id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.924 Rolnummer: A. 124479/XIV-11004 Zaak: Arrest 159924 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 21:42 Fiche Arrest nr 159.924 van 12 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.924 van 12 juni 2006 in de zaak A. 124.479/XIV-11.
- In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van hun twee minderjarige kinderen :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van hun twee minderjarige kinderen: XXX en XXX, allen van Joegoslavische nationaliteit, op 25 juli 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; XIV-11.004-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat A. DE MEU die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van hun twee minderjarige kinderen: XXX en XXX, allen van Joegoslavische nationaliteit, komen op 22 januari 1999 in België binnen waar zij zich op 25 januari 1999 vluchteling verklaren. Deze asielaanvraag wordt op 13 april 2001 afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Bij arrest nummer 118.014 van 4 april 2003 wordt het beroep tegen de voormelde beslissing door de Raad van State verworpen. 1.
- Op 11 juni 2001 dienen verzoekers een aanvraag om machtiging tot verblijf in op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 5 november 2001 worden nog bijkomende stukken ter ondersteuning van de voormelde aanvraag overgemaakt. 1.
- Op 6 juni 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing: XIV-11.004-2/8 “(...) Mijnheer de Burgemeester, onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX en echtgenote XXX en kinderen XXX en XXX geboren te Nece Gjakove op 25/05/1944 nationaliteit: Joegoslavië (Servië-Montenegro) adres: 9820 Merelbeke ex-kandidaat vluchteling uw referentie: in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkenen een beroep tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring hebben ingediend bij de Raad van State, Nederlands spreken, veel kennissen hebben in België, geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving en hun kinderen hier naar school gaan, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Betrokkenen wisten dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. De duur van de procedure (2 jaar en 3 maanden) was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. De aangehaalde moeilijke situatie in het land van herkomst is bovendien van algemene aard en verhindert talrijke andere Kosovaren niet naar hun land terug te keren. Tevens staat het betrokkenen vrij een beroep te doen op de bestaande hulpprogramma's voor Kosovaren. Tot slot, de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Schending van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat in de bestreden beslissing door verweerder het verzoekschrift conform artikel 9, §3 van de wet van 15.12.1980 onontvankelijk werd verklaard. Dat verweerder in de bestreden beslissing in eerste instantie stelt dat de problemen die verzoekers in hun land kenden reeds het voorwerp uitmaakten van een diepgaand onderzoek in het kader van hun asielaanvraag en dat de moeilijke situatie in Kosovo talrijke andere Kosovaren niet verhindert naar hun land terug te keren en dat verzoekers een beroep kunnen doen op de bestaande hulpprogramma's voor Kosovaren. Dat verzoekers dienaangaande opmerken dat de Dienst Vreemdelingenzaken geenszins de motivatie van zijn beslissing kan beperken tot een verwijzing naar de afhandeling XIV-11.004-3/8 van verzoekers asielprocedure en de vaststelling dat sommige Kosovaren wel terugkeren naar hun land. Dat de Dienst Vreemdelingenzaken op haar beurt verzoekers persoonlijke motieven aangaande de weinig rooskleurige toestand in de Balkan en hun onmogelijkheid naar hun land terug te keren, zoals gesteld in hun aanvraag dd. 11.06.2001, zelf dient te onderzoeken en afdoende te motiveren waarom deze niet kunnen weerhouden worden. Dat de vaststelling dat talrijke andere Kosovaren naar hun land terug keren en dat verzoekers een beroep kunnen doen op de bestaande hulpprogramma's voor Kosovaren geenszins een afdoende motivering is en verzoekers motieven, zoals gesteld in hun aanvraag dd. 11.06.2001, weerlegd. Dat bovendien verzoekers opmerken dat verweerder geenszins gehouden is de criteria, voorzien door het artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, toe te passen en derhalve over een ruimere interpretatiemogelijkheid bezit. Dat dient opgemerkt te worden dat de beslissing van verweerder niet afdoende gemotiveerd is en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat in tweede instantie verweerder in de bestreden beslissing stelt dat het instellen van een procedure bij de Raad van State tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet verantwoordt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf in België ingediend wordt. Dat verzoekers dienaangaande opmerken dat alsgevolg van het indienen van een verzoek tot schorsing en een verzoek tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de asielprocedure nog steeds hangende is en dat zolang door de Raad van State geen arrest werd gewezen vaststaat dat verzoekers in de onmogelijkheid verkeren naar hun land van herkomst terug te keren. Bovendien hebben verzoekers in hun aanvraag dd. 11.06.2001 voldoende aangetoond dat zij onmogelijk naar hun land kunnen terugkeren. Dat vaststaat dat de beslissing van verweerder