← België

Arrest 159970 - - 12/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.970 Rolnummer: A. 128554/IX-3565 Zaak: Arrest 159970 - - 12/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 21:46 Fiche Arrest nr 159.970 van 12 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.970 van 12 juni 2006 in de zaak A. 128.554/IX-

  1. In zake : Jean-Pierre AMEYE, wonende te GENT, Kortrijksesteenweg 1033 tegen : de Rijksdienst voor Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Pierre AMEYE op 25 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 2 september 2002 van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen waarbij hij tot de weddeschaal 10C bevorderd wordt, in de mate dat de ingangs-datum van zijn bevordering bepaald wordt op 1 juni 2002 en niet terugwerkt tot 1 januari 1998; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelings-hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 april 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 22 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3565-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BREPOELS die, loco advocaat H. KETSMAN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoeker is ambtenaar met de graad van adjunct-adviseur bij de Rijksdienst voor Pensioenen. 1.
  4. Op 10 december 1998 wordt aan verzoeker medegedeeld dat hem voor de periode van 15 september 1997 tot 14 september 1998 de evaluatie “goed” is toegekend. Op 16 december 1998 stelt verzoeker tegen die evaluatie beroep in bij de raad van beroep. 1.
  5. Met een bericht nr. 604/A van 7 januari 1999 wordt een voorstel bekendgemaakt tot bevordering door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 10C, verbonden aan de graad van adjunct-adviseur. Het bericht vermeldt onder meer het volgende : “Van de 45 door het koninklijk besluit van 2 december 1997 tot vaststelling van de personeelsformatie van de Rijksdienst voor Pensioenen opgerichte betrekkingen worden er slechts 43 voor onmiddellijke bevordering ingezet. Twee betrekkingen (1 Nl - 1 Fr) zijn bij bewarende maatregel geblokkeerd ingevolge lopende procedures. (...) De eerste 43 kandidaten (23 Nl - 20 Fr) zullen worden voorgedragen bij het Beheerscomité voor bevordering op 1 januari 1998, datum waarop het koninklijk besluit van 2 december 1997 tot vaststelling van de personeelsformatie van de Rijksdienst voor Pensioenen uitwerking heeft.” Verzoeker wordt niet opgenomen in de lijst van voorgedragen kandidaten, maar in de opsomming van de Nederlandstalige kandidaten wordt de IX-3565-2/8 tweede plaats opengelaten, ingevolge het beroep dat verzoeker tegen de hem toegekende evaluatie “goed” heeft ingesteld. 1.
  6. Op 25 januari 1999 worden 43 adjunct-adviseurs met ingang van 1 januari 1998 door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 10C bevorderd. 1.5.
  7. Met een bericht nr. 689/A van 4 juli 2000 wordt bekendgemaakt dat Jan Bevernage aan het beheerscomité zal worden voorgedragen om door verhoging in weddeschaal bevorderd te worden tot de weddeschaal 10C met ingang van 1 augustus
  8. Die bevordering gebeurt op 22 januari
  9. 1.5.
  10. Met een bericht nr. 718/A van 20 februari 2001 wordt bekendge- maakt dat Herman Van Keer aan het beheerscomité zal worden voorgedragen om door verhoging in weddeschaal bevorderd te worden tot de weddeschaal 10C met ingang van 1 februari
  11. Die bevordering gebeurt op 26 maart
  12. De verwerende partij verstrekt in haar memorie van antwoord in verband met die bevordering de volgende toelichting : “Er werd een klacht ingediend door de heer Herman VAN KEER die dreigde naar de Raad van State te stappen binnen de daartoe openstaande termijn, indien hij niet onmiddellijk in de plaats van de heer BEVERNAGE zou worden bevorderd door verhoging tot weddeschaal 10 C. Na onderzoek van de door de heer VAN KEER aangehaalde redenen bleek inderdaad dat zijn graad- en dienstanciënniteit hoger waren dan die van de heer BEVERNAGE. (...). De heer Herman VAN KEER werd dan ook voorgedragen voor de bevordering door verhoging in weddeschaal tot weddeschaal 10 C (ingevolge bericht nr. 718/A) om benoemd te worden per 1 februari 2001 in een betrekking die door het beheerscomité aanvankelijk was gereserveerd ten behoeve van de heer AMEYE. In zitting van 26 maart 2001 werd de heer VAN KEER dienvolgens bevorderd per 1 februari 2001 tot de weddeschaal 10 C.” 1.
  13. Op 12 februari 2002 wordt aan verzoeker medegedeeld dat na onderzoek van zijn evaluatiedossier en van het advies van de raad van beroep het beheerscomité in zitting van 28 januari 2002 beslist heeft om de toegekende evaluatie voor de periode van 15 september 1997 tot en met 14 september 1998 als nietig te beschouwen en bijgevolg een nieuwe evaluatieprocedure in te leiden voor die periode. Op 29 mei 2002 wordt aan verzoeker medegedeeld dat hem voor de periode van 15 september 1997 tot 14 september 1998 de evaluatie “zeer goed” is toegekend. IX-3565-3/8 1.7.
