id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.934 Rolnummer: A. 137954/IX-3823 Zaak: Arrest 159934 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-30 22:48 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 159.934 van 12 juni 2006 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.934 van 12 juni 2006 in de zaak A. 137.954/IX-3823. In zake : André MERCIER, wonende te WULPEN, Willibrordusstraat 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177, bus 6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André MERCIER op 12 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 4 april 2003 waarbij Wilfried VAN ENGELANDT wordt benoemd tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het eerste kanton te Ieper; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3823-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 29 mei 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat S. JONCHEERE, die verschijnt voor verzoeker en van advocaat A. VANDAELE, die loco advocaat P. PEETERS verschijnt voor de verwerende patij;; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is sinds 1985, eerst als beambte en daarna als opsteller, werkzaam op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Sinds 10 november 2000 is hij eerstaanwezend adjunct-griffier. Sinds 23 februari 2000 beschikt hij over het getuigschrift van kandidaat-griffier. 1.2. Verzoeker stelt zich op 16 december 2002 kandidaat voor het vacante ambt van hoofdgriffier van het vredegerecht van het eerste kanton te Ieper. Hij beroept zich wat de benoemingsvoorwaarden betreft op artikel 91 van de wet van IX-3823-2/10 17 februari 1997 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten. 1.3. Op 25 februari 2003 adviseert de vrederechter van het eerste kanton Ieper dat verzoeker niet aan de in voormeld artikel 91 gestelde wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoet omdat hij bij de inwerkingtreding van de wet nog geen houder was van het getuigschrift van kandidaat-griffier. De procureur des Konings te Ieper adviseert in dezelfde zin. 1.4. Verzoeker stelt tegen die adviezen een beroep in bij de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep te Gent. In zijn advies van 27 maart 2003 bevestigt de raad van beroep dat verzoeker geen aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997. 1.5. Bij het bestreden koninklijk besluit van 4 april 2003 wordt Wilfried Van Engelandt, griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, benoemd tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het eerste kanton Ieper. In de motivering van dat besluit wordt, onder verwijzing naar de uitgebrachte adviezen, gesteld “dat André Mercier niet aan de benoemingsvoorwaar- den voldoet”. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep, aangezien hij de wettelijke benoemingsvoorwaarden voor het ambt van hoofdgriffier van een vredegerecht niet vervult, meer bepaald niet deze gesteld door artikel 263, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien hij het ambt van adjunct-griffier geen tien jaar uitgeoefend heeft, terwijl hij zich evenmin kan beroepen op de overgangsbepaling van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking IX-3823-3/10 tot het personeel van de griffies en parketten, daar hij op het tijdstip van de inwerkingtreding van die wet, dat is op 1 juli 1997, nog niet over het vereiste getuigschrift van kandidaat-griffier beschikte; 2.2. Overwegende dat verzoeker opmerkt dat zijn kandidatuur bij vorige benoemingsprocedures wel in aanmerking werd genomen en dat de gewijzigde houding van de overheid een inbreuk vormt op de beginselen van behoorlijk bestuur; dat hij ook meent dat hij wel aan de voorwaarde van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 voldeed omdat volstond dat hij geslaagd was voor het examen van kandidaat-griffier op het ogenblik van de benoeming; 2.3.1. Overwegende dat artikel 263, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij wet van 17 februari 1997, luidt als volgt : “§ 1. Om tot hoofdgriffier van een vredegerecht of van een politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat : 1/ volle vijfendertig jaar oud zijn; 2/
- a)licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
- b)of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier, ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank.”; 2.3.2. Overwegende dat verzoeker op 23 februari 2000 het getuigschrift van kandidaat-griffier behaalde en bij koninklijk besluit van 10 november 2000 benoemd werd tot eerstaanwezend adjunct-griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, waar hij voordien eerstaanwezend opsteller was; dat hij niet betwist dat hij, aangezien hij het ambt van adjunct-griffier geen tien jaar uitgeoefend heeft, niet aan de door artikel 263, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven benoemings- voorwaarden voldeed; dat hij zich evenwel beroept zich op de overgangsbepaling van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten, hetwelk luidt als volgt : IX-3823-4/10 “Art. 91. De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt uitoefent van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecreta- ris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller of beambte kan, overeenkomstig