niet afdoende gemotiveerd is en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat in laatste instantie verweerder in de bestreden beslissing stelt dat het spreken van de Nederlandse taal, veel Belgische kennissen hebben, in de Belgische samenleving geïntegreerd zijn en de aanwezigheid van schoolgaande kinderen in België op zich geen buitengewone omstandigheden uitmaken welke verantwoorden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf in België ingediend wordt. Volgens verweerder is de duur van de procedure (2 jaar en drie maanden) niet onredelijk lang. Dat verzoekers in eerste instantie willen opmerken dat door het uitblijven van een beslissing aangaande verzoekers asielaanvraag binnen een redelijke termijn de Minister van Binnenlandse Zaken de gevolgen van verzoekers verdere integratie in de Belgische samenleving dient te dragen, er rekening dient mee te houden en deze niet zomaar kan aan de kant zetten met de vaststelling dat 2 jaar en drie maanden niet onredelijk lang zijn Dat verzoekers verder verwijzen naar de wet betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991) voor "dat de Overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen; deze motivering moet bestaan uit juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet daarenboven afdoende zijn, dit wil zeggen, draagkrachtig en deugdelijk ...” "Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige en niet plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende)". Dat verzoekers opmerken dat een eenvoudige verwerping met een stereotiepe en eenvoudige formule van verzoekers motieven niet beantwoordt aan de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991) en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Dat de beslissing van verweerder nergens afdoende motiveert waarom verzoekers inspanningen om de Nederlandse taal te leren, verzoekers integratie en sociale contacten en de aanwezigheid van schoolgaande kinderen geen uitzonderlijke omstandigheden uitmaken. XIV-11.004-4/8 Dat de motiveringsplicht door verweerder werd geschonden. Dat de ontontvankelijkheidsbeslissing dd. 6.06.2002, niet afdoende gemotiveerd is.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van de artikelen 9 en 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel; 2.2.
- Overwegende dat artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel voorschrijft dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om een verblijfsmachtiging toe te kennen, de Minister van Binnenlandse Zaken moet nagaan of de aanvraag wel regelmatig is ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst of consulaire overheid in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekers in hun aanvraag omtrent de onmogelijkheid tot terugkeer naar Kosovo, enerzijds, hebben verwezen naar dezelfde problemen als welke zij hebben aangehaald in het kader van hun asielaanvraag; dat daarbij verzoekers nog opmerkten dat zij een beroep hebben ingediend bij de Raad van State tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat zij, anderzijds, daarin stellen dat “(D)e situatie in Kosovo en in de Balkan nog steeds onveilig is, omdat het er nog steeds gevaarlijk is wegens mijnen, en omdat verzoeker door de politie ter dood werd veroordeeld wegens wapensmokkel”; dat verzoekers daarvoor verwijzen naar verscheidende persartikelen alsook naar een advies van de Commissie voor regularisatie waarin werd geoordeeld over de mogelijkheid tot terugkeer naar Kosovo; dat tot slot verzoekers in hun aanvraag ter ondersteuning van hun integratie, hebben verwezen naar hun kennis van de Nederlandse taal, het hebben van een uitgebreide kennissenkring en het feit dat zij twee minderjarige kinderen hebben die in België naar school gaan; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers vooreerst kritiek uiten op de overwegingen van de bestreden beslissing waarbij wordt gesteld dat “(D)e aangehaalde moeilijke situatie in het land van herkomst (...) van algemene aard (is) en (niet) verhindert dat talrijke andere XIV-11.004-5/8 Kosovaren (...) naar hun land terugkeren”, alsook op het oordeel van de Minister dat verzoekers “een beroep (kunnen) doen op de bestaande hulpprogramma’s voor Kosovaren”; dat volgens verzoekers dergelijke motivering niet hun “persoonlijke motieven aangaande de weinig rooskleurige toestand in de Balkan en hun onmogelijkheid naar hun land terug te keren, zoals gesteld in hun aanvraag” weerlegt; dat daarenboven verzoekers kritiek uiten op de overweging van de bestreden beslissing waarbij wordt gesteld dat de problemen van verzoekers “reeds het voorwerp uitgemaakt (hebben) van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag” welke werd afgewezen, zodat deze problemen “niet meer (kunnen) worden aanvaard als buitengewone omstandigheden” dat verzoekers opmerken dat bij het onderzoek van de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, de Minister van Binnenlandse Zaken “geenszins gehouden is de criteria, voorzien door het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, toe te passen” en bijgevolg over “een ruimere interpretatiemogelijkheid” beschikt; dat dient opgemerkt dat uit de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat deze heeft vastgesteld dat verzoeker omtrent zijn ter dood veroordeling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd “waardoor