id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.164 Rolnummer: A. 88212/XII-2342 Zaak: Arrest 160164 - - 15/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 22:00 Fiche Arrest nr 160.164 van 15 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.164 van 15 juni 2006 in de zaak A. 88.212/XII-
- In zake : de GEMEENTE MAASMECHELEN tegen : het VLAAMSE GEWEST. tussenkomende partij : Albert SCHEEPERS, wonende te Maasmechelen, Boudewijnlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Maasmechelen op 2 december 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij het besluit van 28 juni 1999 van de burgemeester van Maasmechelen, houdende het opleggen van de tuchtstraf van een maand schorsing aan Albert Scheepers, niet wordt goedgekeurd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 januari 2003 van Albert Scheepers; Gelet op de beschikking van 14 februari 2003 die de tussenkomst van Albert Scheepers toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2342-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 februari 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. Daenen, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 28 november 1998 stelt de korpschef van de politiezone Maasmechelen lastens Albert Scheepers, agent-hoofdbrigadier, een tuchtverslag op waarin hij tot de conclusie komt dat betrokkene “meerdere daden heeft gesteld die strafrechtelijk onder valsheid in geschrifte zouden kunnen worden gecatalogeerd, op voorwaarde dat het bijzonder opzet en de intentionaliteit ervan éénduidig zou kunnen worden aangetoond” en dat hij “te weinig respect heeft getoond voor het ambt en de keuze van dhr Procureur des Konings”. De korpschef stelt voor minstens de tuchtsanctie van de terugplaatsing in graad op te leggen. 1.
- Op 29 januari 1999 stelt de korpschef een tweede tuchtverslag op waarin hij tot de conclusie komt dat Albert Scheepers “de hem ter beschikking gestelde dienstfaciliteiten onrechtmatig heeft aangewend; te weinig respect heeft getoond voor het ambt van burgemeester-hoofd van politie; te weinig respect heeft getoond voor zijn eigen korpsleiding, belangen van civielrechtelijke aard vermengt met beroepsmatige aangelegenheden, te weinig respect heeft getoond voor het ambt van de heer procureur des Konings en zich niet kan neerleggen bij de besluiten uit het XII-2342-2/12 vijfhoeksoverleg; op meerdere niveaus heeft gefaald en zich niet houdt aan de werkregels en afspraken die hem worden meegedeeld en/of opgelegd; hij is daarenboven bewust ingegaan tegen de directieven en werkregels van zijn korpsleiding; beroepsgebonden briefwisseling ontvangt en hierop reageert zonder zijn korpsleiding hierin te kennen; beroepsgebonden werkbezoeken aflegt bij de korpschef van een buitenlands politiekorps zonder zijn eigen korpsleiding hierin te kennen; de integriteit van een Nederlandse collega op een foute manier schriftelijk in vraag heeft gesteld naar zijn korpsleiding waarbij deze Nederlandse collega één en ander als belastend heeft ervaren; niet ingaat op verzoeken vanuit de korpsleiding tot verslaggeving van feiten met betrekking tot de dienst”. De korpschef stelt opnieuw voor minstens de sanctie van de terugzetting in graad op te leggen. 1.
- Met een op 6 mei 1999 ter post aangetekend verzonden brief wordt aan Albert Scheepers meegedeeld dat op grond van de in de verslagen van 28 november 1998 en 29 januari 1999 vermelde feiten tegen hem een tuchtdossier is samengesteld en een tuchtstraf wordt overwogen. Daarnaast wordt hij verzocht op 25 mei 1999 voor de burgemeester te verschijnen teneinde te worden gehoord in zijn middelen van verdediging. Op 7 mei 1999 wordt deze aangetekende brief aan Albert Scheepers aangeboden; hij weigert de brief in ontvangst te nemen. Op 25 mei 1999 wordt door de burgemeester een proces-verbaal van niet verschijnen opgesteld. 1.
- Bij besluit van 28 juni 1999 van de burgemeester wordt aan Albert Scheepers de tuchtstraf van één maand schorsing opgelegd. Met een op 28 juni 1999 ter post aangetekend verzonden brief wordt dit besluit aan Albert Scheepers betekend. Pas op 8 juli 1999 tekent hij het betrokken bericht van ontvangst af. 1.
