← België

Arrest 159936 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.936 Rolnummer: A. 136420/IX-3784 Zaak: Arrest 159936 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 21:44 Fiche Arrest nr 159.936 van 12 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.936 van 12 juni 2006 in de zaak A. 136.420/IX-

  1. In zake : Gerda HUYSMAN, die woonplaats kiest bij advocaten C. DE WOLF en C. PEETERS, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4 bus
  2. tussenkomende partij : Lodewijk LANGELET, wonende te DRONGEN, Dosweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerda HUYSMAN op 8 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 11 maart 2003 waarbij Lodewijk LANGELET benoemd wordt tot griffier bij het hof van beroep te Gent; Gelet op het arrest nr. 119.659 van 22 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 6 juni 2003 door Gerda HUYSMAN; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 14 juli 2003; IX-3784-1/11 Gelet op de beschikking van 5 augustus 2003 die de tussenkomst van Lodewijk LANGELET toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DE WOLF, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat H.-K. CARÊME, die verschijnt voor de verwerende partij, en van L. LANGELET; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Het ambt van griffier bij het hof van beroep te Gent wordt vacant verklaard in het Belgisch Staatsblad van 8 oktober
  6. IX-3784-2/11 1.
  7. Drie personen, onder wie de verzoekende en de tussenkomende partij, stellen zich kandidaat. Beiden zijn adjunct-griffier bij het hof van beroep te Gent. 1.
  8. De adviezen van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier van het hof van beroep te Gent besluiten voor beide kandidaten met de eindconclusie : “zeer bekwaam en zeer geschikt om het beoogde ambt uit te oefenen.” De tussenkomende partij wordt, in toepassing van artikel 262 van het Gerechtelijk Wetboek, door de eerste voorzitter en door de hoofdgriffier als eerste kandidaat en de verzoekster als tweede kandidaat voorgedragen. 1.
  9. Bij het thans bestreden koninklijk besluit van 11 maart 2003, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 april 2003, wordt de tussenkomende partij benoemd tot griffier bij het hof van beroep te Gent. Het is als volgt gemotiveerd : "Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op de artikelen 262 en 267; Overwegende dat de heer Langelet Lodewijk als eerste kandidaat werd voorgedragen door de eerste voorzitter en de hoofdgriffier van het hof van beroep te Gent; Overwegende dat betrokkene aangeduid werd om de functie van systeembeheerder binnen de griffie van het hof waar te nemen en zich volledig ingezet heeft voor deze taak; Overwegende dat betrokkene zich dermate heeft ingezet dat hij zelfs 19 dagen van zijn militair verlof opofferde om in het kader van het informatiseringsproject vergaderingen bij te wonen; Overwegende dat betrokkene tijd noch moeite spaarde om de bijstand aan de magistraten tot een goed einde te brengen; Overwegende dat betrokkene sinds enkele maanden aangeduid is als griffier in de griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling, alwaar hij erin slaagde om de burgerlijke applicatie ook toepasbaar te maken op de griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling; Overwegende dat betrokkene op relatief korte termijn de werking van de kamer van inbeschuldigingstelling weet eigen te maken en ook hier tijd noch moeite spaart om zich verder te bekwamen in deze toch zeer specifieke materie; Overwegende dat betrokkene in zijn omgang met magistraten en collegae loyaal, correct en discreet is; Overwegende dat betrokkene de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult". 2.1.
