← België

Arrest 160106 - - 15/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.106 Rolnummer: A. 99463/XII-2914 Zaak: Arrest 160106 - - 15/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 21:56 Fiche Arrest nr 160.106 van 15 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.106 van 15 juni 2006 in de zaak A. 99.463/XII-

  1. In zake : de NV VLAAMSE RADIO- en TELEVISIEOMROEP, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de VLAAMSE REGULATOR VOOR DE MEDIA, voorheen de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie, met zetel te 1210 Brussel, Koning Albert II laan 7, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Vlaamse Radio- en Televisieomroep (VRT) op 16 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie van 4 oktober 2000 waarbij de klacht van 28 augustus 2000 van de heer Maurice De Bruyn tegen de verzoekende partij ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en beslist wordt de verzoekende partij te vermanen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2914-1\14 Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Depreter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van voorzitter K. Rimanque, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak 1.
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op 28 augustus 2000 dient M. De Bruyn bij de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie (hierna: de Geschillenraad) klacht in met betrekking tot het op 27 augustus 2000 door Radio 1 uitgezonden programma “de rechters met vakantie”, meer bepaald tegen het onderdeel “Onze Heer Hemelvaart”. Hij stelt dat zijn “christelijke en humane gevoelens werden gekwetst”, doordat “Ons Heer Hemelvaart - de Apostelen en Jezus Christus werden belachelijk gemaakt”. Nadat hij van de klacht in kennis werd gesteld, antwoordt de VRT met een brief van 5 september 2000 dat de klager niet duidelijk maakt waarin de discriminatie schuilt en er in het bewuste programma van discriminatie van het katholieke gedachtegoed geen sprake is. Op 4 oktober 2000 worden de klager en de vertegenwoordigers van de VRT door de Geschillenraad gehoord. Met de thans bestreden beslissing van 4 oktober 2000 verklaart de Geschillenraad de klacht ontvankelijk en gegrond en beslist hij de VRT te vermanen, XII-2914-2\14 zulks overeenkomstig het toenmalige artikel 116octies decies, § 4, van de decreten betreffende de radio-omroep en televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995 (hierna : “de mediadecreten 1995”), dat is thans het artikel 174, § 4, van de decreten betreffende de radio-omroep en televisie, gecoördineerd op 4 maart
  4. De beslissing wordt op 22 november 2000 aan verzoekende partij ter kennis gebracht. Zij bevat, naast een weergave van feiten en procedure, de volgende overwegingen die de beslissing schragen : “
  5. Zoals de Geschillenraad reeds eerder besliste is de audiovisuele persvrijheid een specifieke vorm van de vrijheid van meningsuiting. Zij geldt niet alleen voor de meningsuitingen die gunstig worden onthaald of die als onschuldig en onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke een groep van de bevolking schokken, verontrusten of kwetsen. Zo willen het het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid zonder welke een democratische samenleving niet bestaat (EHRM, 7 december 1976, Handyside t. VK. In gelijke zin : Arbitragehof, nr. 45/96 van 12 juli 1996). De Geschillenraad bevestigt dat de vrijheid van meningsuiting satire over een levensbeschouwelijk onderwerp insluit. De omstandigheid dat personen dit als grievend ervaren, is op zich geen reden een beperking van die vrijheid te aanvaarden. De Geschillenraad is evenwel van oordeel dat deze vrijheid van satire of persiflage niet onbegrensd is.
  6. Dit onderdeel van het programma persifleert centrale en niet aan enige actualiteit gebonden thema’s van de christelijke levensbeschouwing in een humoristisch bedoeld programma rond actualiteit, politiek en media.
  7. Discriminatie in de zin van artikel 23, § 1 van de gecoördineerde decreten kan blijken uit het onevenredig aan bod laten komen of niet aan bod laten komen van het gedachtegoed van een ideologische of filosofische strekking zonder redelijke verantwoording en dit in vergelijking met andere. Discriminatie kan ook blijken uit buitensporige persiflage van de kern van een levensbeschouwelijke overtuiging in een programma dat een spottende en humoristische kijk beoogt op actualiteit, politiek en media en uitgezonden wordt op een vrije dag op het middaguur”; 1.
