id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.937 Rolnummer: A. 170615/IX-5254 Zaak: Arrest 159937 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-26 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 21:44 Fiche Arrest nr 159.937 van 12 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.937 van 12 juni 2006 in de zaak A. 170.615/IX-
- In zake : Philippe JACQUET, die woonplaats kiest bij advocaten J. CRUYPLANTS en V. KATZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Defacqzstraat 78-80 tegen : de Politiezone ANDERLECHT/SINT-GILLIS/VORST, die woonplaats kiest bij advocaat K. LARDENOIT, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Philippe JACQUET op 28 februari 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : - de beslissing van 18 januari 2006 van de korpschef van de politiezone nr. 5341 Anderlecht/Sint-Gillis/Vorst waarbij hij herplaatst wordt van de Dienst voor Opsporing en Onderzoek naar de Dienst Wijk 13, en van - de beslissing van 20 februari 2006 van de korpschef om zijn besluit van 18 januari 2006 te handhaven; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur H. COLIN, op grond van de artikelen 93 en 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; IX-5254-1/12 Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikkingen van 13 april 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. KATZ en advocaat O. LOUPPE, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat K. LARDENOIT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, hoofdinspecteur van politie bij de politiezone 5341 Anderlecht/Sint-Gillis/Vorst, was, vooraleer hij bij de thans bestreden beslissingen werd herplaatst, rechercheur bij de dienst Opsporing en Onderzoek (D.O.O.), hoofd van de ploeg “zeden” in de sectie “Schending van Personen”. Deze dienst werd in januari 2005 gereorganiseerd. 1.
- Op 11 april 2005 richt politiecommissaris Vergauts, zijnde de adjunct van politiecommissaris Wolter, directeur van D.O.O., een nota aan zijn directeur in verband met de werkwijzen van verzoeker. Aanleiding ervan is een nota die verzoeker onder meer naar de gerechtelijke overheid gestuurd heeft in verband met de laattijdige toezending van verslagen inzake het informantenbeheer. In fine van de nota vraagt commissaris Vergauts om de korpschef te contacteren teneinde verzoeker een andere dienst toe te wijzen. IX-5254-2/12 1.
- Op 13 april 2005 rapporteert politiecommissaris Wolters aan de korpschef. In zijn verslag brengt hij enerzijds de “beroepsmatige problematiek” en anderzijds de werksfeer van de afdeling D.O.O. ter sprake. Daarin wordt duidelijk geattendeerd op de onwil die verzoeker aan de dag blijkt te leggen sinds de herstructurering van de dienst. Als besluit vraagt hij aan de korpschef de verplaatsing van verzoeker naar een andere dienst in de zone te willen overwegen. 1.
- Gevolg gevend aan het verslag van 13 april 2005, wordt verzoeker op 29 april 2005 door politiecommissaris Cox verhoord opdat de korpschef zou kunnen beschikken over verzoekers zienswijze alvorens in het kader van een eventuele mutatie zijn bevoegdheden inzake de verdeling van de taken binnen het politiekorps, zoals voorzien in artikel 44 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, uit te oefenen. 1.
- Op 3 mei 2005 wordt verzoeker door de korpschef verhoord “in het kader van een mogelijke beslissing tot overplaatsing van het personeelslid tot het vrijwaren van de goede werking van de dienst”. 1.
- Op 4 mei 2005 neemt de korpschef een “beslissing tot delocalisatie”. Verzoeker wordt met ingang van 9 mei 2005 “afgedeeld” naar “commissariaat COM.W” om er voor een “proefperiode van 6 maanden” ingeschakeld te worden in een “proefproject van restructuratie van de dienst SER” waarbij hij, onder de leiding van DIR.Q 13 als onderzoeker van de dienst SER een “aantal lokale criminaliteitsfenomenen zal bestrijden van de wijk Wielemans en andere”, met dien verstande dat hij de “lopende zaken” nog verder moet overmaken aan en afhandelen met commissaris Wolter. 1.
