← België

Arrest 160167 - - 15/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.167 Rolnummer: A. 76529/VII-16151 Zaak: Arrest 160167 - - 15/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 22:01 Fiche Arrest nr 160.167 van 15 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.167 van 15 juni 2006 in de zaak A. 76.529/VII-16.

  1. In zake : de n.v. DE KOCK, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DE KOCK op 28 november 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 2 oktober 1997 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van 27 maart 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende weigering aan de n.v. DE KOCK van de vergunning voor de uitbreiding van een vergunde zandwinning, gelegen aan de Wolfshaegenstraat te Huldenberg, met een zandmenginstallatie, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 141.837 van 10 maart 2005 waarbij het eerste middel ongegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangeduide lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 20 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; VII-16.151-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. BOSQUET die, loco Advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. SCHEEPMANS die, loco Advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt:
  3. De bestreden beslissing De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, grenzend aan een woongebied met landelijk karakter volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 7 december 1994; Overwegende dat de inrichting volgens het voormelde gewestplan gelegen is op ca. 80 m van een natuurgebied, gelegen aan de overzijde van de Wolfshae- genstraat en op ca. 100 m van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; Overwegende dat er binnen een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen ca. 35 woningen staan; Overwegende dat de exploitatie van de inrichting niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gebied waarin de inrichting gelegen is; dat in toepassing van artikel 43, §7 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bij het verlenen van een milieuvergunninq van deze voorschriften kan afgeweken worden op voorwaarde dat de ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; Overwegende dat de aanvraag een uitbreiding betreft van een vergunde zandgroeve en categorie-3-stortplaats, met een zandmenginstallatie; dat bij deze installatie de nodige ingrediënten (zand, steenslag) met behulp van een wiellader in 2 gecompartimenteerde sleufsilo’s, elk met 4 compartimenten van 35 ton elk, worden gedeponeerd; dat de verschillende materialen op een horizontale VII-16.151-2/12 transportband worden samengebracht en door middel van een stijgende transportband naar de rnenghak worden gevoerd, waarbij cement wordt toegevoegd vanuit een silo voor 50 ton; dat na vermenging water wordt toegevoegd; dat zo beton wordt bekomen dat voornamelijk door derden zal afgehaald worden, met een capaciteit van circa 1.200 ton/dag; Overwegende dat in huidige aanvraag onduidelijkheid bestaat over de vermogens van de installaties; dat een stroomgroep met een vermogen van slechts 64 kW wordt gevraagd, vermoedelijk voor de aandrijving van een zandmenger met een vermogen van 150 kW; dat door aanvrager werd bevestigd dat het vermogen van de stroomgroep geen 64 kW maar 320 kW zou bedragen, dus 5 maal meer; dat deze vergissing echter niet meer kan gecorrigeerd worden in het kader van de beroepsprocedure, gezien dit gegeven niet vermeld was in het dossier dat in openbaar onderzoek is gelegd; Overwegende dat de installatie ingeplant wordt op minder dan 100 m tot de woningen gelegen langs de Wolfshaegenstraat; dat de installatie op ongeveer 80 m van de perceelsgrenzen van de dichtstbijgelegen woning is voorzien; Overwegende dat de voorgestelde inplanting, namelijk aan de ingang van de groeve, niet de beste keuze is; dat dieper in de groeve, tevens op meer dan 100 m van woongebied, de plaatsing milieutechnisch veel gunstiger is, gezien op die plaats veel meer schermwerking plaatsvindt door de ingesloten plaatsing; dat de kans groot is dat de huidige voorgestelde plaatsing zal aanleiding geven tot onaanvaardbare hinder voor de dichtste woningen; dat aanvrager niet aantoont dat de geluidsnormen uit titel II van het Vlarem zullen gehaald worden; Overwegende dat de betrokken zandmenginstallatie nog niet is geplaatst; dat er derhalve zou kunnen overwogen worden om de installatie op grotere afstand van deze woningen in te planten; dat er hiertoe ruimschoots plaats voorhanden is; dat de aanvrager hiertegen geen bezwaar heeft; dat echter een nieuwe milieuvergunningsaanvraag voor deze inplanting moet worden ingediend; Overwegende dat kan gesteld worden dat de voorziene verweving van functies de bestemming van de onmiddellijke omgeving (landbouw, wonen) wel bijkomend zal in het gedrang brengen of verstoren; dat de inrichting duidelijk ruimtelijk is afgebakend; dat evenwel gelet op de te verwachten bijkomende hinder zoals hoger uiteengezet, de voorziene verweving van functies wel degelijk in het gedrang zal gebracht worden en de ruimtelijke ordening wel wordt geschaad; Overwegende dat de overige aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de adviezen zijn voor de Bestendige Deputatie niet bindend; - door aanvrager werd bevestigd dat de gegevens in de aanvraag inzake het vermogen van de stroomgroep foutief zijn; - op de huidige plaats zal de installatie aanleiding geven tot onaanvaardbare lawaaihinder, zodat de aanvraag dient geweigerd te worden, temeer daar in dezelfde groeve een gunstiger plaatsing mogelijk is".