  8. Overwegende dat, luidens artikel 17 van het decreet van 16 december 2005 houdende de oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse regulator voor de media en houdende wijziging van sommige bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, de Vlaamse regulator voor de media alle rechten en plichten overneemt van de Geschillenraad; De rechtsmacht van de Raad van State 2.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat de Raad van State niet bevoegd is om ten gronde van het beroep kennis te nemen, omdat de Geschillenraad ten tijde van de bestreden XII-2914-3\14 beslissing noch een administratieve overheid was in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch een administratief rechtscollege in de zin van § 2 van dat artikel; dat zij die exceptie toelicht als volgt : - De Geschillenraad is organiek een instelling of dienst die afhangt van het Vlaams Parlement. De leden van de Geschillenraad worden immers aangewezen door het Vlaams Parlement. De kredieten voor de werking van de Geschillenraad worden als dotatie door het Vlaams Parlement ter beschikking gesteld en komen niet ten laste van de begroting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering noch één van haar leden oefent enig bestuurlijk toezicht uit op de beslissingen van de Geschillenraad. De Geschillenraad stelt autonoom zijn huishoudelijk reglement op en dit reglement is niet aan de goedkeuring van de Vlaamse regering onderworpen. De inbreng van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in de werking van de Geschillenraad is beperkt tot de logistieke ondersteuning (correspondentieadres, vergaderruimte) en de terbeschikkingstelling van een ambtenaar die de functie van griffier uitoefent; - De Geschillenraad is ook geen administratief rechtscollege. Zijn beslissingen hebben geen gezag van gewijsde. Hij doet geen uitspraak over geschillen over politieke rechten in de zin van artikel 145 van de Grondwet en ook niet over enig objectief contentieux. De decreetgever had overigens niet de bevoegdheid nieuwe administratieve rechtscolleges op te richten, zelfs niet met toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; 2.1.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niet betwist dat de Geschillenraad geen administratief rechtscollege is; dat zij daarentegen wel als volgt betwist dat de Geschillenraad geen administratieve overheid zou zijn in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : - Zij meent dat de Geschillenraad niet beschouwd kan worden als een orgaan van het Vlaams Parlement, aangezien die raad op geen enkele wijze betrokken is bij de uitoefening van de wetgevende functie; - Zij merkt op dat de wet van 25 mei 1999, waarbij ingevolge het arrest van 15 mei 1996 van het Arbitragehof de door de Raad van State verleende rechtsbescherming werd uitgebreid, niet zo mag worden geïnterpreteerd dat de rechtsbescherming wordt beperkt; - Nu artikel 116octies decies van de mediadecreten 1995 de werking van de Geschillenraad omschrijft en uit § 4 van dat artikel blijkt dat de Geschillenraad voor derden bindende beslissingen kan nemen, kan niet ernstig betwist XII-2914-4\14 worden dat die raad beschouwd moet worden als een administratieve overheid. Dat over de Geschillenraad geen bestuurlijk toezicht wordt uitgeoefend, vermag daaraan niets af te doen; - Tot besluit stelt de verzoekende partij dat, indien de Raad van State de exceptie van onbevoegdheid toch zou aannemen, met betrekking tot artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof gesteld moet worden; 2.