- Op 12 mei 2005 wijst de korpschef, in zijn hoedanigheid van lagere tuchtoverheid, hoofdinspecteur van politie Van Dam aan om, naar aanleiding van het verslag van 13 april 2005 van commissaris Wolter, een voorafgaand onderzoek uit te voeren zoals bedoeld in artikel 32 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Op 23 mei 2005 deelt de voorafgaand onderzoeker de resultaten van zijn onderzoek mee aan de korpschef. In een tussentijdse analyse stelt hij dat het duidelijk is dat er zich recentelijk een aantal spanningsvelden hebben voorgedaan IX-5254-3/12 onder de leden van D.O.O. en dat dieper ingaan op het onderzoek als resultaat kan hebben dat de groep opnieuw riskeert in twee kampen verdeeld te worden. Op 27 juni 2005 richt de korpschef een “schriftelijke functioneringsopmerking” aan verzoeker, waarin hij enerzijds meedeelt dat het verslag van 13 april 2005 niet het voorwerp dient uit te maken van een tuchtprocedure, maar anderzijds, op grond van de overweging dat verzoekers optreden mede tot gevolg heeft gehad dat er zware spanningen zijn ontstaan tussen de hiërarchie en hemzelf, de volgende functioneringsopmerking maakt : “Ik nodig u uit om voortaan meer aandacht te schenken aan en bij te dragen tot een harmonische relatie met uw hiërarchie.” Bij het in ontvangst nemen van de nota merkt verzoeker aan dat “integriteit en loyauteit werderzijds (moeten) zijn (dat) de opmerking ook zou moeten gelden voor de dir. D.O.O. en zijn ondergeschikten (en dat) met de tijd de ware feiten wel aan het licht zullen komen”. 1.
- Op 27 oktober 2005 richt politiecommissaris Wolter een verslag aan “Monsieur le D.G.O. - CP Philippe BOUCAR”, waarin hij met betrekking tot verzoeker een aantal negatieve gegevens aanhaalt die niet voorkomen in zijn eerder verslag van 13 april
- Hij beëindigt zijn verslag als volgt : “Partant de tout ce qui précède, je vous demande d’envisager la fin du détachement de L’INPP JACQUET du S.E.R., et de le réorienter définitivement vers un autre service de la Zone.” 1.
- Verzoeker wijst erop dat hij, in het kader van de “mobiliteit” op 5 januari 2006 van zijn dienstchef de vermelding “goed” heeft gekregen met een zeer gunstige beoordeling van zijn prestaties. 1.
- Met een brief van 18 januari 2006 deelt de korpschef aan verzoeker mee wat volgt : “Op basis van art. VI.II.85 e.v. van het KB van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten heb ik besloten U te herplaatsen van de dienst SER naar de dienst Wijk 13, met ingang van 1 februari
- Er wordt van U verwacht dat U er de functie van hoofdinspecteur-opsteller vervult en de taken uitvoert die DIR Q 13 u oplegt, taken in het kader van de wijkwerking zoals omschreven in de Algemene Instructie nummer 1 onder het hoofdstuk ‘De Afdelingen - De Wijken”. IX-5254-4/12 Die beslissing maakt het eerste voorwerp uit van het onderhavig beroep. 1.
- Naar aanleiding van de brief van 18 januari 2006 : - richt het Syndicaat van de Belgische Politie op 30 januari 2006 een brief aan de korpschef, waarin onder meer wordt vastgesteld dat de brief van 18 januari 2006 “geen enkele zinnige motivatie” bevat en waarin wordt verzocht “om de schorsing van uw beslissing door de zoneoverheid”; - richten de raadslieden van verzoeker op 15 februari 2006 een brief aan de korpschef, waarin er onder meer op gewezen wordt dat verzoeker op 31 januari 2006 een gemotiveerde klacht heeft ingediend wegens “bestoken” bij de Algemene Inspectie van de Federale Politie en de Plaatselijke Politie, en waarin wordt verzocht onmiddellijk te herstellen in zijn vorige functie van onderzoeker; 1.
- Met een brief van 20 februari 2006 deelt de korpschef aan de raadslieden van verzoeker mee wat volgt : “Naar aanleiding van uw aangetekend schrijven van 15 februari j.l. en navolgend aan mijn brief met referte S-06-0154 van 18 januari 2006 gericht aan mijnheer Jacquet Philippe, dewelke u zou vertegenwoordigen, gelieve kennis te willen nemen van hetgeen volgt. (...)
- REFERENTIES 1.
- Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - (artikelen 44, 120 en 124) 1.
- Koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (Mammoetbesluit) - art. VI.II.85, 8/ en VI.II.86 e.v. 1.
- Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurdshandelingen (artikelen 1, 2, 3, 5, e.v.) 1.