de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen ernstig wordt ondermijnd” en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op dit punt tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag heeft besloten; dat het bijgevolg niet kennelijk onredelijk is dat de Minister van Binnenlandse Zaken, ter weerlegging van deze aangevoerde buitengewone omstandigheid, heeft verwezen naar het onderzoek van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van de asielaanvraag; dat verder dient vastgesteld dat de andere buitengewone omstandigheden die verzoekers aanhaalden, te weten de algemene onveilige situatie in de Balkan en het mijnenprobleem, van toepassing is op alle Kosovaren die terugkeren; dat het bijgevolg evenmin kennelijk onredelijk is dat de Minister van Binnenlandse Zaken daarover stelt dat deze situatie “van algemene aard” is en niet verhindert dat “talrijke andere Kosovaren (...) naar hun land terugkeren”, alsook dat verzoekers “een beroep (kunnen) doen op de bestaande hulpprogramma’s voor Kosovaren”; dat verzoekers in hun uiteenzetting niet betwisten dat talrijke Kosovaren wel terugkeren en dat de mogelijkheid bestaat om een beroep te doen op hulpprogramma’s; dat verzoekers trouwens ook niet in concreto aantonen dat hun individuele problemen dermate verschillend zijn van die van andere talrijke Kosovaren; 2.2.4. Overwegende dat verzoekers daarnaast kritiek uiten op de overweging van de bestreden beslissing waarbij wordt gesteld dat het instellen van een procedure bij de Raad van State “op zich niet uitzonderlijk (
- is)en verantwoordt niet dat de aanvraag (...) in België wordt ingediend”; dat het uitgangspunt van deze kritiek, met name dat door het indienen van een beroep bij de Raad van State “de asielprocedure nog steeds hangende is”, niet kan worden bijgetreden; dat de administratieve procedure over de asielaanvraag afgesloten is met een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-11.004-6/8 staatlozen tenzij en totdat de Raad van State er naar aanleiding van het ingesteld beroep tot nietigverklaring anders zou over beslissen; dat de omstandigheid dat een annulatieberoep is ingediend niet betekent dat deze beslissing niet definitief de rechtstoestand van verzoekers heeft vastgesteld aangezien een beroep bij de Raad van State geen schorsende werking heeft en de beslissing dus uitvoerbaar is en blijft; dat bijgevolg verzoekers niet kunnen worden gevolgd in hun argument dat het vaststaat dat, tot het ogenblik waarop de Raad van State zich heeft uitgesproken over het beroep, zij in de onmogelijkheid zijn om terug te keren; dat bijgevolg de beoordeling van de Minister van Binnenlandse Zaken op dat vlak niet kennelijk onredelijk is; dat overigens reeds een arrest werd geveld (nummer 118.014 van 4 april 2003) waarbij het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen; 2.2.5. Overwegende dat tot slot verzoekers kritiek uiten op de overwegingen van de bestreden beslissing waarbij wordt geoordeeld dat de kennis van de Nederlandse taal, het hebben van een uitgebreide kennissenkring en het feit dat de kinderen in België naar school gaan “op zich niet uitzonderlijk (
- is)en verantwoordt niet dat de aanvraag (...) in België wordt ingediend” en dat de duur van de asielprocedure niet als onredelijk lang kan worden beschouwd; dat verzoekers in eerste instantie menen dat “door het uitblijven van een beslissing aangaande verzoekers asielaanvraag binnen een redelijke termijn de Minister van Binnenlandse Zaken de gevolgen van verzoekers verdere integratie in de Belgische samenleving dient te dragen”; dat verder verzoekers stellen dat de motivering stereotiep is en de Minister “nergens afdoende motiveert waarom verzoekers inspanningen om de Nederlandse taal te leren, verzoekers integratie en sociale contacten en de aanwezigheid van schoolgaande kinderen geen uitzonderlijke omstandigheden uitmaken”; dat, zoals reeds gesteld, de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst of consulaire overheid in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat, zoals reeds aangegeven, uit de lezing van de aanvraag van verzoekers blijkt dat de voormelde elementen niet klaar en duidelijk zijn aangebracht als buitengewone omstandigheden, maar eerder als elementen die de gegrondheid van de aanvraag betreffen; dat, daargelaten de vraag of de Minister al diende na te gaan of deze elementen buitengewone omstandigheden zijn, niet blijkt dat verzoekers duidelijk in hun aanvraag hebben uiteengezet waarom deze elementen een beletsel vormen; dat bijgevolg de motivering in de bestreden beslissing daarover afdoende is; dat overigens verzoekers zelf zeer vaag zijn in hun argumentatie waarom deze motivering als “stereotiep” moet worden bestempeld; dat, gelet op het voorgaande dient vastgesteld dat verzoekers de aangevoerde schendingen niet aannemelijk maken; dat, aangezien de Minister aldus redelijkerwijs kon stellen dat er geen buitengewone omstandigheden voorhanden zijn en de aanvraag van verzoekers bijgevolg terecht onontvankelijk werd verklaard, verzoekers niet op goede gronden kunnen aanvoeren dat de Minister van Binnenlandse Zaken “de gevolgen XIV-11.004-7/8 van verzoekers verdere integratie in de Belgische samenleving dient te dragen”; dat het enig middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.004-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div