  11. Overwegende dat de partijen terecht niet betwisten dat de Geschillenraad geen administratief rechtscollege was; 2.
  12. Overwegende dat de vraag of de Geschillenraad een administratieve overheid was als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, door het bevoegd lid van het auditoraat als volgt is onderzocht en beantwoord : - De voorbije jaren werden bij het Vlaams Parlement verschillende instellingen opgericht, zoals het Vlaams Kinderrechtencommissariaat (decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Kinderrechtencommissariaat en de instelling van het ambt van Kinderrechtencommissaris, B.S. 7 oktober 1997), de Vlaamse Ombudsman (decreet van 7 juli 1998 houdendc instelling van de Vlaamse ombudsdienst, B.S. 25 augustus 1998), het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (decreet van 17 juli 2000 houdende de oprichting van een Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek, B.S. 1 september 2000), de Expertencommissie voor Overheidscommunicatie (decreet van 19 juli 2002 houdende de controle op de communicatie van de Vlaamse overheid, B.S. 14 september 2002) en het Vlaams Instituut voor Vrede en Geweldpreventie (decreet van 7 mei 2004 houdende oprichting van een Vlaams Instituut voor Vrede en Geweldpreventie bij het Vlaams Parlement, B.S. 7 mei 2004); - Gemeenschappelijk kenmerk van die instellingen is dat zij opgericht zijn bij het Vlaams Parlement en dus geen administratieve overheden zijn in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De exceptie van onbevoegdheid berust op de stelling dat de Geschillenraad eveneens een dergelijke instelling “bij het Vlaamse Parlement” is; - De Geschillenraad werd, oorspronkelijk onder de benaming “Geschillenraad voor niet-openbare televisieverenigingen”, opgericht bij artikel 14 van het decreet van 28 januari
  13. Het decreet van 4 mei 1994 wijzigde die XII-2914-5\14 benaming in “Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie”. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot het decreet van 28 januari 1987 heeft geleid, werd de Geschillenraad omschreven als een onafhankelijk orgaan met een quasi- jurisdictionele bevoegdheid. Om de onafhankelijkheid van de Geschillenraad ten aanzien van de uitvoerende macht te versterken, werd voorgesteld dat de financiële en materiële ondersteuning door de Vlaamse Raad zelf verzorgd zou worden (Parl. St. Vl. Raad 1985-1986, nr. 152/1, 15-17); - Bij de bespreking van het ontwerp in de commissie voor de media van de Vlaamse Raad verklaarde de bevoegde Gemeenschapsminister dat “de filosofie van de Executieve was dat de Geschillenraad zich in de sfeer van de Vlaamse Raad zou situeren” en de klachten daarom bij de voorzitter van de Vlaamse Raad moesten worden ingediend (Parl. St. Vl. Raad 1985-1986, nr. 152/10, 162; zie ook blz. 169, waar nog vermeld wordt dat de Gemeenschapsminister op de vraag of het nodig was dat klachten bij de Vlaamse Raad zouden worden ingediend, antwoordde “dat in de oorspronkelijke visie van de Executieve de Geschillenraad zich helemaal situeerde in de sfeer van de Vlaams Raad. Dit precies om de onafhankelijkheid van de Executieve en de onpartijdigheid van de instelling te waarborgen”). Hiertegen werd door een lid van de commissie echter gesteld “dat de Vlaamse Raad een wetgevend orgaan is en als dusdanig niets met de Geschillenraad te maken heeft” (ibidem, 163). Een ander commissielid vond in het ontwerp van decreet “een fundamentele overtreding van de scheiding der machten”, waarvoor “geen precedent in ons politieke bestel bestaat”. Hij was van oordeel dat de Geschillenraad een quasi- jurisdictioneel orgaan is, dat “dient te worden gehecht aan de Voorzitter van de Vlaamse Executieve zoals het Hoog Comité van Toezicht aan de Eerste Minister” (ibidem, 163). Bij de verdere bespreking werd nog gesteld : “De Geschillenraad moet liefst zo onafhankelijk mogelijk staan van de decreetgevende en de uitvoerende macht, waarbij de eerstgenoemde wel voor de werkingsmiddelen moet zorgen.” (ibidem, 163-164). Uiteindelijk werd een amendement aangenomen, waardoor klachten niet bij de voorzitter van de Vlaamse Raad, maar bij de voorzitter van de Geschillenraad ingediend zouden worden (ibidem, 175). Voorts werd beslist dat de Geschillenraad voor de uitvoering van zijn taken een beroep kan doen op personeelsleden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die hiertoe door de Vlaamse Executieve ter beschikking worden gesteld (ibidem, 179); - Om de onafhankelijkheid van de Geschillenraad ten opzichte van de Vlaamse regering te waarborgen wordt in artikel 116octies decies van de mediadecreten 1995 bepaald dat de leden van de Geschillenraad