- Beslissing tot tijdelijke delocalisatie na hoorzitting van de HINP JACQUET Philippe met referentie IGP-231/SCI-222/2005 dd. 4/05/2005 (kopie in bijlage) 1.
- Beslissing tot herplaatsing van de HINP JACQUET Philippe met referentie S-06-0154 dd. 18/01/2006 1.
- Schrijven van de gevolmachtigde van SYBOL.BE, de genaamde Renaers Hendrik met referentie JP/HR/0611201 dd. 30/01/2006 1.
- Aangetekend schrijven van de raadsheren Louppe en Cruyplants met referentie JZ24322-060214-02-NL-ol/lm dd. 15/02/2006
- AFHANDELING EN BESLISSING Overwegende dat : Naar motivatie van de beslissing bedoeld in referentie 1.
- . voorafgaand en aan de basis aan de beslissing bedoeld in punt 1.
- supra een problematiek zich stelt inzake de verstoring van de goede verstand- houding en/of de goede werking binnen de dienst; IX-5254-5/12 . in casu een gemotiveerde beslissing tot delocalisatie van de HINP Jacquet naar de wijk 13 was betekend op datum van 4 mei 2005 met ingang van 9 mei 2005 en waarin duidelijk werd gesteld dat hij zou worden ingeschakeld in een proefproject van restructuratie van de dienst SER, waarbij hij een aantal lokale criminaliteitsfenomenen zou bestrijden van de wijk ‘Wielemans’ en andere; . in voornoemde gemotiveerde beslissing in duidelijke bewoordingen werd gesteld dat de delocalisatie met behoud van de hoedanigheid van lid van de lokale recherche werd toegekend voor een proefperiode van 6 maanden, dewelke eventueel kon ingekort of verlengd worden, afhankelijk van de omstandigheden; . de beslissing tot het opstarten van dit proefproject mede gebaseerd werd op het feit dat de HINP Jacquet het voornemen had de politiezone te verlaten via de mobiliteit, dat zijn kansen als reëel werden ingeschat en dat het weinig opportuun leek betrokkene de ‘loutere duur’ van zijn kandidaatstellingen de vergoedingen verbonden aan zijn functie als onderzoeker van de lokale recherche te ontzeggen; . het proefproject op menselijk vlak als een tussenoplossing kon beschouwd worden voor de bijzondere situatie van de HINP Jacquet; . na evaluatie van een lopende proefperiode van 7 maanden en na de CP Wolter als dienstchef van de SER gehoord te hebben werd beslist in de schoot van de algemene directie van de PZ Zuid het proefproject niet te verlengen, noch eenzelfde type project op te starten in een andere wijk; . dat ondertussen bleek dat betrokkene met weinig succes solliciteerde en blijft solliciteren voor diverse ‘extra-zonale’ betrekkingen via de mobiliteit; . voorgaande beslissing kaderde in het normale beheer van de politiezone op basis van het artikel 44 bedoeld in referentie 1.1.; . de problematiek die aan de basis lag van de oorspronkelijke beslissing tot delocalisatie blijft bestaan; . de CP Vandervelden zich op positieve wijze heeft uitgelaten over het functioneren van de HINP Jacquet in de schoot van de wijk ‘Wielemans’ en deze laatste de bedoelde wijk beter heeft leren kennen; . het amalgameren van een gedeconcentreerd lid van de lokale recherche met de normale wijkdienst niet in directe overeenstemming te brengen is met de visie - missie en waarden van de politiezone Zuid wat de toepassing van de ‘Community Oriented Policing’ betreft zoals bedoeld in de omzendbrief CP1 van 27 mei 2003 van de heer Minister van Binnenlandse Zaken, noch met de efficiënte invulling van de basis-functionaliteit van ‘lokale recherche’; Naar antwoord op het schrijven van Dhr. Renaers SYPOL.BE op datum van 30/01/2006 . hij voorafgaand aan zijn schrijven op vrijdag 27/01/2006 tijdens een telefonisch onderhoud aanhaalde dat er wettelijke bepalingen waren die de herplaatsing verboden en dat hij deze schriftelijk zou melden; . het schrijven bedoeld in referentie 1.