  10. Overwegende dat de verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert, enerzijds van de verplichting om de aanspraken en verdiensten van de gegadigde voor een benoeming daadwerkelijk te vergelijken, anderzijds van die om in toepassing van de wet van 29 juli 1991betreffende de uitdrukkelijke motivering IX-3784-3/11 van de bestuurshandelingen het benoemingsbesluit formeel te motiveren; dat zij het eerste in haar memorie van wederantwoord formuleert als een apart tweede middel, gesteund op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat zij betoogt dat het feit dat de benoemde kandidaat tweemaal als eerste kandidaat werd voorgedragen niet volstaat om de betrokkene te benoemen en dat zij zichtbaar grotere aanspraken heeft, welke volgens haar een dergelijke graad van evidentie vertonen dat het onbegrijpelijk voorkomt dat de overheid daaraan is voorbijgegaan; dat zij desbetreffend verwijst naar haar diploma van licentiaat in de rechten, naar de jaren die zij als advocaat bij de balie heeft doorgebracht en die worden meegerekend bij het bepalen van haar anciënniteit en naar de zeer gunstige adviezen met eerste voordracht welke zij in het verleden heeft gekregen; dat zij een gedetailleerde vergelijking maakt van de loopbanen van haarzelf en van de tussenkomende partij; dat zij ook stelt dat het niet volstaat de kwaliteiten van de benoemde kandidaat op te sommen om het benoemingsbesluit te motiveren, maar daarin ook vermeld moet worden waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen; 2.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het niet aan verzoekster toekomt om de titels en verdiensten van de kandidaten te vergelijken of de criteria aan te wijzen op grond waarvan de vergelijking zou moeten gebeuren; dat de kandidaten op grond van de verleende adviezen op het eerste gezicht gelijkwaardig zijn, doch zowel de eerste voorzitter van het hof van beroep als de hoofdgriffier de tussenkomende partij als eerste kandidaat voorgedragen hebben; dat de kandidaturen, in het bijzonder de titels en verdiensten van de kandidaten, naar redelijkheid discretionair afgewogen werden, zulks in het bijzonder op grond van objectieve criteria van dienstanciënniteit en graadanciënniteit; 2.1.
  12. Overwegende dat verzoekster repliceert dat uit de inhoud van de bestreden beslissing welke het advies van de hoofdgriffier bijna letterlijk overneemt, blijkt dat de toekenning van de twee eerste kandidaturen aan de tussenkomende partij automatisch tot de benoeming heeft geleid, zonder dat de titels en verdiensten van verzoekster onderzocht werden en dat ten onrechte geweigerd is rekening te houden met het feit dat verzoekster het diploma heeft van licentiaat in de rechten en dat zij advocaat aan de balie te Oudenaarde is geweest; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie staande houdt, wat de aangevoerde schending van de formele motiveringswet betreft, dat geen daadwerkelijke vergelijking van de titels en de verdiensten van tussenkomende IX-3784-4/11 partij en verzoekster plaats heeft gehad door het naast elkaar leggen van deze titels en verdiensten, dat criteria op basis waarvan een dergelijke vergelijking zou moeten hebben plaatsgevonden niet zijn medegedeeld, in de bestreden beslissing niet is vermeld dat een daadwerkelijke vergelijking tussen de tussenkomende partij en verzoekster heeft plaatsgevonden met het oog op de keuze van de tussenkomende partij en dat er dan ook geen afdoende motivering is welke op draagkrachtige wijze verantwoordt waarom de tussenkomende partij boven verzoekster werd verkozen; dat een overname van het advies van de hoofdgriffier bij het hof van beroep te Gent waarin enkel de "kwaliteiten" van de tussenkomende partij beschreven worden, waarbij de verwerende partij zich aansluit, echter geen daadwerkelijke vergelijking van de titels en verdiensten van verzoekster en de tussenkomende partij kan aantonen; dat verzoekster, wat de aangevoerde schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht betreft betoogt dat, ook al zou de voorkeur zijn gegeven aan de kandidaat met de grootste dienst- en graadanciënniteit, haar diploma van licentiaat in de rechten en de reeds voordien als advocaat opgedane ervaring volledig buiten beschouwing werd gelaten, ofschoon een daadwerkelijke vergelijking van titels en verdiensten impliceert dat men voor de onderscheiden kandidaten alle relevante gegevens en elementen in aanmerking neemt en dit uitgaande van de inhoud van de te begeven functie; dat overigens, indien er een vaste traditie zou bestaan om bij gelijkwaardige kandidaten de oudst benoemde als eerste voor te dragen en te benoemen, de benoemende