aangewezen worden door het Vlaams Parlement, dat de kredieten nodig voor de werking van de XII-2914-6\14 Geschillenraad bij wijze van dotatie door het Vlaams Parlement ter beschikking worden gesteld en dat de Geschillenraad zelf de nadere regels inzake procedure en werking bepaalt; - Die waarborgen alsmede het feit dat de Geschillenraad als quasi- jurisdictioneel orgaan niet onder het gezag of toezicht van de Vlaamse regering staat volstaan niet om die raad als een instelling of dienst die afhangt van het Vlaams Parlement te kunnen beschouwen. De Geschillenraad staat immers evenmin onder het gezag of toezicht van het Vlaams Parlement; - Heel wat instellingen en overheden, zoals Selor, de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie, allerhande examencommissies en dergelijke meer, die een zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezitten, worden door de rechtspraak als administratieve overheden beschouwd, zelfs al zijn zij omwille van hun onafhankelijkheid niet in de administratieve hiërarchie opgenomen; - Ook wat betreft de Geschillenraad is er geen reden om die raad, om reden van de waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid die hem decretaal zijn verleend, niet te beschouwen als een administratieve overheid waarvan de bestuurshandelingen krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen worden aangevochten; - De exceptie van onbevoegdheid dient te worden verworpen; 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij zich in de laatste memorie er toe beperkt, wat de rechtsmacht van de Raad van State betreft, te verwijzen naar haar memorie van antwoord; dat zij bijgevolg geen argumenten ziet om tegen de zo- even weergegeven redenering in te gaan; dat ook de Raad er geen bespeurt, en hij zich er dienvolgens toe mag beperken de voorgaande uiteenzetting bij te vallen; dat de exceptie wordt verworpen; De ontvankelijkheid van het beroep
  15. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat de aangevochten beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling is omdat zij voor de VRT niet griefhoudend is; dat zij ter terechtzitting verklaart afstand te doen van de exceptie; XII-2914-7\14 De gegrondheid van het beroep
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in het inleidend verzoek- schrift twee middelen aanvoert; dat zij het eerste én het tweede middel put uit de schending van, onder meer, het artikel 116octies decies van de mediadecreten 1995 en van de artikelen 2 en 3 van de formele-motiveringswet van 29 juli 1991; dat de adstructie van die beide middelen samenhang vertoont; dat zij daarom hierna ook samen worden behandeld;
  17. Overwegende dat de Geschillenraad volgens de verzoekende partij de klacht van M. De Bruyn, die steunt op zijn “ergernis” dat “Ons Heer Hemelvaart - de Apostelen en Jezus Christus werden belachelijk gemaakt”, ten onrechte heeft beschouwd als een klacht die gesteund is op het verbod van discriminatie als bedoeld in artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995, dat discriminatie aanvoeren een vergelijking impliceert, dat die door de bezwaarindiener nergens wordt gemaakt, dat de Geschillenraad niet bevoegd is om ambtshalve bezwaren te formuleren of ingediende klachten te herformuleren, dat de Geschillenraad niet duidelijk maakt wat er nu precies discriminatoir zou zijn aan het programma, aangezien hij niet preciseert of discriminatie blijkt “uit het onevenredig aan bod laten komen of niet aan bod laten komen van het gedachtegoed van een ideologische of filosofische strekking zonder redelijke verantwoording en dit in vergelijking met andere” dan wel “uit buitensporige persiflage van de kern van een levensbeschouwelijke overtuiging in een programma dat een spottende of humoristische kijk beoogt op actualiteit, politiek en media en uitgezonden wordt op een vrije dag op het middaguur”, dat met de in de bestreden beslissing vermelde motivering niet valt in te zien hoe het programmaonderdeel een buitensporige persiflage zou zijn, aangezien een persiflage een “bespotting door navolging met sterke overdrijving van een of meer trekken van een voorbeeld is” en dat de Geschillenraad bovendien niet bevoegd is om persiflages als “buitensporig” te veroordelen wanneer die buitensporigheid geen discriminatie inhoudt en die discriminatie niet gemotiveerd wordt vastgesteld in de beslissing;