- een vage verwijzing maakte naar een nog te publiceren beschermingsclausule, dewelke zou verschijnen op 30/01/2006; . deze beschermingsclausule waarbij sprake zou zijn van ‘één jaar werk- zekerheid’ tot op heden nog niet gepubliceerd werd en alleszins niet van toepassing zou geweest zijn, aangezien deze van kracht zou worden vanaf publicatie; . tijdens een nieuw telefonisch onderhoud met Dhr. Renaers in de 1ste week van februari j.l. duidelijk werd gesteld dat de wettelijke argumentatie tot hiertoe niet voorhanden was, waarop hij beloofde de nodige argumenten te laten geworden, hetgeen tot hiertoe nog steeds niet gebeurd is; IX-5254-6/12 . ik de verwijzing naar ‘vooringenomenheid’ en een mogelijk gebrek aan onpartijdigheid van mijnentwege als smadend beschouw. Naar aanvullend antwoord op uw aangetekend schrijven bedoeld in referentie 1.
- . ik bijkomend aan de gemotiveerde beslissing tot delocalisatie weernomen in referentie 1.
- en mijn aansluitende beslissing in referentie 1.
- meen door mijn antwoord supra de wettelijke motiveringsplicht ‘in extenso’ én ‘in tempore non suspecto’ te hebben nageleefd; . ik weinig begrijp van uw schrijven, aangezien meerdere termen die u gebruikt (cfr. ‘bestoken’, ‘de werkgever die een werknemer bezet of ... inzake bestoken ...’, ‘... behalve voor redenen vreemd aan deze klacht of actie’ enz.) ofwel niet bestaan in de courante wetgeving of mogelijk een heel slechte vertaling betreffen uit het Frans; . mijn inziens de zogenaamde ‘welzijnswet’ van 4 augustus 1996 niet van toepassing is op de politie voor wat de door u aangehaalde clausules betreft, aangezien deze ‘algemene wetgeving’ op dit vlak verder werd verfijnd door de ‘specifieke/bijzondere wetgeving’ bedoeld in mijn referentie 1.1.; . het systeem van rechtszekerheid en werkbescherming zoals u aanhaalt via het artikel 32tredecies van de ‘welzijnswet’ en eveneens van toepassing in de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (B.S. 22/06/2002) in de context van mijn beslissing niet van toepassing is. De beslissing tot herplaatsing werd genomen vooraleer uw cliënt klacht heeft ingediend en uit uw schrijven blijkt bovendien dat het net deze beslissing is die de aanleiding is tot de klacht zonder enige verdere motivatie - het zogenaamde rechtsbeginsel ‘exceptio non adimpleti contractus’ is hier niet van toepassing !; . indien elke mutatie of herplaatsing bij toepassing van de artikelen in referenties 1.
- en 1.
- het voorwerp zouden uitmaken van een dergelijk type niet gefundeerde klacht of indien elke beleidsbeslissing op deze wijze in twijfel zou worden getrokken het quasi onmogelijk zou worden om de basispricipes van ‘C.O.P.’ en informatiegestuurde politiezorg toe te passen in een grote en dynamische organisatie als deze van de PZ Zuid; . specifiek wat de betalingen betreft van de vergoedingen zoals voorzien in de artikelen XI.IV.3 tot en met artikel XI.IV.5 en XII.XI.21 van de PJPOL, in geen geval deze kunnen beschouwd worden als een verworven recht. De artikelen XI.IV.5 en XII.XI.21 §3 in fine van de PJPOL laten geen twijfel bestaan over de rechtmatige bejegening van de HINP Jacquet op dit vlak - bovendien blijkt uit de aanvankelijke beslissing tot delocalisatie van betrokkene dat de eventuele financiële gevolgen van mijn beslissing tot herplaatsing zo lang mogelijk uitgesteld werden, zonder dat hiertoe de wettelijke noodzaak bestond ! deel ik u mede dat ik NIET kan ingaan op uw verzoek en dat ik mijn beslissing, zoals bedoeld in referentie 1.
- handhaaf.” Deze beslissing maakt het tweede voorwerp uit van het onderhavig beroep; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt dat het haar niet duidelijk is waarom zij in de procedure betrokken wordt, nu het bestreden besluit uitgaat van de korpschef; IX-5254-7/12 2.1.
- Overwegende dat de politiezone 5341 als rechtspersoon verantwoordelijk is voor de beslissingen van haar organen; dat zij als rechtspersoon ook uiteindelijk verantwoordelijk zal zijn voor de uitvoering van het arrest en in die zin, strikt juridisch gezien, zelfs de enig mogelijke tegenpartij is; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij ook opmerkt dat het beroep in zijn eerste voorwerp niet ontvankelijk is aangezien tegen het besluit van 18 januari 2006 een willig beroep ingediend werd bij de steller van de akte en deze als gevolg daarvan op 20 februari 2006 een nieuwe beslissing heeft genomen; 2.2.