  4. Beoordeling 2.
  5. Een logisch onderzoek van de zaak verantwoordt dat het derde en het vierde middel eerst worden onderzocht. 2.2.
  6. In het derde middel roept de verzoekende partij het volgende in: VII-16.151-3/12 “Derde middel, genomen uit machtsoverschrijding, uit de schending van de artikelen 5, 17 en 23, § 2 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, uit de schending van artikel 13 van het decreet van de Vlaamse Raad van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuurs- documenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsverplichting, het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, Doordat, de Minister overweegt dat de inrichting van de verzoekende partij wordt ingeplant op ca. 80 m van een natuurgebied, op ca. 100 m van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dat er binnen een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen ca. 35 woningen staan en dat de installatie op ongeveer 80 m van de perceelsgrenzen van dichtstbijzijnde woning is voorzien, en hieruit afleidt dat de inplanting ‘niet de beste keuze is’, en de weigeringsbeslissing op deze overweging lijkt te steunen; Terwijl, de Minister, in het kader van de beoordeling van een milieuvergun- ningsaanvraag weliswaar gehouden is om, overeenkomstig artikel 2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening , de verenigbaarheid van de aanvraag te toetsen aan de bindende planologische voorschriften, doch niet vermag de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke aanleg van de plaats te toetsen, beoordeling die immers enkel kan gebeuren door de vergunningverlenende overheden in het kader van een bouwvergunningsaan- vraag, die in cau evenwel niet aan de orde is; Zodat, de bestreden beslissing, door de gevraagde milieuvergunningsaanvraag niet te verlenen onder verwijzing naar de vermeende onaanvaardbaarheid van de gevraagde zandmenginstallatie vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke aanleg van de plaats, de milieuvergunning weigert om een reden die geen uitstaans heeft met de doelstellingen van de hinderwetgeving, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt.” 2.2.
  7. In haar memorie van wederantwoord ontwikkelt zij de volgende bijkomende argumenten : “De tegenpartij antwoordt niet op het middel, omdat zij kennelijk aan de essentie voorbijgaat : het komt de vergunningsverlenende overheid niet toe een evaluatie te maken van de goede ruimtelijke ordening, hetgeen enkel toekomt aan de overheid die uitspraak doet over een bouwvergunningsaanvraag. Bovendien is de Minister voorbijgegaan aan de omstandigheid dat er geen onverenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften is. Op grond van het bestaande A.P.A., waarmee de tegenpartij ten onrechte geen rekening heeft gehouden, is er geen onverenigbaarheid en derhalve ook geen zondevreemdheid. Zelfs indien zou aangenomen worden dat de inrichting niet verenigbaar zou zijn met de bestemmingsvoorschriften van het A.P.A. -quod non-, dan nog kon de Minister geen toepassing maken van de §§ 7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober
  8. De afwijkingsrege- ling van artikel 43, § 7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, geldt enkel ingeval van een afwijking van een gewestplan of ontwerp-gewestplan en niet in geval van een afwijking van een gemeentelijk plan van aanleg, zoals een A.P.A.. De vergunningverlenende overheid heeft dan ook geen beoordelingsbevoegd- heid in het kader van een milieuvergunning om de aanvraag te toetsen aan de geode ruimtelijke ordening.” VII-16.151-4/12 2.2.
