← België

Arrest 160166 - - 15/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.166 Rolnummer: A. 82283/VII-17696 Zaak: Arrest 160166 - - 15/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 22:01 Fiche Arrest nr 160.166 van 15 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.166 van 15 juni 2006 in de zaak A. 82.283/VII-17.

  1. In zake : Georges VAN DE WALLE, die woonplaats kiest bij Advocaat F. GIJSSELS, kantoor houdende te EEKLO, Gentsesteenweg 56 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN ACKER, kantoor houdende te GENT, Brugsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georges VAN DE WALLE op 1 februari 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 mei 1996 houdende bevestiging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 30 september 1993 waarbij aan verzoeker de vergunning tot exploitatie van een als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichting gevestigd te Kaprijke, Vlottestraat 1, gedeeltelijk wordt geweigerd en gedeeltelijk wordt toegestaan; Gelet op het arrest nr. 80.334 van 20 mei 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; VII-17.696-1/7 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 12 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. DE KEYSER die, loco Advocaat E. VAN ACKER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker exploiteert een landbouwbedrijf aan de Vlottestraat in Kaprijke. De inrichting ligt in agrarisch gebied volgens het gewestplan Eeklo-Aalter, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 24 maart
  4. Er geldt geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg. De inrichting ligt nabij 3 waterwingebieden, in een beschermingszone van type III. VII-17.696-2/7 Op 7 juni 1990 doet verzoeker aangifte van, wat betreft de dieren en de mestopslag, - 100 zeugen; - 60 koeien, 15 kalveren en 50 stuks jongvee (samen 125); - de opslag van 300 m³ dierlijke mest. In januari 1991 vraagt verzoeker een exploitatievergunning (ARAB-regime) voor de uitbreiding van het bedrijf met een stal voor 650 varkens. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. Op 28 april 1991 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kaprijke een bouwvergunning voor de mestvarkensstal. Verzoeker bouwt de stal en begint te exploiteren, zonder te wachten op een beslissing over de gevraagde exploitatievergunning. Op 12 mei 1992 neemt het college van burgemeester en schepenen akte van de melding voor : - 120 grote zoogdieren; - 150 gespeende varkens; - de opslag van 600 m³ dierlijke mest. Op 30 september 1993 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de vergunning voor de uitbreiding, omwille van de ligging in een beschermingszone van een waterwingebied, en dit in toepassing van bepalingen uit het oorspronkelijke en het later vernietigde Vlarem II. Verzoeker dient tegen die beslissing een administratief beroep in. Op 25 september 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kaprijke een bouwvergunning voor een nieuwe melkveestal en op 27 november 1995 een milieuvergunning voor het verplaatsen van 58 dieren naar die nieuwe stal. Na een gunstig advies van het bestuur Ruimtelijke Ordening op 19 januari 1994, een gedeeltelijk gunstig advies van de Vlaamse Landmaatschappij op 3 april 1995 en ongunstige adviezen van de administratie Gezondheidszorg op 25 januari 1994 en van het bestuur Milieuvergunningen op 15 februari 1996, wordt op 20 mei 1996 de bestreden beslissing genomen. De beslissing van de bestendige deputatie wordt bevestigd; VII-17.696-3/7
  5. De gegrondheid van het beroep 2.
  6. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : "Schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen; de motiveringsplicht. Schending van art. 17 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van art. 52, 3/ Vlarem I en van art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen"; dat hij ter adstructie van het middel in essentie onder meer doet gelden wat volgt : De bestreden beslissing heeft geen wettelijke grondslag. Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 27 maart1985 houdende reglemente- ring van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones voorziet wel een verbod voor opslag van drijfmest in de beschermingszones type II, maar niet in die van type III. De verbodsregels die VLAREM II heeft geput uit de wetgeving inzake grondwaterbeheer (artikel 5.9.4.3.) zijn niet van toepassing. De bestreden beslissing stelt "dat de aangevraagde uitbreiding niet kan worden toegestaan wegens risico's op vervuiling van het grondwater bestemd voor de productie van drinkwater", terwijl de gegrondheid van dat risico nergens uit blijkt. De bestreden beslissing blijkt er van uit te gaan dat verzoeker dierlijke mest zal lozen in het oppervlaktewater of dat hij de mest niet zal afzetten conform het Meststoffendecreet. Uit de bouwplannen en het gunstig landbouwkundig advies blijkt de degelijkheid van de mestkelders, uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de mest kan worden afgezet conform de voorschriften van het Meststoffen- decreet; 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord daarop repliceert als volgt : "(...) Alwaar verzoekende partij in hetzelfde middel stelt dat de beslissing geen wettelijke grondslag zou hebben moet verwezen worden naar het