- Overwegende dat het standpunt van de verwerende partij bijgevallen wordt; dat uit de beslissing van de korpschef van 20 februari 2006 blijkt dat hij de kritiek die namens verzoeker tegen het besluit van 18 januari 2006 was geuit, onderzocht heeft en vervolgens tot het besluit gekomen is dat hij zijn beslissing wenste te handhaven; dat dit nieuw besluit in de plaats gekomen is van het besluit van 18 januari 2006 hetwelk sindsdien dan ook geen enkele rechtskracht meer heeft; dat het onderhavig beroep, wat het eerste voorwerp betreft, kennelijk niet ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing een ernstige maatregel is, waaromtrent hij voorafgaandelijk gehoord diende te worden; dat hij in dat verband erop wijst dat het bestreden besluit zijn proefperiode van 6 maanden, waartoe op 4 mei 2005 besloten was, niet verlengt en dat de nieuwe beslissing een “fundamentele verandering in (zijn) functies tot gevolg heeft door de voorwaarden voor zijn dagelijks werk radicaal te wijzigen”; dat volgens hem een bestuur geen ernstige maatregel, die verband houdt met het gedrag van een ambtenaar, mag treffen zonder dat deze zijn argumenten naar voren heeft kunnen brengen, zowel wat betreft zijn persoonlijk gedrag als wat betreft het belang van de dienst; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen, neergelegd in de schorsingszaak, betoogt dat verzoeker “driemaal verhoord” werd, met name op 29 april, 3 mei en 17 mei 2005, en dat hij mededeling gekregen heeft van alle stukken, zoals blijkt uit de beslissing van 4 mei 2005; IX-5254-8/12 3.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit betrekking heeft op de herplaatsing van verzoeker van de dienst D.O.O./S.E.R. naar de dienst “Wijk 13”, overeenkomstig artikel VI.II.85, 8/ RPPol; dat deze overplaatsing bij ordemaatregel naar de functie van hoofdinspecteur-opsteller en voor de taken die DIR Q 13 hem in het kader van de wijkwerking oplegt, blijkens de motivering van het bestreden besluit essentieel steunt op de vaststelling
(1)dat “de problematiek die aan de basis lag van de oorspronkelijke beslissing tot delokalisatie -waarmee bedoeld wordt de beslissing van 4 mei 2005- blijft bestaan”,
(2)dat het diensthoofd van wijk 13 “zich op positieve wijze heeft uitgelaten over het functioneren van (verzoeker) in de schoot van de wijk ‘Wielemans’ en deze laatste de bedoelde wijk beter heeft leren kennen” en
(3)dat de pogingen van verzoeker om bij wege van de mobiliteitsregeling het korps te verlaten weinig succesvol bleken, terwijl
(4)vanuit organisatorisch oogpunt besloten was het proefproject waarin verzoeker in mei 2005 werd tewerkgesteld, niet voort te zetten noch dergelijk project elders te herhalen; dat blijkens de motivering van dat besluit van 4 mei 2005, die vermelde “problematiek” betrekking had op het teloorgaan van het wederzijds vertrouwen tussen verzoeker en zijn hiërarchische meerderen binnen de dienst D.O.O./S.E.R. waardoor de werksituatie binnen die dienst sinds de doorgevoerde hervorming in januari 2005 verziekt was zodat de goede werking -een “gespecialiseerde dienst” die “gezien haar precaire werkzaamheden op het vlak van informantenbeheer, criminaliteitsfenomenen e.a. gesteund dient te zijn op een bijna onwrikbaar vertrouwen, groepsgeest en ruisloos communicatiemodel als fundamenten”- dreigde verstoord te geraken; dat verzoeker derhalve terecht stelt dat het bestreden besluit steunt op gegevens die aan zijn persoon refereren; dat het overplaatsingsbesluit de belangen van verzoeker ook ernstig beïnvloedt aangezien hij nu ingeschakeld wordt in de wijkwerking, niet langer rechercheur/enquêteur is en ook de financiële voordelen verliest die met die functie verbonden waren; dat daaruit volgt -en de verwerende partij betwist dat ook niet- dat verzoeker de mogelijkheid moest krijgen om vooraleer deze maatregel getroffen werd, zijn standpunt over de voorgenomen herplaatsing van de dienst D.O.O./S.E.R. naar de wijk 13, ter kennis van het bestuur te brengen; 3.3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat verzoeker de gelegenheid gekregen heeft om zijn visie ter kennis van het bestuur te brengen; dat zij te dien aanzien verwijst naar het verhoor van verzoeker, op 29 april 2005, door commissaris COX in het kader van de door het diensthoofd D.O.O. gevraagde herplaatsing wegens conflicten met zijn hiërarchische meerderen (stuk 43 administratief dossier), naar een tweede verhoor op 3 mei 2005 door de korpschef IX-5254-9/12 zelf (stuk 61 van het administratief dossier) en naar een derde verhoor op 17 mei 2005 afgenomen in het kader van een voorafgaand onderzoek inzake tucht tegen verzoeker (stuk 74 administratief dossier); 3.3.2.2.