  18. Overwegende dat de verwerende partij in hoofdorde antwoordt, onder verwijzing naar de aangevoerde excepties van onbevoegdheid en niet- ontvankelijkheid, dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is, aangezien de Geschillenraad geen bestuur is en de bestreden beslissing geen bestuurshandeling is in de zin van die wet; dat dit verweer niet kan worden aangenomen, nu hiervoor ook XII-2914-8\14 de bedoelde excepties werden verworpen; dat, ten overvloede, ook artikel 5 van het toenmalige reglement van orde en procedure van de Geschillenraad vereist dat de beslissingen van de Geschillenraad waarbij over een klacht uitspraak wordt gedaan met redenen omkleed zijn;
  19. Overwegende dat de verwerende partij voorts repliceert dat ruim aan de verplichting tot motiveren is voldaan, dat uit de aard en de inhoud van het programmaonderdeel, uit de aard van de klacht en uit de motieven van de beslissing zonder enige redelijke twijfel blijkt dat niet het discriminerend niet aan bod brengen van het christelijk gedachtegoed werd bedoeld, doch wel de discriminerende buitensporige persiflage ervan, dat zij de klacht niet heeft miskend, noch geherformuleerd, dat zij klachten ontvangt van kijkers en luisteraars die hun grieven niet in termen van de gecoördineerde mediadecreten hoeven te formuleren, wat het indienen van vrijwel elke klacht zonder juridische bijstand onmogelijk zou maken, dat het de Geschillenraad past, na de klager en de verwerende omroep te hebben gehoord, na te gaan of de grief betrekking heeft op één van de verplichtingen waarvan hij de nakoming mag beoordelen, dat voorts het begrip discriminatie heden ten dage een ruimere betekenis heeft dan de strikte onrechtmatige ongelijke behandeling van verschillende en vergelijkbare groepen, dat bijvoorbeeld “pesterijen”, onder meer beledigende uitlatingen die een persoon viseren op grond van zijn levensbeschouwing, als discriminatie worden aanzien in het regeringsamendement nr. 6 bij het wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie Parl. St. Senaat 2000-2001, nr. 2-12/6, dat de buitensporigheid van de persiflage in de bestreden beslissing genoegzaam en uitdrukkelijk gemotiveerd wordt, dat rekening werd gehouden met de omstandigheid dat net dit fragment voor heruitzending werd geselecteerd, dat verder werd gewezen op het feit dat niet de gebruiken of de verschijningswijze van de christelijke levensbeschouwing werden gepersifleerd, maar centrale thema’s van dit gedachtegoed, dat daarbij kwam dat deze thema’s geenszins aan enige actualiteit zijn gebonden en toch werden uitgezonden in een programma waarvan de VRT zelf beweert dat het een humoristisch bedoeld programma is rond actualiteit, politiek en media; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de verwerende partij zich beperkt tot abstracte bespiegelingen over het inpassen van bepaalde klachten in de terminologie van de gecoördineerde mediadecreten, zonder nader in te gaan op de concrete grief van verzoekende partij die aanklaagt dat de Geschillenraad heeft geantwoord op een XII-2914-9\14 onbestaande grief inzake discriminatie, dat een toevallige verwijzing naar “pesterijen” in een parlementair stuk hieraan niets kan veranderen, dat de verwerende partij de bestreden beslissing niet post factum kan motiveren en dat de aangevoerde elementen van “niet gebonden zijn aan de actualiteit” of “niet in aanmerking komen voor heruitzending”, “met de beste wil van de wereld niet verbonden [kunnen] worden met het vereiste te oordelen over het al dan niet buitensporige karakter van de persiflage die verzoekende partij heeft uitgezonden”; Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie nog opmerkt dat de brief van M. De Bruyn niet als een klacht kon worden opgevat, aangezien hij niet vraagt om een sanctie op te leggen voor de bewuste uitzending, maar enkel zijn ergernis heeft geuit over de programmatie van de VRT en op grond hiervan vroeg er “eventueel” voor te zorgen dat het peil van de programma’s wordt opgetrokken; dat zij ook volhardt niet in te zien op welke discriminatie de klager zich beroept, dat de verwijzing naar de eigen religieuze overtuiging niet volstaat om aan te tonen dat hij gediscrimineerd werd ten aanzien van een andere groep en dat de bewering dat hij als lid van een groep geraakt wordt door een bepaalde uitzending, nog niet maakt dat hij gediscrimineerd wordt ten aanzien van een andere groep; Overwegende dat de laatste memorie van de verwerende partij verwijst naar het auditoraatsverslag voor zover dit haar zienswijze volgt en naar de memorie van antwoord voor het overige;
  20. Overwegende dat de grieven betrekking hebben op, eensdeels, de ontvankelijkheid van de klacht van M. De Bruyn : de vraag of de Geschillenraad de klacht mocht beschouwen als een klacht aangaande het verbod van discriminatie bedoeld in artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995; dat zij, anderdeels, de beoordeling door de Geschillenraad van haar gegrondheid betreffen; 8.