  9. Een globale lezing van de weigeringsmotieven leidt tot de conclusie dat de beoordeling van de voorgestelde inplantingsplaats van de zandmeng- installatie als "niet de beste keuze" ingegeven is door milieutechnische redenen die inzonderheid verband houden met de hinderlijkheid van de inrichting voor de bewoning in de onmiddellijke omgeving. In het bestreden besluit wordt concreet aangegeven dat er binnen een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen van de inrichting ca. 35 woningen aanwezig zijn. Aldus vindt de in het derde middel naar voor gebrachte bewering dat het voorwerp van de aanvraag beoordeeld werd "vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening van de plaats" en zodoende om een reden "die geen uitstaans heeft met de doelstellingen van de hinderwetgeving", geen steun in de bestreden beslissing. 2.3.
  10. In haar vierde middel zet de verzoekende partij het volgende uiteen : "(...) schending van het Besluit van Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), uit de schending van artikel 13 van het decreet van de Vlaamse Raad van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht, en uit de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; Doordat, eerste onderdeel, het bestreden besluit overweegt 'dat de aanvrager niet aantoont dat de geluidsnormen uit titel II van het Vlarem zullen gehaald worden' waarna de Minister verder overweegt dat de installatie 'aanleiding (zal) geven tot onaanvaardbare lawaaihinder, zodat de aanvraag dient geweigerd te worden, temeer daar in dezelfde groeve een gunstiger plaatsing mogelijk is', om uiteindelijk te besluiten dat de risico’s en hinder van de inrichting niet tot een aanvaardbaar niveau zouden kunnen beperkt worden; Terwijl, de beslissing van de Minister over het beroep van de verzoekende partij moet gemotiveerd zijn, en dit zowel in rechte als in feite, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten weergegeven worden en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van aard om de bestreden beslissing te kunnen dragen, wat in casu betekent dat de Minister in concreto had dienen aan te geven waarom hij van oordeel is dat de zandmenginstallatie zogenaamd geluidshinder zou veroorzaken en waarom deze beweerde geluidshinder niet zou kunnen beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau mits het opleggen van bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden; dat het louter affirmeren van het feit dat de inrichting geluidshinder zou veroorzaken, in dit verband kennelijk niet volstaat, te meer daar de geplande zandmenginstallatie onder de hinderreglementering valt, die per definitie betrekking heeft op hinderlijke inrichtingen en er geenszins op gericht is elke hinder uit te sluiten, doch enkel strekt tot het beperken van deze hinder tot een aanvaardbaar niveau; dat het evenmin aan de verzoekende partij toekomt om aan te tonen dat de inrichting 'de geluidsnormen' zal halen, doch het integendeel het vergunningverlenend bestuur is dat in het kader van de motivering van de bestreden weigeringsbeslissing dient aan te tonen welke normen van Vlarem II, èn dat deze normen zogenaamd niet zouden gehaald VII-16.151-5/12 worden, argumentatie die in het bestreden besluit niet terug te vinden is; dat het feit dat er een andere locatie voor de zandmenginstallatie zou bestaan, evenmin een afdoend weigeringsmotief is, wanneer, zoals in casu, niet in concreto wordt aangetoond dat de gevraagde inplanting van de zandmenginstallatie effectief een hinder zou veroorzaken, die mits het opleggen van bijzondere milieuvergun- ningsvoorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau zou kunnen beperkt worden; En doordat, tweede onderdeel, de Afdeling Stedenbouwkundige vergunning- en en de Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie een gunstig advies hebben uitgebracht; Terwijl, de beslissing van de Minister over het beroep van de verzoekende partij moet gemotiveerd zijn, en dit zowel in rechte als in feite, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten weergegeven worden en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van aard om de bestreden beslissing te kunnen dragen, wat in deze betekent dat in concreto had dienen aangegeven te worden waarom de Minister de adviezen in andersluidende zin niet heeft gevolgd (zie R.v.St., N.V. Vanden Avenne Vrieshuis, nr. 57.038, 14 december 