overheid niet verplicht is de volgorde van de kandidaten op de ranglijst en in de voordracht in acht te nemen, maar bij haar keuze tussen de voorgedragen kandidaten rekening mag houden met andere gegevens; dat verzoekster hierbij stelt dat trouwens ook de tijd doorgebracht bij de balie als anciënniteitscriterium in aanmerking moet worden genomen, zoals dat het geval is met het oog op de berekening van de wedde en wat zou passen in de nieuwe rol van de zittingsgriffier van bijstand aan de rechter, met het oog waarop de wetgever dit ambt toegankelijker wilde maken voor licentiaten in de rechten; dat verzoekster vraagt, ingeval de Raad van State de mening zou zijn toegedaan dat de wettelijke basis niet voorhanden is om rekening te houden met de door verzoekster opgedane balie-ervaring, hij daarover een prejudiciële vraag zou stellen aan het Arbitragehof; 2.1.5 Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat het niet aan verzoekster toekomt om haar eigen vergelijking van de titels en verdiensten of haar eigen beoordelingscriteria in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid, dat het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten verzoekster geen prioriteit IX-3784-5/11 verleent bij een benoeming tot griffier, dat de grotere dienst- en graadanciënniteit van de tussenkomende partij een objectief criterium vormt en dat ook voldaan is aan de formele motiveringsplicht, aangezien uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat de benoemende overheid de voordrachten gevolgd heeft, waarbij de tussenkomende partij door de eerste voorzitter en de hoofdgriffier als eerste werd voorgedragen; 2.2.
  14. Overwegende dat uit het gelijkheidsbeginsel, meer bepaald de gelijke benoembaarheid van de Belgen in openbare ambten, verwoord in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, volgt dat de titels en de verdiensten van de gegadigden voor een openbaar ambt op een objectieve wijze moeten worden vergeleken en dat overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de administratieve overheid in de benoemingsakte de juridische en feitelijke overwegingen dient op te nemen welke op een afdoende wijze van die vergelijking kunnen doen blijken; dat wijl de bedoeling van die verplichting er onder meer in bestaat de belanghebbende inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing, opdat hij kan nagaan of het zinvol is zich in rechte tegen die beslissing te verweren, de overheid inzake benoemingen duidelijk zal moeten maken waarom een bepaalde kandidaat benoemd wordt maar niet waarom de andere kandidaten niet in aanmerking genomen worden, voor zover althans uit de motivering zelf of uit andere relevante gegevens, welke zonder veel moeite achterhaald kunnen worden, kan worden afgeleid dat de benoemde kandidaat op dat stuk even goed of beter scoort dan de andere kandidaten; 2.2.
  15. Overwegende dat zowel verzoekster als de tussenkomende partij in de adviezen van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier als "zeer bekwaam en zeer geschikt om het beoogde ambt uit te oefenen” worden beoordeeld; dat zulks voor verzoekster, samengevat, in de twee over haar uitgebrachte adviezen, wordt gemotiveerd door haar goede prestaties, haar bereidheid om bijkomende taken uit te voeren, het feit dat zij een alleenzetelend magistraat bijstaat, dat zij op verzoek van de eerste voorzitter wordt belast met de analyse van complexe administratieve dossiers en bijstand verleent aan de hoofdgriffier bij de algemene vergaderingen van het hof; dat de eerste voorzitter in fine van zijn advies schrijft "dat zij zonder enige twijfel past in de door de wetgever nieuw omschreven rol van de zittingsgriffier (bijstand aan de rechter)"; dat ten aanzien van de benoemde kandidaat in de beide adviezen de nadruk wordt gelegd op zijn deskundigheid en inzet inzake informatica, dat hij tot systeembeheerder is aangesteld en zijn kennis heeft aangewend om bijkomende niet voorziene applicaties te genereren waardoor de werklast van de IX-3784-6/11 griffie sterk kon worden verminderd; dat als voorbeeld van zijn inzet wordt vermeld dat hij daarvoor een deel van zijn militair verlof opofferde; dat geen van de adviezen een speciale aandacht blijkt te besteden aan de anciënniteit van de twee kandidaten, tenzij om vast te stellen dat zij op dat stuk aan de benoemingsvoorwaarden voldoen; dat de eigenlijke voordrachten geen motivering bevatten, doch de hierboven geschetste kwaliteiten die aan de tussenkomende partij werden toegeschreven in de ogen van de voordragende ambtsdragers blijkbaar iets zwaarder hebben gewogen, dermate dat beide hem op de eerste plaats hebben voorgedragen; 2.2.