  21. Overwegende dat artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995 luidt: “In de programma’s wordt, op basis van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, elke vorm van discriminatie geweerd. De programmaopbouw geschiedt derwijze dat hij geen aanleiding geeft tot discriminatie tussen ideologische en filosofische strekkingen.”; XII-2914-10\14 Overwegende dat de Geschillenraad overeenkomstig artikel 116octies decies, § 1, van de mediadecreten 1995 “uitspraak doet over individuele geschillen, gerezen naar aanleiding van de toepassing van artikel 23, § 1”; Overwegende dat artikel 116octies decies, § 2, van de mediadecreten 1995 bepaalt dat “eenieder die blijk geeft van een benadeling of een belang” uiterlijk de vijftiende dag na de datum van de uitzending van het programma een betwisting aanhangig kan maken bij de voorzitter van de Geschillenraad via een aangetekend verzonden verzoekschrift; dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de klacht verder zijn omschreven in artikel 2 van het reglement van orde en procedure van de Geschillenraad van 17 mei 2000, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 2000; dat luidens artikel 2, 4/, van dat reglement de klacht, om ontvankelijk te zijn, “het onderwerp van klacht [moet] aangeven, met een uiteenzetting van de redenen waarop zij steunt en van klagers benadeling of belang bij de uitzending waartegen wordt opgekomen”; 8.
  22. Overwegende dat de Geschillenraad weliswaar alleen op verzoek van een belanghebbende en niet ambtshalve mag optreden; dat dit niet betekent dat de klacht bij de Geschillenraad in geijkte bewoordingen moet worden geformuleerd of naar specifieke artikelen van de mediadecreten moet worden verwezen; Overwegende dat M. De Bruyn die zijn klacht richt tot “de Voorzitter van de geschillenraad”, “meent te moeten reageren op een programma van radio 1” dat hij met naam, zenduur en datum duidelijk aanwijst, waarover hij aanvoert dat in het aangeklaagde programma zijn “christelijke en humane gevoelens werden gekwetst”, doordat “Ons Heer Hemelvaart - de Apostelen en Jezus Christus werden belachelijk gemaakt” en waartoe hij de bestemmeling van zijn klacht onder meer verzoekt “er eventueel voor te zorgen dat het peil van de programma’s worden opgetrokken”; Overwegende dat de geciteerde bewoordingen van de brief voldoende duidelijk zijn opdat de Geschillenraad er mocht van uitgaan dat M. De Bruyn beoogde “een betwisting aanhangig [te] maken”; dat de klager, door naar zijn persoonlijke levensbeschouwing te verwijzen, bovendien op voldoende wijze het onderscheidend criterium aangeeft op grond waarvan hij zich door de aangeklaagde uitzending “gekwetst” en mogelijk ongelijk behandeld voelt; dat de Geschillenraad in de brief een individueel geschil gerezen naar aanleiding van de toepassing van het XII-2914-11\14 voormeld artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995 kon onderkennen, zelfs al wordt in de klacht formeel van een inbreuk op het discriminatieverbod geen melding gemaakt; dat overigens artikel 116octies decies, § 3, de partijen toestaat door de Geschillenraad te worden gehoord, wat de mogelijkheid biedt de klacht nader toe te lichten en eventuele onduidelijkheden over de aard ervan op te klaren; dat verwerende partij terecht opmerkt dat de bewering geraakt te worden -juist is: gekwetst te worden- “als lid van een groep” nog geen discriminatie ten aanzien van een andere groep bewijst; dat dit echter precies de grond van de zaak betreft, welk in het tweede middel aan de orde wordt gebracht; dat de vraag of dit geschil dan rijst naar aanleiding van artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995 samenhangt met het onderzoek van het tweede middel; 8.
