← België

Arrest 159969 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.969 Rolnummer: A. 140005/IX-4758 Zaak: Arrest 159969 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 21:45 Fiche Arrest nr 159.969 van 12 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.969 van 12 juni 2006 in de zaak A. 140.005/IX-

  1. In zake : Jeannine VOCHTEN, wonende te HOEGAARDEN, Hauthem 74 tegen : Kind & Gezin, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jeannine VOCHTEN op 4 augustus 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 6 mei 2003 van de directieraad van Kind & Gezin waarbij haar de evaluatie “onvoldoende” toegekend wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4758-1/6 Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van advocaat S. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoekster is ambtenaar bij Kind & Gezin. Zij oefent de functie uit van regioverpleegkundige bij de afdeling Vlaams-Brabant en Brussel, regio Leuven. 1.
  5. Op 12 maart 2003 heeft verzoekster een evaluatiegesprek over haar dienstuitoefening in
  6. Daarbij treedt regioteamverantwoordelijke Geert HELLINX op als eerste evaluator. Regioteamverantwoordelijke Tine SINNAEVE is als functionele evaluator eveneens bij het gesprek aanwezig. 1.
  7. Het evaluatieverslag dat op 17 maart 2003 voor kennisgeving en ontvangst door verzoekster ondertekend wordt, besluit als volgt : “De planning en de organisatie van huisbezoeken en zittingen en de registratie hiervan in Ikaros, verlopen slordig waardoor er fouten optreden waar het cliënteel en de collega’s de gevolgen van merken. Er worden initiatieven genomen die wijzen op een oncollegiale houding. En de communicatie is gebrekkig, verwarrend en soms tegenstrijdig. Gegeven het feit dat Jeannine op de verschillende competenties en op de resultaatgebieden overwegend onvoldoende scoort en gegeven het feit dat de evaluatoren een duidelijk signaal willen geven dat de knelpunten moeten verdwijnen (en niet enkel tijdelijk) wordt een onvoldoende als eindconclusie genomen.” 1.
  8. Op 1 april 2003 stelt verzoekster tegen haar evaluatie beroep in bij de raad van beroep. Zij maakt daarbij bezwaar, zowel wat betreft de evaluatieprocedure als wat betreft de inhoud van de evaluatie. 1.
  9. In zijn zitting van 22 april 2003 adviseert de raad van beroep met eenparigheid van stemmen dat het beroep van verzoekster gegrond is. IX-4758-2/6 1.
  10. In zijn vergadering van 6 mei 2003 beslist de directieraad van Kind & Gezin eenparig dat aan verzoekster de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. Die beslissing wordt met een aangetekende brief van 27 mei 2003 -naar verzoekster verklaart door haar ontvangen op 3 juni 2003- aan verzoekster toegezonden. 2.
  11. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (afgekort “stambesluit VOI”), doordat de eerste evaluator, Geert HELLINX, haar geen rechtstreekse leiding gaf, maar in een andere regio werkte en gedurende het evaluatiejaar geen contact had met haar; dat zij betoogt dat Geert HELLINX haar functioneren met onvoldoende kennis van zaken beoordeeld heeft en volledig voortgegaan is op informatie uit tweede hand, uitgaande van een contractueel personeelslid zonder evaluatiebevoegdheden; 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het haar niet geheel duidelijk is welk nadeel verzoekster geleden heeft door het feit dat haar rechtstreeks leidinggevende, Tine SINNAEVE, tijdens de bewuste evaluatie is opgetreden als tweede evaluator en niet als eerste; dat vaststaat dat Tine SINNAEVE aan het evaluatiegesprek heeft deelgenomen, dat zij mede het verslag heeft opgemaakt en haar rol heeft gespeeld, zodat de evaluatie met kennis van zaken werd uitgevoerd en verzoekster geen nadeel heeft geleden; dat zij daar aan toevoegt dat het stambesluit VOI geen sanctie bevat voor de niet-naleving van de bewuste bepaling en dat, bij gebrek aan aanwijsbaar nadeel, er geen aanleiding is om een beslissing gesteund op deze beweerde onregelmatigheid als onwettig te bestempelen; 2.