  16. Overwegende dat de hiervoor overgeschreven motivering van het bestreden besluit verwijst naar het feit dat de benoemde kandidaat door de eerste voorzitter en de hoofdgriffier als eerste kandidaat werd voorgedragen en de voornaamste gegevens aanhaalt welke in de adviezen van de eerste voorzitter en de hoofdgriffier over de betrokkene zijn opgenomen; dat derhalve blijkt dat de benoemende overheid zich bij de voorkeur geuit door zowel de eerste voorzitter en de hoofdgriffier heeft aangesloten; dat het bestreden besluit aldus impliciet aangeeft dat het, net zoals de voordragende overheden, meer belang hecht aan, hier nu uiterst summier samengevat, de talenten van de tussenkomende partij op het gebied van informatisering van de griffie boven die van verzoekster als zittingsgriffier nieuwe stijl; 2.2.
  17. Overwegende dat de door de verzoekster in haar voordeel ingeroepen kwaliteiten -haar hogere leeftijd, haar diploma van licentiaat in de rechten, haar ervaring als advocaat en in andere betrekkingen, haar bijkomende vorming en meer- zelfs indien men zou oordelen dat zij verzoekster een voorsprong verlenen op de tussenkomende partij, toch niet zo direct in het oog springen dat het ondenkbaar zou zijn dat enige in redelijkheid handelende bestuuroverheid eraan voorbij zou gaan; dat, ook al stelt verzoekster terecht dat de wetgever gewenst heeft dat bekwame juristen zouden worden aangetrokken om van de rechters een aantal taken bij het recht spreken over te nemen, hij nochtans niet gemeend heeft hen een absolute voorrang te moeten verlenen bij bevorderingen; dat immers, luidens artikel 267, 2/, van het Gerechtelijk Wetboek, de kandidaten om tot griffier bij een hof van beroep benoemd te kunnen worden moeten, ofwel licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend, ofwel houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een rechtbank, een IX-3784-7/11 vredegerecht of van een politierechtbank, ofwel van adjunct-griffier bij een hof hebben uitgeoefend; dat beide categorieën op gelijke wijze voor de benoeming tot griffier bij het hof van beroep in aanmerking komen; dat het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten voor de ene categorie gecompenseerd wordt door een grotere vereiste anciënniteit als griffier voor de andere categorie; dat zowel verzoekster als de tussenkomende partij respectievelijk voldoen aan een van die vereisten; dat overigens nergens blijkt, zoals gesteld door de verwerende partij, dat de grotere anciënniteit als griffier van de tussenkomende partij een rol zou hebben gesteld bij de keuze van de benoemende overheid; dat hieruit ook volgt dat daarover geen prejudiciële vraag hoeft te worden gesteld aan het Arbitragehof; dat, nu naar algemene bekendheid het de bedoeling is de informatica een belangrijke rol te laten spelen met het oog op de verbetering van de rechtsbedeling, het de benoemende overheid in redelijkheid toekomt de voorkeur te geven aan iemand die op dat gebied zijn sporen heeft verdiend; dat het middel niet gegrond is; 3.1.
  18. Overwegende dat verzoekster onder de rubriek “machtsafwending en machtsoverschrijding alsmede de middelen door de Raad van State ambtshalve op te werpen” -derde middel in de memorie van wederantwoord- stelt dat zij “gewis meer aanspraken (heeft) dan de benoemde kandidaat”, en de benoemende overheid, om de tussenkomende partij te kunnen benoemen, niet alleen haar aanspraken heeft moeten miskennen “doch ook en vooral de waarde van het diploma van licentiate in de rechten (heeft) moeten waarderen op nihil”, zodat de titels en verdiensten van de kandidaten “helemaal niet of minstens niet correct (werden) vergeleken”; 3.1.
