← België

Arrest 159967 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.967 Rolnummer: A. 63420/IX-584 Zaak: Arrest 159967 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-26 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 21:45 Fiche Arrest nr 159.967 van 12 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.967 van 12 juni 2006 in de zaak A. 63.420/IX-

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Justitie, thans de minister van Ambtenarenzaken,
  3. de minister van Pensioenen tegen : Marie-Jeanne VERHEYEN, wonende te GENK, Weg naar As 9, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat op 24 april 1995 heeft ingediend om de gedeeltelijke nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 7 februari 1995 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen inzake Marie-Jeanne VERHEYEN; Gezien de toelichtende memorie van verzoekster; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 26 maart 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 6 maart 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 8 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-584-1/5 Gehoord de opmerkingen van eerste attaché van Financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1 Jozef CASTELAIN, oorlogsinvalide 1940-45, genoot sedert 1 december 1992 een pensioen berekend op 85% invaliditeit. Hij overleed op 2 januari
  6. 1.2 Zijn weduwe, Marie-Jeanne VERHEYEN, vraagt op 24 januari 1994 het reversiepensioen aan dat bij de wet van 4 juni 1982 tot wijziging van de pensioenregeling der oorlogsweduwen (hierna: wet van 4 juni 1982) ten gunste van de langstlevende echtgenoot van een oorlogsinvalide ingesteld werd. 1.3 De minister van Pensioenen beslist op 12 juli 1994 dat zij met ingang van 1 april 1994 op dit pensioen recht heeft. 1.4 De verwerende partij tekent op 25 juli 1994 tegen deze beslissing hoger beroep aan. Zij laat gelden dat, aangezien het invaliditeitspensioen van haar echtgenoot slechts tot 31 januari 1994 werd uitbetaald, ofwel het weduwenpensioen haar vanaf 1 februari 1994 dient te worden toegekend ofwel het invaliditeitspensioen voor de maanden februari en maart 1994 moet worden uitbetaald. 1.5 In haar beslissing van 7 februari 1995 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen het beroep gegrond en beslist dat het weduwen- pensioen op 1 februari 1994 een aanvang neemt. De motivering luidt als volgt : IX-584-2/5 “Aangezien aan de overledene slechts een invaliditeitspensioen betaald is geweest tot 31 januari 1994 dient de ingangsdatum bepaald te worden op de eerste van de maand die volgt op de aanvraag en dus op 1 februari en niet op 1 april 1994.” Dit is de bestreden beslissing waarvan de gedeeltelijke nietigverkla- ring gevorderd wordt, met name wat de ingangsdatum van het weduwenpensioen betreft. Zij is aan de administratie der Pensioenen betekend op 22 maart
  7. Over de gegrondheid. 2.1 Overwegende dat verzoekster als enig middel de schending aanvoert van artikel 12 van de wet van 4 juni 1982, zoals vervangen door artikel 27, 7/, van de wet van 7 juni 1989 houdende instelling van nieuwe maatregelen ten gunste van de oorlogsslachtoffers (hierna: wet van 7 juni 1989); dat zij betoogt dat de commissie van beroep voor vergoedingspensioen de ingangsdatum van het weduwenpensioen op 1 februari 1994 bepaalt in plaats van op 1 april 1994; dat, terwijl de bepalingen van artikel 12, a, van de wet van 4 juni 1982 dwingend zijn en geen uitzonderingen bevatten; 2.2 Overwegende dat artikel 12 van de wet van 4 juni 1982, zoals vervangen door artikel 27, 7/, van de wet van 7 juni 1989, luidt als volgt : “Het pensioen gaat in: a) op de eerste dag van het burgerlijk kwartaal volgend, naargelang van het geval, op het overlijden van de invalide of het overlijden van de langstlevende echtgenoot, voor zover de aanvraag voor het einde van de derde maand volgend op die van het overlijden ingediend wordt; b) op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend, in alle andere gevallen; wanneer een langstlevende echtgenoot zijn rechten op pensioen verliest in toepassing van de artikelen 3, tweede lid, of 6, gaat het wezenpensioen evenwel ten vroegste in op de eerste dag van het burgerlijk kwartaal volgend op dat tijdens hetwelk het pensioen van de langstlevende echtgenoot niet meer verschuldigd is”; dat de pensioenaanvraag door verweerster werd ingediend op 24 januari 1994, dus voor het einde van de derde maand volgend op het overlijden van haar echtgenoot; dat krachtens artikel 12, a, van de wet van 4 juni 1982 het pensioen diende in te gaan op 1 april 1994, zijnde de eerste dag van het burgerlijk kwartaal volgend op het overlijden van de invalide; dat de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen, door de ingangsdatum van het pensioen vast te stellen op 1 februari 1994, artikel 12, a, van de wet van 4 juni 1982 schendt, ongeacht de vaststelling dat daarmee de IX-584-3/5 rechten op het weduwenpensioen niet aansluiten op het overlijden van de echtgenoot van verzoekster; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt de beslissing van 7 februari 1995 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioen in de mate dat de ingangsdatum van het pensioen toegekend aan Marie-Jeanne VERHEYEN op 1 februari 1994 wordt bepaald. Artikel
  9. Dit arrest zal in de registers van bovenvermelde commissie worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  10. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen. Artikel
  11. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-584-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-584-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.967 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.