1995; R.v.St., Lombaert en cons., nr. 60.146, 13 juni 1996), in het kader waarvan het vanzelfsprekend niet volstaat enkel te stellen dat zij niet bindend zijn; En doordat. derde onderdeel, het bestreden besluit melding maakt van het ongunstig advies van de Afdeling Milieuvergunningen dd. 16 juli 1997 en van 'het advies' van de gewestelijke milieuvergunningscommissie van 18 juli 1997, en het besluit op gezegd ongunstig advies van de Afdeling Milieuvergunningen lijkt te steunen, zonder evenwel de inhoud ervan kenbaar te maken, en bovendien de strekking en de inhoud van het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie voor de verzoekende partij onbekend is; Terwijl, de beslissing van de Minister over het beroep van de verzoekende partij moet gemotiveerd zijn, en dit zowel in rechte als in feite, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten weergegeven worden, en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van aard om de bestreden beslissing te kunnen dragen, wat in deze betekent dat had dienen aangegeven te worden wat de concrete inhoud van gezegd ongunstig advies van de Afdeling Milieuvergunning- en was, waarop de bestreden beslissing lijkt te steunen, en waarom de Minister van oordeel was dat de strekking van dit advies diende gevolgd te worden, alsmede tenslotte had dienen gespecifieerd te worden wat de inhoud en de strekking van het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie was, motivering die in de bestreden beslissing niet terug te vinden is; Zodat, de bestreden beslissing, door de bewijslast om te keren inzake het al dan niet voldoen aan welbepaalde technische voorschriften en normen van Vlarem II, en door niet te motiveren waarom de hinder niet tot een aanvaardbaar niveau zou kunnen beperkt worden (eerste onderdeel), door de andersluidende adviezen te verwerpen door louter te stellen dat zij niet bindend zijn (tweede onderdeel), en door de inhoud van het ongunstig advies van de Afdeling Milieuvergunningen niet kenbaar te maken, en evenmin te motiveren waarom de strekking ervan gevolgd werd, en de strekking en de inhoud van het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie niet kenbaar te maken, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt". 2.3.
  11. In de memorie van wederantwoord vult zij haar uiteenzetting aangaande het vierde middel aan als volgt : "(...) M.b.t. het eerste onderdeel VII-16.151-6/12 Verzoekende partij heeft in haar annulatieberoep opgeworpen dat de Minister in het bestreden besluit niet in concreto heeft aangetoond dat de inrichting effectief hinder zou veroorzaken. De omstandigheid dat uit het openbaar onderzoek gebleken zou zijn dat de omwonenden vrezen voor lawaaihinder, kan evenmin de bestreden beslissing dragen. In het bestreden besluit wordt trouwens niet verwezen naar de door omwonenden geuite bezwaren. Een beslissing kan enkel gedragen worden door motieven vervat in de bestreden beslissing zelf. Een motief gegeven nadat een annulatieberoep is ingesteld voldoet niet, een a posteriori motivering voldoet derhalve niet (cfr. R.v.St., NV Syndicaat Machiensteen en NV Swenden, nr. 43.154, 3 juni 1993). Bovendien volgt uit deze opmerkingen geenszins dat de zandmenginstallatie hinder zal veroorzaken. Dergelijke vrees voor lawaaihinder volstaat trouwens niet op zichzelf om een vergunning te weigeren, nu dit geen objectief gegeven uitmaakt waarbij bij de beoordeling rekening moet gehouden worden (cfr. R.v.St., Verstappen, nr. 65.584, 18 februari 1997). Vrees voor hinder volstaat dus niet, net zo min als hinder op zich volstaat, in acht genomen dat de aanvraag kadert in de wetgeving inzake 'hinderlijke inrichtingen', waardoor per definitie niet elke hinder kan uitgesloten worden. De overheid dient de hindermaat concreet aan te geven en te beoordelen, en vermag slechts een vergunning te weigeren als de hinder redelijkerwijze bovenmatig is en niet kan ingeperkt worden door het opleggen van bijzondere of andere exploitatievoorwaarden. De verwerende partij draait in het bestreden besluit de bewijslast om door te vereisen van verzoekende partij dat zij zou aantonen dat de geluidsnormen uit titel II van Vlarem niet zullen gehaald worden (vgl. R.v.St., N.V. Voeders Stagier, nr. 62.884, 31 oktober 1996 : indien niet kan verwezen worden naar abstracte milieutechnische regels, kan men het a fortiori niet overlaten aan de exploitant zelf te onderzoeken