  13. Overwegende dat verzoekster repliceert dat niet Tine SINNAEVE, een “contractueel personeelslid zonder evaluatiebevoegdheden”, haar tweede evaluator was maar wel Daniëlle DE RIDDER, die niet aan het evaluatiegesprek deelgenomen heeft; dat zij in haar laatste memorie daaraan toevoegt dat Tine SINNAEVE niet aangesteld was als eerste evaluator, dat zij dan ook die rol niet kon spelen maar enkel een assisterende functie kon uitoefenen; 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie uiteenzet wat volgt : Tine SINNAEVE is de functionele chef van verzoekster; zij was opgetreden als eerste evaluator bij de vaststelling van de jaarplanning voor 2002 en IX-4758-3/6 zij hield op 29 oktober 2002 een functioneringsgesprek met verzoekster; de raad van beroep heeft vastgesteld dat de eerste evaluator nooit rechtstreeks leiding gegeven heeft aan verzoekster, maar dat dit opgevangen is door de aanwezigheid van de functionele chef bij het evaluatiegesprek en artikel VIII 16 van het stambesluit VOI bepaalt dat alle personeelsleden onder wiens functioneel gezag de te evalueren ambtenaar heeft gepresteerd via persoonlijke nota’s gunstige en ongunstige feiten kunnen vaststellen; het stambesluit VOI bevat geen sanctie bij de niet-naleving van het voorschrift dat de eerste evaluator de rechtstreeks leidinggevende van de geëvalueerde moet zijn en in ieder geval zijn de belangen van verzoekster in deze voldoende gevrijwaard door de deelname van Tine SINNAEVE aan de evaluatie; 2.5.
  15. Overwegende dat artikel VIII 9 van het stambesluit VOI, gewijzigd door de besluiten van de Vlaamse regering van 2 februari 2001 en 29 maart 2002, bepaalt : “§
  16. Tenzij anders bepaald, worden de ambtenaren geëvalueerd door ten minste twee leidinggevenden, van wie de eerste evaluator rechtstreeks leiding geeft aan de geëvalueerde. De evaluator mag niet van een lagere rang zijn dan de geëvalueerde. §
  17. Onder “leidinggevende” wordt in § 1 begrepen : de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtena(a)r(en) en de afdelingshoofden ten overstaan van de personeelsleden die onder hun gezag staan en de ambtenaar of het contractuele personeelslid met hiërarchische bevoegdheid overeenkomstig artikel XIV 19 die zijn aangewezen om gezag uit te oefenen over een aantal personeelsleden.” 2.5.
  18. Overwegende dat een ambtenaar er uiteraard belang bij heeft dat hij geëvalueerd wordt door personen die daarvoor bevoegd zijn; dat overeenkomstig artikel VIII 9 stambesluit VOI de eerste evaluator in ieder geval de persoon moet zijn die de rechtstreekse leiding heeft over de geëvalueerde; 2.5.
  19. Overwegende dat verzoekster reeds voor de raad van beroep erop gewezen had dat het evaluatiegesprek met een andere eerste evaluator dan Tine SINNAEVE gevoerd was en dat Geert HELLINX geen leiding had over haar; dat zij nu voor de Raad van State kan aanvoeren dat de verwerende partij de voorgeschreven procedure niet correct gevolgd heeft; 2.5.
  20. Overwegende dat het evaluatieverslag opgesteld is door Geert HELLINX, die in de periode waarop de evaluatie betrekking heeft niet de naasthogere chef van verzoekster was; dat hij derhalve niet bevoegd was om als eerste evaluator van verzoekster op te treden en het evaluatieverslag op te stellen; dat IX-4758-4/6 de verwerende partij niet aantoont dat de rechtspositieregeling uitsluit dat Tine SINNAEVE, als functionele chef van verzoekster, als eerste evaluator het evaluatieverslag had kunnen redigeren; dat daarbij vastgesteld wordt dat artikel XIV 19 van het stambesluit VOI precies voorschrijft dat contractuele personeelsleden met een salarisschaal van niveau A die leiding geven over een entiteit binnen de instelling, “hiërarchische bevoegdheid” hebben; dat de omstandigheid dat Tine SINNAEVE als functionele evaluator door Geert HELLINX betrokken is geworden bij de evaluatie -wat niet hetzelfde is als eigenmachtig het evaluatiegesprek voeren en zelf het evaluatieverslag opstellen- de begane onregelmatigheid niet kan goedmaken; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  21. Vernietigd wordt de beslissing van 6 mei 2003 van de directieraad van Kind & Gezin waarbij aan Jeannine VOCHTEN de evaluatie “onvoldoende” toegekend wordt. Artikel
  22. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-4758-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4758-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.969 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.