- Overwegende dat het laatstvermeld verhoor kaderde in de vraag of tegen verzoeker een tuchtprocedure opgestart zou worden voor feiten die hij gepleegd zou hebben toen hij nog binnen de dienst D.O.O./S.E.R. zelf actief was; dat, rekening houdend met de eigen finaliteit van dergelijk verhoor -met name de schuld van verzoeker vaststellen ten aanzien van bepaalde gedragingen die hem als een tekortkoming ten laste worden gelegd- en gelet op wat hierna wordt uiteengezet ten aanzien van het tijdsverloop tussen dat verhoor en het bestreden besluit, de verwerende partij dat verhoor niet kan aanwenden om vast te stellen dat het belang van de dienst een statutaire maatregel van verwijdering uit de dienst noodzaakte; 3.3.2.2.
- Overwegende dat de twee andere verhoren, waarnaar de verwerende partij verwijst, afgenomen zijn vooraleer de beslissing van 4 mei 2005 werd genomen; dat die beslissing geen statutaire beslissing inzake herplaatsing is, maar een interne maatregel waarbij de korpschef verzoeker zijn hoedanigheid van rechercheur bij D.O.O./S.E.R. heeft laten behouden maar hem, voor een proefperiode van zes maanden -die vervolgens stilzwijgend is verlengd-, opdrachten toevertrouwd heeft met lokalisatie in de wijk 13; 3.3.
- Overwegende dat, afgaande op de hiervoor vermelde wezenlijke motieven waarop het bestreden besluit steunt, en aangenomen zelfs dat de verwerende partij eigenmachtig kon beslissen dat er vanuit organisatorisch oogpunt niet langer ruimte was om het proefproject waarin verzoeker met het besluit van 4 mei 2005 tewerkgesteld werd, voort te zetten of om elders een nieuw project op te starten, in ieder geval de vaststelling blijft dat de korpschef nu opnieuw verwijst naar de aantasting van de goede werking van de dienst wegens de conflicten tussen verzoeker en de hiërarchie in de dienst D.O.O./S.E.R. toen hij daar nog werkzaam was; dat, inzonderheid rekening houdend met het feit dat verzoeker reeds geruime tijd niet meer in de dienst aanwezig was en het niet uitgesloten is dat de houding van de betrokkenen geëvolueerd is, hij ook verzoeker de gelegenheid had moeten geven zijn visie te actualiseren, zo over de aard van de voorgenomen maatregel als over zijn determinerende motieven; dat de verhoren van 29 april en 3 mei geen deugdelijke grondslag vormen voor het bestreden besluit; dat het middel gegrond is; dat de IX-5254-10/12 voorwaarden vervuld zijn om de verkorte procedure van artikel 94 van het procedurereglement toe te passen;
- Overwegende dat het kennelijk gegrond bevinden van het hiervoor besproken middel en de vernietiging van het bestreden besluit op die grond tot gevolg heeft dat de subsidiaire vordering tot schorsing van het bestreden besluit geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 20 februari 2006 van de korpschef van de politiezone nr. 5341 Anderlecht/Sint-Gillis/Vorst om zijn besluit van 18 januari 2006 waarbij Philippe JACQUET herplaatst wordt van de Dienst voor Opsporing en Onderzoek naar de Dienst Wijk 13, te handhaven. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5254-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5254-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.937 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div