ongunstig advies van 15/02/1996 van de Afdeling Milieuvergunningen van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (stuk 10) : 'Overwegende dat de aangevraagde uitbreiding gelegen is in de beschermingszone III van de waterwingebieden 'Moerstraat', 'Waalstraat' en 'Aalstgoed' te EEKLO afgebakend bij Ministerieel Besluit van 03/12/1991 in toepassing van het Decreet van 24/01/1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer; dat de aangevraagde uitbreiding van de bestaande veehouderij met 790 varkens, 5 runderen en 1.300 m³ dierlijke mest in dergelijk gebied niet kan worden toegestaan wegens risico's op vervuiling van het grondwater bestemd voor de produktie van drinkwater'. VII-17.696-4/7 (...) Tenslotte wordt in hetzelfde middel nogmaals de motivatie aangesneden i.v.m. het aangehaalde argument in de beslissing m.b.t. vervuiling van grondwater bestemd voor de produktie van drinkwater. Boven werd reeds m.b.t. de motivatie het nodige gesteld. Bovendien vertrekt verzoekende partij van de verkeerde hypothetische gegevens nl. dat de Overheid er zou vanuit gaan dat verzoeker zonder meer dierlijke mest in het oppervlaktewater zou lozen. Dit blijkt nergens noch uit de adviezen noch uit de beslissing. Wel kan er bv. een invloed zijn van de mestafzet zelf op eigen gronden gezien o.a. wordt weergegeven in stuk 9 (beperkt gunstig advies 19/04/1995 van de Vlaamse Landmaatschappij) dat 5.292 kg P2O5 via gronden in eigendom of in pacht zal afgezet worden door verzoekende partij. Dit kan effectief wel een invloed hebben op grondwater"; 2.
  8. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker volgende repliek geeft ten aanzien van de in de bestreden beslissing vermelde "risico's op vervuiling van het grondwater bestemd voor de productie van drinkwater" : "Uit de bestreden beslissing blijkt (...) niet dat de degelijkheid van de constructie van de mestkelders in de nieuwe vleesvarkensstal bouwvergund bij CBS Kaprijke dd. 29.04.1991 betwist wordt of dat het concept van de mestkelders in deze nieuwe vleesvarkensstal op zich verkeerd is (uit het plan - stuk III/3 - en het gunstig landbouwtechnisch advies - stuk III/2 - blijkt eerder het tegenovergestelde). Bovendien blijkt uit het advies van de VLM dat verzoeker de mest die op zijn bedrijf geproduceerd wordt kan afzetten conform de voorschriften van het mestdecreet (stuk II/14). Welnu, als de degelijkheid van de mestkelders niet betwist wordt en als verzoeker over voldoende oppervlakte beschikt om de geproduceerde mest af te zetten conform de normen van het mestdecreet, is de voor de hand liggende vraag waarin dat het risico op vervuiling van het grondwater bestemd voor de productie van drinkwater dan wel bestaat. Vermits de bestreden beslissing daar geen antwoord op geeft, is dit (onbenoemde) risico op vervuiling van het grondwater voor productie van het drinkwater geen overtuigende reden om de milieuvergunning te weigeren"; 2.4.
  9. Overwegende dat de bestreden weigeringsbeslissing als volgt is gemotiveerd : "(...) Overwegende dat de aangevraagde uitbreiding gelegen is in de beschermingszone III van de waterwingebieden 'Moerstraat', 'Waaistraat' en 'Aalstgoed' te Eeklo afgebakend bij ministerieel besluit dd. 03.12.1991 in toepassing van het decreet van 24 februari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer; dat de aangevraagde uitbreiding van de bestaande veehouderij met 790 varkens, 5 runderen en 1.300 m³ dierlijke mest in dergelijk gebied niet kan worden toegestaan wegens risico's op vervuiling van het grondwater bestemd voor de productie van drinkwater; (...) Overwegende dat de hinder inherent aan de inrichting, zelfs met eerbiediging van op te leggen exploitatievoorwaarden, niet tot een voor de omgeving VII-17.696-5/7 aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; dat de inrichting bijgevolg niet bestaanbaar is met de omgeving"; 2.4.
  10. Overwegende dat in het bestreden besluit geen enkele wettelijke bepaling wordt opgegeven die de gevraagde inrichting principieel verbiedt wegens haar ligging; dat, daarentegen, het besluit van de Vlaamse Executieve van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones wel in een verbod voorziet voor de opslag van drijfmest in de beschermingszones type II, maar niet in die van type III; dat, voorts, in het bestreden besluit nergens in concreto wordt aangegeven waarom de algemeen geldende bemestingsnormen in casu niet zouden volstaan om het grondwater te beschermen; dat bovendien nergens wordt aangegeven waar de gronden waarop de mest zal worden afgezet, zijn gelegen; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  11. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 mei 1996 houdende bevestiging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 30 september 1993 waarbij aan Georges VAN DE WALLE de vergunning tot exploitatie van een als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichting gevestigd te Kaprijke, Vlottestraat 1, gedeeltelijk wordt geweigerd en gedeeltelijk wordt toegestaan. Artikel
  12. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-17.696-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.696-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.166 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.80.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.