- Met een op 4 augustus 1999 ter post aangetekend verzonden brief stelt de raadsman van Albert Scheepers namens zijn cliënt hoger beroep in bij de toezichthoudende overheid “tegen een beslissing van de Heer Burgemeester te Maasmechelen dd. 28.06.1999, dewelke dd. 08.07.1999 aan mijn kliënt werd betekend, zijnde het moment waarop mijn kliënt voor het eerst kennis kreeg van deze XII-2342-3/12 beslissing”. Voor het feit dat zijn cliënt ten tijde van het geplande tuchtverhoor verstek liet gaan wordt volgende verklaring gegeven: “Gedurende deze periode verbleef zijn echtgenote in het ziekenhuis wegens ernstige gezondheidsproblemen. Kliënt week geen minuut van de zijde van zijn echtgenote en had enkel belangstelling voor haar genezingsproces. Alle andere zaken verloor mijn kliënt begrijpelijkerwijze uit het oog, inclusief deze tuchtprocedure”. Op 17 september 1999 wordt Albert Scheepers, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Vermits de vertegenwoordigers van de gemeente Maasmechelen niet verschijnen, wordt daaromtrent een proces-verbaal van niet verschijnen opgesteld. Met een brief van 23 september 1999 bezorgt de raadsman van Albert Scheepers, in aansluiting met het verhoor van 17 september 1999, aan de toezichthoudende overheid onder meer een niet-gedateerd medisch attest waaruit blijkt dat de echtgenote van Albert Scheepers in het ziekenhuis werd opgenomen van 17 mei 1999 tot 2 juni 1999, van 11 juni 1999 tot begin juli 1999 -het schriftbeeld is hier onduidelijk : 1 of 2 of 7 juli- en van 17 augustus 1999 tot 3 september
- 1.
- Bij ministerieel besluit van 1 oktober 1999 wordt het voormelde besluit van 28 juni 1999 van de burgemeester van Maasmechelen niet goedgekeurd. In dat ministerieel besluit wordt, wat betreft de ontvankelijkheid van het door Albert Scheepers ingestelde beroep, overwogen wat volgt : “Overwegende dat het tuchtbesluit van 28 juni 1999 aan betrokkene werd betekend op 29 juni 1999; dat hij dit besluit slechts heeft afgehaald op 8 juli 1999; dat volgens het artikel 4 van het besluit [lees: het decreet] van 24 juli 1991, de beroepstermijn van dertig dagen aanvangt vanaf de dag na de kennisneming van het tuchtbesluit; dat het tuchtbesluit, dat volgens het artikel 3 van dit besluit [lees: van dit decreet] aangetekend wordt verstuurd of tegen ontvangstbewijs wordt afgegeven, wordt geacht de dag na de versturing te zijn toegekomen tenzij de betrokkene grondige redenen kan aangeven waarom hij niet eerder de zending kon afhalen; Overwegende dat in het andere geval de beroepstermijn door het stilzitten van de betrokkene desgevallend nooit zou ingaan niettegenstaande de tuchtoverheid het tuchtbesluit tijdig heeft verzonden; dat de rechtszekerheid alleen kan gerespecteerd zijn indien wordt aangenomen dat een aangetekende zending wordt ontvangen de dag na de verzending tenzij grondige redenen worden gegeven indien dit niet het geval is; dat betrokkene door de ziekenhuisopname van echtgenote werd verhinderd om dadelijk het aan hem betekende tuchtbesluit op de post af te halen; dat dit argument als waarachtig wordt aangenomen; dat de beroepstermijn in casu geacht wordt in te gaan vanaf de dag van afhaling zodat de termijn om in beroep te gaan niet overschreden is; dat het beroepsschrift ontvankelijk is”. XII-2342-4/12 1.