  14. Met een bericht nr. 793/A van 25 juli 2002 wordt bekendgemaakt dat verzoeker aan het beheerscomité zal worden voorgedragen om door verhoging in weddeschaal bevorderd te worden tot de weddeschaal 10C met ingang van 1 juni
  15. 1.7.
  16. Op 2 september 2002 wordt verzoeker met ingang van 1 juni 2002 door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 10C bevorderd. Van dit besluit vraagt verzoeker thans de gedeeltelijke vernietiging. 2.
  17. Overwegende, wat het belang betreft, dat verzoeker betoogt dat hij slechts vanaf 1 juni 2002 in de weddeschaal 10C bevorderd is, terwijl hij recht had op een bevordering vanaf 1 januari 1998, hetgeen hem een aanzienlijk financieel voordeel zou opleveren, het statutair voordeel dat zijn anciënniteit aanvangt op dezelfde dag als de 43 andere kandidaten en een morele voldoening, aangezien de bevordering met terugwerkende kracht het resultaat is van de omzetting van zijn oorspronkelijke beoordeling “goed” in de beoordeling “zeer goed”; 2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij het belang van verzoeker betwist, vooreerst omdat hij nagelaten heeft de bevordering van H. VAN KEER bij de Raad van State te bestrijden, terwijl die bevordering gebeurde in een betrekking die tot dan voorlopig -wegens de hangende procedure inzake zijn beoordeling- voor verzoeker gereserveerd was en vervolgens omdat zijn bevordering volledig overeenstemt met de voorwaarden vermeld in de oproep nr. 793/A van 25 juli 2002, aangezien de daarmee opengestelde betrekking vacant werd op 1 juni 2002; 2.
  19. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het beheerscomité van de verwerende partij H. VAN KEER had moeten benoemen in de betrekking waarin J. BEVERNAGE benoemd is en dat de betrekking die in zijn voordeel geblokkeerd was, geblokkeerd had moeten blijven totdat er uitsluitsel bestond over zijn beoordeling; dat hij daaraan toevoegt dat hij de bevordering van H. VAN KEER niet kon bestrijden bij gebrek aan kennis van het feit dat die bevordering gebeurde in de betrekking die te zijnen voordele geblokkeerd was en dat hij overigens in die tijd geen belang had om tegen welke bevordering ook beroep in te stellen, aangezien zijn beoordeling “goed” slechts op 28 januari 2002 gewijzigd werd in “zeer goed” en hij pas vanaf dat ogenblik met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 bevorderd moest worden; IX-3565-4/8 2.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat verzoeker niet gereageerd heeft op de benoeming van H. VAN KEER, hoewel die bevordering door aanplakking bekendgemaakt was en dat hij, net als H. VAN KEER, had moeten reageren tegen de bevordering van J. BEVERNAGE teneinde zijn rechten veilig te stellen, nu er niet expliciet was gesteld dat een betrekking precies voor hem opengehouden werd; 2.5.
  21. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier zeker niet blijkt dat H. VAN KEER benoemd is in de betrekking die het beheers- comité in 1998 had geblokkeerd wegens de beroepsprocedure die met betrekking tot de beoordeling van verzoeker lopende was of dat aan verzoeker een mededeling in die zin gedaan is; dat verzoeker dan ook terecht stelt dat hij bij de bevordering van H. VAN KEER niet moest besluiten dat die benoeming gebeurd was in de te zijnen voordele geblokkeerde betrekking, of dat het beheerscomité teruggekomen was op zijn beslissing om een betrekking voor verzoeker te reserveren; 2.5.
  22. Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat, nu blijkens het bericht nr. 793/A van 25 juli 2002 de betrekking waarin verzoeker benoemd is pas op 1 juni 2002 vacant geworden is, hij niet vroeger dan op die datum benoemd kan worden; dat evenwel dat bericht niets vermeldt over de datum waarop de bedoelde vacature kan begeven worden, maar het gaat om het voorstel van de personeels- dienst aan het beheerscomité om verzoeker per 1 juni 2002 te bevorderen; dat die mededeling niets afdoet aan het belang van verzoeker om zich tegen zijn benoeming te verzetten en daarbij aan te voeren dat zij moest gebeuren in de in 1999 voor hem gereserveerde betrekking; 3.
