← België

Arrest 160107 - - 15/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.107 Rolnummer: A. 102889/XII-3042 Zaak: Arrest 160107 - - 15/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 21:56 Fiche Arrest nr 160.107 van 15 juni 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.107 van 15 juni 2006 in de zaak A. 102.889/XII-

  1. In zake : Frans VAN DEN BRANDE, die woonplaats kiest bij advocaat L. Van Hout, kantoor houdende te Berlaar, Markt 78 tegen : de GEMEENTE WIJNEGEM. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans Van den Brande op 4 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 20 november 2000 van de gemeenteraad van de gemeente Wijnegem waarbij de prestaties van het bestuurs- en onderwijzend personeel schooljaar 2000/2001 definitief werden vastgesteld en waarbij 2 lesuren samenspel en één lesuur coördinatie werden toegekend aan andere leerkrachten en werden geweigerd aan verzoekende partij”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006; XII-3042-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Van Hout, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Deridder, die loco advocaat Chr. Coen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  2. Overwegende dat verzoeker, leraar aan de gemeentelijke muziek- en woordacademie Zoltán Kodàly te Wijnegem, op 15 mei 2000 op de daartoe bestemde formulieren aanvragen indient voor vaste benoeming, respectievelijk tijdelijke aanstelling in vrijgekomen uren van leraar kopers, samenspel en instrumentaal ensemble en coördinatie; dat hij zich daarbij telkens beroept op de voorrangsregeling als vast benoemde; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Wijnegem op 20 november 2000 beslist de beschikbare prestaties van de gemeentelijke academie voor het schooljaar 2000-2001 aan het bestuurs- en onderwijzend personeel toe te kennen; dat het besluit achter de naam van verzoeker vermeldt : “6 u LS kopers 2 u HS kopers 3 u LS samenspel 1 u HS instrumentaal ensemble”;
  3. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord de laattijdigheid van het beroep opwerpt; dat zij ter terechtzitting aan die exceptie verzaakt;
  4. Overwegende dat verzoeker zijnerzijds ter terechtzitting afstand doet van het derde middel;
  5. Overwegende dat partijen niet betwisten dat het belang van verzoeker bij het beroep beperkt is tot de uren waarvoor hij zelf heeft gekandideerd; dat verzoeker stelt het raadsbesluit van 20 november 2000 te bestrijden in de mate XII-3042-2/4 dat aan andere leerkrachten drie bijkomende lesuren werden toegekend, met name 1 lesuur coördinatie voor Veronica Joris en telkens 1 lesuur samenspel voor Jürgen Steenkiste en Hermine Struyf, en dat hierdoor impliciet wordt geweigerd die lesuren aan hem toe te kennen; Overwegende dat verzoeker, om de redenen die de Raad van State reeds heeft uiteengezet in het arrest nr. 106.840, Van den Brande, van 23 mei 2002, slechts belang heeft om het raadsbesluit tot verdeling van de prestaties uren-leraar voor een welbepaald schooljaar te bestrijden indien hij de Raad van State er toe kan brengen ook te besluiten tot de onwettigheid en vernietiging van een voorafgaande aanstelling of benoeming van een van zijn concurrenten; Overwegende dat in het auditoraatsverslag deze vaststelling ook wordt hernomen en de verwerende partij daarom “wordt [...] verzocht de hier bedoelde aanstellingen -zo ze feitelijk en rechtens mochten bestaan- aan de Raad van State voor te leggen”; dat vervolgens in het verslag de annulatiemiddelen worden onderzocht; dat volgens het inzicht van het auditoraat het handelen van verwerende partij “mogelijks op tweeërlei wijze een onwettigheid [kan] uitmaken” maar dat daarover “verwerende partij o.m. door weerleggen [lees: neerleggen] van de aanstellingsbesluiten van de betrokkenen voor bedoeld (en vorig) schooljaar uitsluitsel dient te verschaffen”; dat het verslag besluit met als “stand van de zaak” het oordeel “dat, mocht na overlegging van de nodige bestuursdocumenten blijken dat de [...] gestelde hypotheses -of één van beide- feitelijk worden bevestigd, de bestreden aanstellingen vernietigd dienen te worden”; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat het oorspronkelijk overgelegd administratief dossier voor een omvattend en niet op hypothesen gesteund onderzoek van het beroep onvolledig was; dat bijkomende stukken door de verwerende partij werden bezorgd, samen met haar laatste memorie; dat verwerende partij in die laatste memorie bovendien, om de conclusies van het auditoraatsverslag te bespreken en te weerleggen, ruim steun zoekt in die nieuwe stukken; dat evenwel die in het auditoraatsverslag gevraagde aanvulling van het administratief dossier niet in de instructie van de zaak is betrokken; dat door hun neerlegging slechts met de laatste memorie ook verzoeker over die nieuwe stukken niet schriftelijk stelling heeft kunnen nemen en hij ter terechtzitting overigens hun relevantie voor de zaak betwist; dat het past, in het belang van een goede rechtsbedeling en gelet op het schriftelijk karakter van de rechtspleging, de debatten te heropenen om het auditoraat toe te XII-3042-3/4 laten een aanvullend verslag op te stellen waarop vervolgens ook de partijen nog kunnen reageren; dat de Raad daarbij bedenkt dat, mochten inderdaad de thans aan het dossier toegevoegde stukken nog onvoldoende zijn, artikel 23, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en de artikelen 12 en 16 van het algemeen procedurereglement het bevoegde lid van het auditoraat toestaan om de verwerende partij alle dienstige bescheiden omtrent de zaak te doen overleggen, BESLUIT: Artikel
  6. De debatten worden heropend. Artikel
  7. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3042-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.107 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.511 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.