- Bij aangetekende brief, gedateerd vrijdag 1 oktober 1999, ingekomen bij de verzoekende partij op maandag 4 oktober 1999, wordt haar dit besluit ter kennis gebracht;
- De ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij elk in een exceptie opwerpen dat het beroep niet ontvankelijk is; dat beide excepties in het auditoraatsverslag uitvoerig zijn weerlegd onder meer met verwijzing naar de betreffende dienstige stukken van het administratief dossier; dat de verwerende partij in haar laatste memorie niet op die excepties terugkomt, de tussenkomende partij geen memorie meer neerlegde na het auditoraatsverslag en zij geen van beide ter terechtzitting aanwezig of vertegenwoordigd waren; dat in die omstandigheden de Raad van State aanneemt dat zij van de excepties afstand hebben gedaan;
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit ten onrechte heeft besloten tot de ontvankelijkheid van het door de tussenkomende partij ingestelde beroep, dat overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, betrokkene binnen een termijn van dertig dagen “vanaf de dag na de kennisgeving van het besluit houdende het opleggen van de tuchtstraf” beroep moet instellen bij de toezichthoudende overheid, dat het tuchtbesluit van de verzoekende partij met een per 28 juni 1999 ter post aangetekende brief aan de tussenkomende partij werd gezonden, dat een aangetekende zending wordt geacht de dag na het versturen ervan aan te komen, te dezen op 29 juni 1999, dat volgens de bestreden beslissing op voornoemd beginsel slechts één uitzondering bestaat, namelijk wanneer er een grondige reden wordt opgegeven voor het later afhalen van de aangetekende zending, dat aldus de ziekenhuisopname van de echtgenote van de tussenkomende partij in het bestreden besluit als gegronde reden wordt aanvaard, dat de bestreden beslissing evenwel niet verwijst naar een attest dat rechtvaardigt dat de tussenkomende partij pas na negen dagen de aangetekende zending is gaan afhalen, dat, zonder afbreuk te willen doen aan het ziekteproces van zijn echtgenote, moet worden vastgesteld dat de tussenkomende partij op geen enkel ogenblik zijn XII-2342-5/12 medewerking heeft verleend in dit dossier doordat hij onder meer weigerde de oproepingsbrief om te worden gehoord in ontvangst te nemen, dat, gezien deze achtergrondinformatie en het ontbreken van een afdoend rechtvaardigingsbewijs, het laattijdig afhalen van de aangetekende zending niet naar recht verantwoord is en het beroep derhalve onontvankelijk had moeten worden verklaard; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat de ontvankelijkheid van het beroepschrift van 4 augustus 1999 in het bestreden besluit uitgebreid werd onderzocht en aangetoond, dat tijdens het verhoor op 17 september 1999 informeel werd ingegaan op de datum van afhaling van het aangetekend verzonden tuchtbesluit, dat er geen enkele reden was om de door tussenkomende partij opgegeven oorzaak in vraag te stellen, gelet op het feit dat dit ook de reden was waarom hij niet kon verschijnen voor het verhoor door de tuchtoverheid, dat de ziekenhuisopname van de echtgenote van tussenkomende partij wel degelijk kan worden aanvaard als verantwoording voor het laattijdig afhalen van het tuchtbesluit, dat de waarachtigheid van die opname op vraag van de beroepsinstantie werd bevestigd door het doktersattest dat na de hoorzitting werd bezorgd, dat dit attest duidelijk vermeldt dat de echtgenote van tussenkomende partij in de periode van “11 juni 1999 tot begin juli 1999” in het ziekenhuis was opgenomen, dat de verzoekende partij de medische problematiek van de echtgenote van de tussenkomende partij trouwens erkent, dat dit nog een bijkomend argument is om met dit gegeven rekening te houden en dat het minstens onrechtvaardig is en als schending van de regels van behoorlijk bestuur zou worden beschouwd indien dit niet het geval zou zijn; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij daarop doet gelden dat het, opdat de kennisgeving van het tuchtbesluit van 28 juni 1999 geldig zou zijn, volstaat dat de aangetekende brief door de postbode aan de woning van betrokkene is aangeboden en dat een bericht is achtergelaten dat de aangetekende zending te zijner beschikking is op het postkantoor, dat uit de stukken van het dossier blijkt dat aan deze kennisgevingsvereiste werd voldaan, dat immers tussenkomende partij op 29 juni 1999 het bericht van aangetekende zending van het postkantoor heeft ontvangen en uiteindelijk pas op 8 juli 1999 die aangetekende zending is gaan afhalen op het postkantoor, dat de vraag dan ook is of het niet tijdig afhalen van de aangetekende zending een grond