  23. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging, van het gelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij bij het middel onder meer volgende toelichting geeft: hoewel de verwerende partij het bij de eerste bevorderingsronde in januari 1999 noodzakelijk achtte om de tweede plaats niet te begeven en ze als geblokkeerd te beschouwen wegens het beroep dat hij ingesteld had tegen zijn beoordeling, heeft zij het daarna, bij het treffen van het bestreden besluit, niet nodig gevonden nog met die beslissing rekening te houden en hem met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 te benoemen; dat hij in dat verband verwijst naar artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, zoals die bepaling luidde voor de wijziging van 17 september IX-3565-5/8 2000 en die de overheid ertoe verplichtte bevorderingsvoorstellen in beraad te houden wanneer een kandidaat verzocht had zijn beoordeling te herzien; dat volgens hem daaruit volgt dat zijn bevordering terugwerkende kracht had moeten krijgen; 3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt wat volgt: de vacante betrekking waar verzoeker recht op meent te hebben was op het tijdstip van zijn bevordering niet meer vacant, aangezien zij opgevuld was door een adjunct- adviseur -H. VAN KEER- die aan de gestelde voorwaarden beantwoordde; verzoeker heeft het desbetreffend benoemingsbesluit van 26 maart 2001 niet bestreden, hoewel de vacature bekendgemaakt was via de bekendmakingen en verzoeker op het gepaste ogenblik zijn rechten kon laten gelden; de bevordering van verzoeker gebeurde in een betrekking die vacant was op 1 juni 2002, toen alle vacatures uit vorige bevorderingsrondes reeds waren opgevuld; 3.
  25. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij zelf gesteld heeft dat hij normaliter bij de eerste bevorderingsronde van januari 1999 op de tweede plaats van de Nederlandstalige kandidaten gerangschikt had moeten worden en dat zij, precies wegens zijn beroep tegen zijn beoordeling, een Nederlandstalige betrekking in zijn voordeel geblok-keerd heeft; dat hij ook verduidelijkt dat uit de gegevens van de geblokkeerde betrekking -de tweede Nederlandstalige betrekking “stemt helemaal overeen met zijn graad- en dienstanciënniteit”- duidelijk opgemaakt kan worden dat het om zijn betrekking ging; dat hij dan in essentie herhaalt dat een consequent optreden van de verwerende partij mocht laten veronderstellen dat hij met terugwerkende kracht benoemd zou worden; 3.
  26. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat verzoeker over dezelfde rechten beschikte als de overige kandidaten, maar dat hij nagelaten heeft ze op het gepaste tijdstip op te eisen, wat H. VAN KEER wel heeft gedaan; dat zij daaraan toevoegt dat de tijdelijke blok- kering van een plaats hem niet met zekerheid garandeerde dat hij benoemd zou worden, zodat hij als een goede huisvader voor zijn belangen had moeten opkomen; 3.5.
  27. Overwegende dat de verwerende partij uitdrukkelijk bevestigt dat één van de met ingang van 1 januari 1998 vacante betrekkingen van adjunct-adviseur met weddeschaal 10C -meer bepaald de tweede betrekking op het Nederlandstalig kader-, niet begeven werd omdat verzoeker beroep ingesteld had tegen de beoordeling “goed” die hem was toegekend; dat die blokkering alleen maar zin had IX-3565-6/8 indien het bestuur de bedoeling had verzoeker in die betrekking -en dus vanaf 1 januari 1998- te benoemen in geval zijn beroep succesvol zou zijn; 3.5.
  28. Overwegende dat, door na met dat voorbehoud op 25 januari 1999 43 adjunct-adviseurs tot de weddeschaal 10C te hebben bevorderd verzoeker dan toch -meer bepaald na de definitieve vaststelling van zijn beoordeling- niet eveneens te bevorderen met ingang van 1 januari 1998, de verwerende partij verzoeker een minder gunstige behandeling heeft gegeven dan de kandidaten die toen benoemd zijn, hoewel daarvoor geen objectieve reden meer bestond; 3.5.
  29. Overwegende dat de verwerende partij weliswaar aanvoert dat door de evolutie van de personeelsbezetting en de nadien begeven vacatures, de voor verzoeker bij de benoemingsronde van 25 januari 1999 opengehouden betrekking reeds door een ander adjunct-adviseur ingenomen was; dat evenwel uit het aan de Raad van State overgelegd dossier niet blijkt dat het beheerscomité naar aanleiding van de bevordering van J. BEVERNAGE of van H. VAN KEER teruggekomen is op de blokkering van de betrekking waarin verzoeker kon benoemd worden; dat de verwerende partij het bestaan van een dergelijke beslissing niet aantoont en zij overigens slechts aan verzoeker tegengesteld had kunnen worden indien zij hem behoorlijk ter kennis was gebracht, wat de verwerende partij geenszins bewijst; 3.5.
  30. Overwegende dat, in de gegeven omstandigheden, het gelijkheidsbeginsel de verwerende partij ertoe verplichtte verzoeker, nadat officieel was komen vast te staan dat hij alle voorwaarden vervulde om met ingang van 1 januari 1998 in de weddeschaal 10C bevorderd te worden, daadwerkelijk ook met ingang van die datum te bevorderen; dat het middel gegrond is, IX-3565-7/8 BESLUIT: Artikel
  31. Vernietigd wordt de beslissing van 2 september 2002 van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen waarbij Jean-Pierre AMEYE tot de weddeschaal 10C bevorderd wordt, in de mate dat de ingangsdatum van zijn bevordering bepaald wordt op 1 juni 2002 en niet terugwerkt tot 1 januari
  32. Artikel
  33. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3565-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.