de benoemingsvoorwaarden gesteld in het Gerechtelijk Wetboek voor de inwerkingtreding van deze wet, worden benoemd tot het ambt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris of adjunct-secretaris, indien hij op dat ogenblijk voldoet aan al de voormelde benoemingsvoorwaarden, met uitzondering van die betreffende de dienstanciënniteit”; Dat vóór de inwerkingtreding van de wet van 17 februari 1997 artikel 263, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek als volgt luidde : “§ 1. Om tot griffier-hoofd van de griffie van het vredegerecht of van de politierechtbank te worden benoemd, moet men : 1/ volle dertig jaar oud zijn; 2/ hetzij gedurende ten minste tien jaar het ambt van griffier, klerk-griffier, opsteller of beambte hebben vervuld bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank en houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier, hetzij doctor in de rechten zijn en op de griffie van een hof of een rechtbank ten minste één jaar stage hebben doorge- maakt”. Dat volgens verzoeker uit de lezing van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 zou blijken dat het volstaat dat de kandidaat op het ogenblik van de benoeming aan de benoemingsvoorwaarden voldoet, inzonderheid, dat van het geslaagd zijn voor het examen van kandidaat-griffier; 2.3.3. Overwegende dat verzoekers stelling niet kan worden bijgevallen, hetgeen blijkt uit de totstandkoming van de wet van 17 februari 1997; 2.3.3.1. Overwegende dat artikel 68 van het wetsvoorstel dat uiteindelijk de overgangsbepaling van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 zou worden oorspronkelijk als volgt luidde : “De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt bekleedt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller, beambte of bode en overeenkomstig de gewijzigde wetgeving in de voorwaarden verkeerde tot benoeming in een van deze ambten, blijft in de voorwaarden tot deze benoeming, met uitzondering van IX-3823-5/10 de in deze wet voorgeschreven dienstanciënniteit” (Gedr. St., Senaat, 1995- 1996, nr. 270/1, blz. 43), dat luidens de toelichting bij het wetsvoorstel die overgangsmaatregel diende te worden getroffen “voor de personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtre- ding van deze wet reeds in de voorwaarden verkeren tot de benoeming tot een bepaald ambt” (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 270/1, blz. 15); dat de huidige bepaling van artikel 91 haar oorsprong vindt in een amendement van de regering, waarbij werd beoogd het voormeld artikel 68 “ter wille van de duidelijkheid (...) anders te formuleren” (Gedr. St., Senaat, 1996-1997, nr. 270/3, blz. 191); dat in de toelichting bij dat amendement werd gesteld : “De oude benoemingsvoorwaarden blijven gelden voor de titularissen in vast verband” (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 270/2, blz. 42); dat die toelichting derhalve duidelijk maakt dat personen met een arbeidsovereenkomst van de overgangsregeling uitgesloten zijn (zie eveneens de verklaring van de minister van Justitie in de Senaatscommissie: Gedr. St., Senaat, 1996-1997, nr. 270/3, blz. 192), maar niets zegt over het tijdstip waarop aan de benoemingsvoorwaarden voldaan moet zijn; dat bij de bespreking van het regerings- amendement een lid van de Senaatscommissie verklaarde “te vrezen dat de gevolgen van deze bepalingen onbeperkt blijven bestaan” (Gedr. St., Senaat, 1996-1997, nr. 270/3, blz. 192); dat de minister van Justitie antwoordde “dat artikel 91 ertoe wil komen dat al wie opdracht krijgt een van de ambten van dat artikel uit te oefenen, aan de benoemingsvereisten blijft voldoen wanneer de betrokkene daar thans aan voldoet” (ibidem); dat door dat laatste werd verduidelijkt dat het regeringsamende- ment, zoals de oorspronkelijke overgangsbepaling in het wetsvoorstel, enkel betrekking heeft op personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet de benoemingsvoorwaarden (met uitzondering van die betreffende de dienstanciënniteit) vervullen; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 februari 1997 bijgevolg blijkt dat de overgangsbepaling van artikel 91 enkel geldt voor personeelsleden die “thans” -dus “op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet”- aan de bestaande benoemingsvoorwaarden, met uitzondering van die betreffende de dienstanciënniteit, voldoen; dat in die overgangsbepaling de woorden “op dat ogenblik” bijgevolg verwijzen naar de woorden “op het ogenblik van de IX-3823-6/10 inwerkingtreding van deze wet” en trouwens overbodig zouden zijn, indien daarmee “op het ogenblik van de benoeming” zou zijn bedoeld; 2.3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij aldus terecht stelt dat verzoeker geen aanspraak kon maken op de toepassing van artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 om tot hoofdgriffier benoemd te worden, aangezien hij op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet niet over het getuigschrift van kandidaat-griffier beschikte; dat zij op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur -bedoeld is blijkbaar het beginsel van de rechtmatig gewekte verwachtingen- niet van die wetsbepaling vermocht af te wijken; 3.1. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie vaststelt dat, volgens de hierboven aangenomen wetsinterpretatie, gelijkaardige kandidaten, waarvan de één een oud examen heeft doorstaan en de andere een recent examen, door de wet verschillend worden behandeld; dat hij de Raad van State vraagt om daarover aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag te stellen : "Schendt artikel art. 269bis van de wet van 17 februari 1997 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten artikel 10 van de grondwet indien het wordt uitgelegd als dat een examen van recentere datum sinds de wetswijziging van 17 februari 1997 van mindere waarde is dan een examen van voor deze datum en of dit onderscheid gesteund is op objectieve gronden."; 3.2. Overwegende dat volgens de verwerende partij, doordat in het voorstel van de prejudiciële vraag een ongelijke behandeling wordt aangeklaagd tussen twee examens, met name een examen van recentere datum en een examen van voor 17 februari 1997, het Arbitragehof gevraagd wordt zich uit te spreken over verschillende feitelijke toestanden, terwijl dit Hof enkel bevoegd is om wetskrachtige normen te toetsen, dat het namelijk, naar de bewoordingen van de arresten SWIMBERGHE, nr. 86.304, van 28 maart 2000 en DE JONGHE e.a., nr. 86.305, van 28 maart 2000, moet gaan om "rechtsvragen die voorafgaandelijk moeten worden opgelost om de verwijzende rechter toe te laten om tot een oplossing te komen"; dat volgens haar daarom ook te dezen de Raad van State kan beslissen om IX-3823-7/10 geen prejudiciële vraag te stellen; dat zij voorts opwerpt dat verzoeker daarenboven nagelaten heeft om in de prejudiciële vraag aan te geven welke categorieën van personen tegenover elkaar worden gediscrimineerd, waarbij zij er op wijst dat volgens de rechtspraak van het arrest nr. 93.863, van 12 maart 2001, het niet aan de Raad van State toekomt om de vraag op dat stuk te vervolledigen door in de plaats van verzoeker een constructie op te zetten aangaande een essentieel element van de prejudiciële vraagstelling; dat zij dan ook stelt dat de vraag tot prejudiciële vraagstelling moet worden afgewezen; dat zij ter terechtzitting ten slotte stelt dat de vraag door het Arbitragehof reeds is beantwoord met zijn arrest nr. 106/2005, van 15 juni 2005; 3.3.1. Overwegende dat in zoverre verzoeker vraagt aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen nopens de respectieve waarde van examens afgelegd voor of na de wetswijziging, hij uiteraard bedoelt een onderscheid te maken tussen de categorieën van personen die respectievelijk voor het ene dan wel voor het andere examen geslaagd zijn; dat de kwestie ook niet louter feitelijke gegevens betreft, maar wel de gevolgen welke de wet aan die verschillende gegevens -het geslaagd zijn voor een examen vóór dan wel na de inwerkingtreding van de wet van 17 februari 1997- verbindt en derhalve een rechtsvraag aan de orde stelt; dat wat dat betreft de argumenten van de verwerende partij dan ook niet kunnen worden bijgevallen; 3.3.2. Overwegende dat de ter zake relevante bepalingen van artikel 26 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof als volgt luiden : “§ 1. Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent : (...) 3° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. (...) § 2. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden : 1°/ wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij IX-3823-8/10 wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; 2°/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. (...).”; 3.3.3. Overwegende dat de vraag welke verzoeker vraagt om te stellen de schending betreft door een wet van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten"; dat de hierboven aangenomen reden van niet-ontvankelijkheid ontleend is aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat de vraag welke het Arbitragehof met zijn arrest 106/2005 beantwoord heeft geen betrekking had op artikel 91 van de wet van 17 februari 1997, doch op artikel 92 van die wet en op artikel 285bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en dus qua onderwerp niet identiek was met die welke verzoeker vraagt te stellen; dat de Raad van State derhalve ertoe gehouden is de prejudiciële vraag te stellen, met dien verstande dat de materiële vergissing nopens het aangehaalde wetsartikel welke zij bevat, dient te worden rechtgezet en zij duidelijker wordt geformuleerd, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Schendt artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten artikel 10 van de Grondwet, indien het wordt uitgelegd in de zin dat de houder van een getuigschrift van kandidaat-griffier, verkregen na de inwerkingtreding van de voornoemde wet, met het oog op een benoeming tot IX-3823-9/10 hoofdgriffier van een vredegerecht geen aanspraak kan maken op de toepassing in zijn voordeel van dit artikel, terwijl dit wel het geval is voor degene die op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet reeds houder was van een getuigschrift van kandidaat griffier?” Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak na het antwoord van het Arbitragehof. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3823-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.934 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.