tot opschorting van de beroepstermijn is, dat algemeen wordt gesteld dat een in een geding betrokken partij het nodige moet doen om de proceduredocumenten in ontvangst te nemen, dat de tussenkomende partij XII-2342-6/12 deze zorgvuldigheid niet aan de dag heeft gelegd, onder meer door expliciet te weigeren de oproepingsbrief voor de hoorzitting van 25 mei 1999 in ontvangst te nemen, dat het derhalve niet zo is dat de oproepingsbrief niet werd afgehaald omdat de tussenkomende partij geen minuut van de zijde van zijn echtgenote wenste te wijken, dat de verwerende partij op deze argumenten niet antwoordt maar enkel verwijst naar een doktersattest dat de tussenkomende partij haar na de hoorzitting bezorgde, dat dit attest echter nergens de datum van ontslag uit het ziekenhuis vermeldt, dat in het bestreden besluit nergens is onderzocht of 8 juli 1999 effectief de eerst mogelijke dag was waarop de tussenkomende partij redelijkerwijze kennis kon krijgen van het tuchtbesluit, dat het niet is omdat de verzoekende partij de medische problematiek van de echtgenote van de tussenkomende partij erkent dat dit gegeven zonder meer een schorsingsgrond oplevert voor de aanvang van de beroepstermijn, dat de uitzonderingen op de regel dat aangetekende zendingen vermoed worden te zijn aangekomen de dag na hun verzending beperkend moeten worden uitgelegd; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog argumenteert dat de verzoekende partij werd uitgenodigd om aanwezig te zijn op de hoorzitting van 17 september 1999, dat zij deze hoorzitting, waar zij haar argumenten inzake de eventuele laattijdigheid van het beroepschrift had kunnen uiteenzetten, niet bijwoonde, dat de verzoekende partij argumenten opwerpt die de verwerende partij niet kende zodat zij de opmerkingen inzake de ontvankelijkheid niet bij de bestreden beslissing kon betrekken, dat tijdens de procedure voor de Raad van State geen elementen kunnen worden aangevoerd die bekend konden worden gemaakt voor het nemen van de bestreden beslissing, dat interpretaties en inschattingen van feitelijke toestanden op grond van gegevens die gekend zijn op het ogenblik van het nemen van een beslissing later niet kunnen worden tegengesproken indien daartoe voorheen de mogelijkheid werd geboden, dat het attest dat bij het dossier werd gevoegd weliswaar niet duidelijk de juiste einddatum van de ziekenhuisopname vermeldt doch wel uitdrukkelijk begin juli 1999 als einddatum opgeeft, dat de echtgenote van de tussenkomende partij tussen 17 augustus 1999 en 3 september 1999 opnieuw werd opgenomen in het ziekenhuis, dat de herhaalde ziekenhuisopnames van de echtgenote van tussenkomende partij wijzen op een slepende ziektetoestand, dat het niet meer dan billijk voorkomt dat aan tussenkomende partij, binnen de perken van de redelijkheid, enige soepelheid wordt toegekend bij de toepassing van de beroepstermijn, dat het in de gegeven omstandigheden niet onredelijk voorkomt dat aan de tussenkomende partij acht extra XII-2342-7/12 dagen worden toegekend, dat het in de context van herhaalde en kort opeenvolgende ziekenhuisopnames onrechtvaardig is om te stellen dat betrokkene van zodra een opname is afgelopen zomaar de draad weer kan opnemen, dat het aanvaardbaar lijkt dat de tussenkomende partij zijn echtgenote bijstaat wanneer zij uit het ziekenhuis wordt ontslagen en dat zijn eerste bekommernis naar haar uitgaat, dat het niet onbegrijpelijk is dat de tussenkomende partij ook tussen de ziekenhuisopnames door niet volledig kan functioneren zoals in normale omstandigheden kan worden verwacht, dat de interpretatie van overmacht een opportuniteitsbeoordeling is waarvan niet met zekerheid kan worden gesteld dat het aan de Raad van State toekomt die interpretatie te betwisten “tenzij bij wijze van marginale toetsing een ernstige onredelijkheid wordt vastgesteld, quod non”; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat zijn beroepschrift tegen het tuchtbesluit van 28 juni 1999 wel degelijk tijdig ingediend werd en dus ontvankelijk was, dat hij immers een grondige reden kan voorleggen voor het later afhalen van de aangetekende zending, namelijk het feit dat zijn echtgenote op het ogenblik van de toezending was opgenomen in het ziekenhuis, hetgeen hem belette de aangetekende zending onmiddellijk te gaan afhalen, dat hij dienaangaande een stuk heeft bijgebracht dat bij het dossier is gevoegd, dat het voldoende is dat dit stuk zich in het dossier bevindt met het oog op de motivering van de bestreden beslissing, dat de overweging dat het argument als waarachtig is aanvaard erop wijst dat met dat bewijsstuk wel degelijk rekening werd gehouden; 3.