  23. Overwegende dat de Geschillenraad een klacht over een programma dat, zoals “de rechtvaardige rechters”, geen informatieprogramma is en geen algemeen informatieve inslag heeft, slechts gegrond mag verklaren wanneer inbreuk wordt gemaakt op het hiervoor aangehaalde artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995 dat refereert aan het weren, eensdeels, van discriminatie “op basis van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens” en, anderdeels, van discriminatie “tussen de ideologische en filosofische strekkingen”; Overwegende dat verwerende partij ter terechtzitting betoogt dat de beslissing in een context geplaatst moet worden die aan de verzoekende partij goed gekend is, in het bijzonder het feit dat het geen alleenstaande klacht betrof over het spotten met het christelijk erfgoed en het feit dat verzoekende partij toegaf niet op eendere wijze de islam te persifleren; dat die motieven evenwel niet in de bestreden beslissing zelf zijn terug te vinden, zodat zij niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat integendeel de Geschillenraad in de bestreden beslissing zelf stelt, dat discriminatie naast het onevenredig of niet aan bod laten komen “in vergelijking met andere”, “ook ”, “kan [...] blijken uit buitensporige persiflage van de kern van een levensbeschouwelijke overtuiging”; dat volgens de Geschillenraad het bekritiseerde programmaonderdeel meer bepaald als zo een “buitensporige persiflage” is te bestempelen; dat de Geschillenraad dit oordeel steunt op het feit dat het geselecteerde programmaonderdeel niet aan de actualiteit gebonden was, op het feit dat het de kern van een levensbeschouwelijke overtuiging als onderwerp heeft, dat het werd uitgezonden in een programma dat een spottende en humoristische kijk beoogt op actualiteit, politiek en media, en dit op een vrije dag op het middaguur; XII-2914-12\14 Overwegende dat een “buitensporige persiflage” een groep luisteraars kan schokken, verontrusten of kwetsen maar, zoals de Geschillenraad in zijn beslissing zelf aangeeft met verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat zulks niet volstaat om dat programmaonderdeel als een ontoelaatbare vorm van vrije meningsuiting te beschouwen en -toegespitst op de wettelijke opdracht van de Geschillenraad- om vast te stellen dat de desbetreffende uitzending van satire over een levensbeschouwelijk onderwerp, op discriminerende wijze inbreuk maakt op het recht van eenieder om vrij een godsdienst te kiezen en te belijden; Overwegende dat de Geschillenraad aldus niet duidelijk maakt waarin de schending van het discriminatieverbod door de als “buitensporig” om- schreven persiflage concreet bestaat; dat de vaststelling dat het om een persiflage gaat van “centrale en niet aan enige actualiteit gebonden thema’s van de christelijke levensbeschouwing” en “de kern van een levensbeschouwelijke overtuiging” geen afdoende reden vormt om het bekritiseerde programmaonderdeel als een inbreuk op het discriminatieverbod te kunnen bestempelen; dat het recht om zonder discriminatie vrij een godsdienst te kiezen en te belijden en het verbod van discriminatie tussen ideologische en filosofische strekkingen op zich niet vereisen dat kritiek, satire of persiflage in verband met de kern van een levensbeschouwing wordt uitgesloten; dat niet elk beeld, niet elk woord op radio en televisie, waarvan de strekking kan worden opgevat als strijdig met een levensbeschouwing een discriminatie oplevert in de programmaopbouw in de zin van artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995; dat de omstandigheid dat “niet aan enige actualiteit gebonden thema’s” werden gepersifleerd in “een programma dat een spottende en humoristische kijk beoogt op actualiteit, politiek en media en uitgezonden wordt op een vrije dag op het middaguur” evenmin enige inbreuk aantoont op het discriminatieverbod; dat finaal, in zover gesuggereerd wordt dat het fragment eigenlijk niet thuishoort in een programma over “actualiteit, politiek en media”, mag worden opgemerkt dat, nog daargelaten de vraag of die kritiek iets te maken heeft met het discriminatieverbod, het bekritiseerde programmaonderdeel in de eerste plaats het verschijnsel “rechtstreekse verslaggeving” parodieert, zoals dat in allerlei actualiteitenprogramma’s in de audiovisuele media aan bod komt; XII-2914-13\14 8.
  24. Overwegende dat de bestreden beslissing niet wordt gedragen door motieven die op afdoende wijze aantonen dat de bekritiseerde uitzending op het door artikel 23, § 1, eerste lid, van de mediadecreten 1995 opgelegde discriminatieverbod inbreuk heeft gemaakt; dat de middelen in die mate gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  25. Vernietigd wordt de beslissing van 4 oktober 2000 waarbij de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie de klacht van M. De Bruyn ontvankelijk en gegrond verklaart en beslist de VRT te vermanen. Artikel
  26. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2914-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.