over onvoldoende woonruimte en het niet vinden van werk wegens de slechte economische situatie) problemen zijn van socio- economische aard die niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève; dat deze motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het tweede middel niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.611-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.