- Overwegende dat artikel 3, tweede lid, van het voormelde decreet van 24 juli 1991 bepaalt dat de kennisgeving van een besluit houdende het opleggen van een tuchtstraf aan de betrokkene bij ter post aangetekende brief of door overhandiging tegen ontvangstbewijs gebeurt; dat artikel 5, tweede lid, van hetzelfde decreet bepaalt dat de betrokkene tegen een besluit van de gemeentelijke overheid houdende het opleggen van de tuchtstraf van onder meer de schorsing beroep kan instellen bij de Vlaamse regering; dat artikel 4 van het voornoemde decreet bepaalt dat het beroep bedoeld in artikel 5 door de betrokkene wordt ingesteld “binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het besluit houdende het opleggen van de tuchtstraf”; Overwegende dat niet wordt betwist dat de overschrijding van de in artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 bepaalde termijn van dertig dagen waarbinnen het beroep bij de Vlaamse regering moet worden ingesteld de XII-2342-8/12 onontvankelijkheid van het buiten die termijn ingestelde beroep tot gevolg heeft; dat te dezen het tuchtbesluit van maandag 28 juni 1999 op diezelfde dag tegen ontvangstbewijs ter post is afgegeven; dat, behoudens op zaterdagen, zondagen en feestdagen, een ter post aangetekende zending normaal binnen vierentwintig uur aan de geadresseerde wordt afgeleverd; dat, vermits de tussenkomende partij nergens het tegendeel beweert, moet worden aangenomen dat de op maandag 28 juni1999 ter post aangetekende zending op zijn adres werd aangeboden op dinsdag 29 juni 1999; dat, gelet op het feit dat de tussenkomende partij niet heeft geweigerd de aangetekende zending in ontvangst te nemen maar die aangetekende zending nadien wel is gaan afhalen, moet worden aangenomen, enerzijds, dat de tussenkomende partij niet aanwezig was op het ogenblik dat de postbode zich aan zijn woning heeft gemeld en, anderzijds, dat de postbode een bericht heeft achtergelaten waarin hij ervan werd verwittigd dat de aangetekende zending ter beschikking was op het postkantoor; Overwegende voorts dat een kennisgeving bij ter post aangetekende brief op geldige wijze gebeurt wanneer de postbode zich aan de woning van betrokkene heeft gemeld en hij, als hij de brief niet persoonlijk aan betrokkene of aan een ander op dat adres verblijvend persoon heeft kunnen overhandigen, in de brievenbus een bericht heeft achtergelaten waarin betrokkene ervan op de hoogte wordt gebracht dat de brief te zijner beschikking is op het postkantoor; dat deze vormvereisten te dezen waren vervuld op 29 juni 1999 zodat de kennisgeving van het tuchtbesluit op die datum op geldige wijze geschiedde; dat bijgevolg de bij artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 bedoelde termijn niet inging op 9 juli 1999, zijnde de dag nadat tussenkomende partij het tuchtbesluit effectief in ontvangst nam, maar wel op 30 juni 1999; dat die termijn derhalve verstreek op 29 juli 1999 terwijl de tussenkomende partij zijn beroep slechts bij op 4 augustus 1999 ter post aangetekende brief instelde; Overwegende dat een verzoeker die zich in de onoverkomelijke onmogelijkheid bevindt om binnen de wettelijke termijn het voormelde beroep in te stellen weliswaar overmacht kan inroepen om zijn buiten de beroepstermijn ingediend verzoekschrift toch ontvankelijk te horen verklaren; dat de toezicht-houdende overheid een buiten de decretale beroepstermijn ingesteld beroep echter enkel dan rechtmatig ontvankelijk kan verklaren indien zij, op grond van de door betrokkene aangereikte gegevens, rechtmatig tot de vaststelling kan komen dat deze zich in een dergelijke onmogelijkheid bevond om binnen de voorgeschreven termijn beroep in XII-2342-9/12 te stellen en niet slechts “grondige redenen” had om niet binnen die termijn te handelen; Overwegende dat te dezen uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij het door de tussenkomende partij ingestelde beroep ontvankelijk heeft verklaard op grond van de vaststelling “dat betrokkene door de ziekenhuisopname van echtgenote werd verhinderd om dadelijk het aan hem betekende tuchtbesluit op de post af te halen; dat dit argument als waarachtig wordt aangenomen; dat de beroepstermijn in casu geacht wordt in te gaan vanaf de dag van afhaling zodat de termijn om in beroep te gaan niet overschreden is”; dat uit de door de verwerende partij neergelegde stukken blijkt dat zij zich, om