  19. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster geen concrete gegevens aanvoert die het middel van machtsafwending kunnen schragen en dat er al evenmin sprake is van machtsoverschrijding, aangezien, zoals bij de bespreking van het eerste middel werd aangetoond, de bestreden beslissing uitdrukkelijk en afdoende -derhalve na vergelijking van titels en verdiensten- werd gemotiveerd; dat zij voorstelt, aangezien in het tweede middel geen andere aanwijzingen van machtsoverschrijding worden aangevoerd, het middel op grond van de exceptio obscuri libelli te verwerpen; 3.1.
  20. Overwegende dat verzoekster repliceert dat machtsafwending kan ingegeven zijn door, hetzij de intentie om persoonlijke belangen te bevoordelen, hetzij de intentie om een verzoekende partij te benadelen en dat er dan ook IX-3784-8/11 machtsafwending is in de mate dat de verwerende partij de intentie had om de tussenkomende partij te bevoordelen of de verzoekende partij te benadelen; 3.1.
  21. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie herhaalt dat zij meer aanspraken kan maken op de benoeming dan de tussenkomende partij, omdat zij bij voorgaande sollicitaties bij het hof van beroep te Gent reeds tweemaal een eerste kandidatuur heeft gekregen vanwege de eerste voorzitter van het hof van beroep en éénmaal vanwege de hoofdgriffier, dat in de bestreden benoemingsprocedure de adviezen van zowel de eerste voorzitter van het hof van beroep als van de hoofdgriffier bij het hof van beroep te Gent zeer gunstig zijn en dat de verwerende partij volledig voorbij gaat aan de ruime juridische ervaring waarover de verzoekende partij, als houder van een licentiaatsdiploma in de rechten, beschikt; dat ook al zou er een vaste traditie bestaan om bij gelijkwaardige kandidaten de oudst benoemde als eerste voor te dragen en te benoemen, de ranglijst niet bindend is en de benoemende overheid bij haar keuze tussen de voorgedragen kandidaten rekening mocht houden met andere gegevens die in casu bestaan uit het diploma van licentiaat in de rechten en de ervaring als advocaat en in andere juridische beroepen; dat verzoekster besluit dat er alzo geen daadwerkelijke vergelijking tussen de tussenkomende partij en de verzoekende partij kan bestaan, wat machtsafwending en machtsoverschrijding uitmaakt; 3.1.
  22. Overwegende dat volgens de tussenkomende partij verzoekster geen concrete gegevens aanbrengt die haar stelling dat er machtsafwending of machtsoverschrijding is bevestigen en dat de bevoegde overheid een discretionaire bevoegdheid heeft bij het beoordelen van de verdiensten van de kandidaten; dat verzoekster haar eigen vergelijking van titels en verdiensten noch haar eigen beoordelingscriteria in de plaats kan stellen van die van de bevoegde overheid, behoudens toetsing aan het redelijkheidsbeginsel, dat ter zake echter niet geschonden is : de tussenkomende partij werd immers als eerste kandidaat voorgedragen en heeft een langere graad- en dienstanciënniteit, de verzoekende partij kan geen kennelijk grotere aanspraken doen gelden; 3.2.
  23. Overwegende dat machtsafwending de onwettigheid uitmaakt waarbij een bestuursorgaan de bevoegdheid welke hem bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel; dat het bestaan ervan kan worden afgeleid uit voldoende ernstige, IX-3784-9/11 welbepaalde en overeenstemmende vermoedens waaruit kan worden afgeleid dat het bestuur andere dan rechtmatige doeleinden heeft nagestreefd; 3.2.
  24. Overwegende dat uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat de verzoekende partij geen kennelijk grotere aanspraken op de benoeming kan doen gelden en de titels en verdiensten van de kandidaten deugdelijk werden vergeleken; dat zover verzoekster aanvoert dat het bestreden besluit genomen is met machtsoverschrijding het middel samenvalt met het eerste middel en evenmin gegrond is; dat verzoekster geen andere argumenten aanvoert die het middel van machtsafwending ondersteunen; dat er geen reden is om de zaak wegens machtsafwending naar de algemene vergadering van de afdeling administratie te verwijzen, BESLUIT: Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3784-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3784-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.936 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.