tot deze vaststelling te komen, heeft gesteund op een medisch attest dat, volgens haar eigen bewoordingen in haar memorie van antwoord “duidelijk [vermeldt] dat in de periode van 11 juni 1999 tot begin juli 1999, periode waarin het tuchtbesluit aan betrokkene werd betekend, zijn echtgenote in het ziekenhuis was opgenomen”; dat echter niet goed valt in te zien hoe de verwerende partij op grond van een ziekenhuisopname waarvan zij, zoals de verzoekende partij terecht opmerkt, op grond van het voorgelegde medisch attest blijkbaar niet de juiste einddatum kon bepalen, zonder meer kon besluiten dat de tussenkomende partij zich in de onmogelijkheid bevond om de aangetekende zending vóór 8 juli 1999 af te halen en dat de beroepstermijn moest worden geacht in te gaan op 9 juli1999; dat, zelfs indien de verwerende partij op grond van de haar aangereikte gegevens had kunnen vaststellen dat de echtgenote van tussenkomende partij in het ziekenhuis werd opgenomen tot en met 7 juli 1999, dan nog niet goed valt in te zien hoe zij op grond van dat gegeven zonder meer kon besluiten dat de tussenkomende partij de aangetekende zending pas na die ziekenhuisopname kon afhalen, tenware zij zich, om tot dat besluit te komen, heeft laten leiden door de verklaring die de raadsman van tussenkomende partij in zijn beroepschrift gaf voor het feit dat zijn cliënt verstek liet gaan ten tijde van het geplande tuchtverhoor, namelijk: “Gedurende deze periode verbleef zijn echtgenote in het ziekenhuis wegens ernstige gezondheidsproblemen. Kliënt week geen minuut van de zijde van zijn echtgenote en had enkel belangstelling voor haar genezingsproces. Alle andere zaken verloor mijn kliënt begrijpelijkerwijze uit het oog, inclusief deze tuchtprocedure”; dat de verzoekende partij in verband met die verklaring evenwel niet ten onrechte opmerkt dat de tussenkomende partij op 7 mei 1999 -en dus op een ogenblik dat zijn echtgenote niet in het ziekenhuis was opgenomen- weigerde de aangetekende zending waarbij hij voor verhoor werd opgeroepen in ontvangst te nemen en derhalve aldus moet worden geacht niet op de XII-2342-10/12 hoogte te zijn geweest van de datum van de hoorzitting, zodat de achteraf door verzoekers raadsman gegeven verklaring dat zijn cliënt de tuchtprocedure uit het oog was verloren doordat hij “geen minuut van de zijde van zijn echtgenote [week] en [...] enkel belangstelling [had] voor haar genezingsproces” om die reden alleen al niet overtuigt; Overwegende dat, afgezien van de hierboven gedane vaststellingen, de door de tussenkomende partij aangereikte gegevens hoe dan ook geen wettige grond tot opschorting van de beroepstermijn konden opleveren; dat immers, enerzijds, overmacht slechts het gevolg kan zijn van een buiten de wil gelegen feit en niet van een loutere wilsdaad van de betrokkene; dat de tussenkomende partij zich dan ook ten onrechte op overmacht beroept om de enkele reden dat zijn echtgenote in het ziekenhuis was opgenomen en hij geen minuut van haar zijde zou zijn geweken, aangezien hij zich zo doende vrijwillig in die toestand van “overmacht” heeft geplaatst; dat, anderzijds, zelfs indien de verwerende partij rechtmatig had kunnen vaststellen dat de echtgenote van de tussenkomende partij in het ziekenhuis was opgenomen tot en met 7 juli 1999 en de tussenkomende partij zich daardoor in de onmogelijkheid bevond om de aangetekende zending vóór 8 juli 1999 af te halen, de tussenkomende partij in die hypothese nog steeds over 23 dagen beschikte om zijn beroep binnen de voorziene termijn in te stellen en derhalve zelfs in die hypothese het laattijdig afhalen van de aangetekende zending niet door overmacht kan worden gerechtvaardigd; dat aldus moet worden vastgesteld dat de verwerende partij niet rechtmatig tot de ontvankelijkheid van het door de tussenkomende partij ingestelde beroep mocht besluiten; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 1 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij het besluit van 28 juni 1999 van de burgemeester van Maasmechelen, houdende het opleggen van de tuchtstraf van een maand schorsing aan Albert Scheepers, niet wordt goedgekeurd. XII-2342-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Artikel
- Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2342-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.164 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.