welke regels van Vlarem II zouden verhinderen binnen een welbepaalde (welke?) hindermaat te blijven). Uit de omstandigheid dat verzoekende partij geen bijzondere technieken of systemen zou hebben voorzien of voorgesteld in de milieuvergunningsaanvraag, volgt uiteraard niet dat de verwerende partij geen beoordeling van de hinder dient te maken. Trouwens, enkel indien de inrichting ook effectief geluidshinder zou veroorzaken, zou het nuttig zijn de best beschikbare technieken te vermelden. De afwezigheid van best beschikbare technieken om lawaai te beperken of te voorkomen in de milieuvergunningsaanvraag is dan ook zonder enig belang, nu de verwerende partij niet in concreto heeft vastgesteld dat de inrichting effectief geluidshinder veroorzaken. Bovendien werd in de bestreden beslissing zelf er niet op gewezen dat de vergunningsaanvraag onvolledig zou geweest zijn omwille van het ontbreken van gegevens over BBT. In bijlage 10 bij de milieuvergunningsaanvraag wordt onder punt c) het volgende bepaald : 'De zandmenginstallatie wordt uitsluitend in werking gezet wanneer een bestelling dient afgewerkt te worden. Met behulp van een wiellader worden de benodigde materialen bovenaan in de twee gecomparimenteerde seulsilo’s gedeponeerd. De eventuele lawaaihinder veroorzaakt door deze machines wordt opgevangen door de zijwanden van de zandwinning en de oude groeve waardoor de voortplanting van de geluidsgolven in een andere dan een verticale richting sterk bemoeilijkt wordt'. Verder wordt in deze bijlage bepaald dat de inrichting voldoet aan de algemene bepalingen die van toepassing zijn op deze inrichting. De verwerende partij diende derhalve zelf aan te duiden waarom verzoekende partij niet zou voldoen aan de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II en aan welke voorwaarden precies. (...) M.b.t. het tweede onderdeel VII-16.151-7/12 De verwerende partij gaat in haar memorie van antwoord voorbij aan de verplichting om in het bestreden besluit de motieven te doen kennen waaruit kan worden afgeleid waarom de andersluidende adviezen niet worden gevolgd. In het gunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 17 juli 1997, waarvan verzoekende partij slechts kennis gekregen heeft in het administratief dossier, wordt duidelijk gesteld dat de ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit wordt als volgt gemotiveerd : 'Overwegende dat de aanvraag vooral betrekking heeft op de uitbreiding van de inrichting met een zandmenginstallatie; dat, gelet op de beperkte schaal van deze uitbreiding de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet zal worden overschreden; dat, eveneens kan gesteld worden dat de voorziene verweving van functies de bestemming van de onmiddellijke omgeving (landbouw, wonen) niet bijkomend zal in het gedrang brengen of verstoren gelet op de duidelijke ruimtelijke afbakening van de inrichting en gelet op de geringe te verwachten bijkomende hinder (zowel milieuhinder als ruimtelijk-visuele hinder), indien de nodige algemene, sectoriële en bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd'; Uit de motieven van het bestreden besluit kan echter niet afgeleid worden waarom dit gunstig advies niet zou kunnen gevolgd worden. Het bestreden besluit overweegt enkel in zeer algemene termen dat 'gesteld kan worden dat de voorziene verweving van functies de bestemming van de onmiddellijke omgeving (landbouw, wonen) wel bijkomend zal in het gedrang brengen of verstoren; dat de inrichting duidelijk ruimtelijk is afgebakend; dat evenwel gelet op de te verwachten bijkomende hinder zoals hoger uiteengezet, de voorziene verweving van functies wel degelijk in het gedrang zal gebracht worden en de ruimtelijke ordening wel wordt geschaad'; Uit deze overweging valt niet af te leiden waarom de argumenten van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen niet gevolgd worden. In het bestreden besluit wordt, zonder aan te duiden op grond van weke redenen, het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en de daarin ontwikkelde argumenten opzij geschoven. Een afdoende motivering vereist dat in het besluit wordt aangeduid waarom wordt voorbijgegaan aan het ingewonnen advies. Het bestreden besluit antwoordt daarenboven op geen enkel manier op de argumenten van het gunstige advies van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie. (...) M.b.t. het derde onderdeel Uit het bestreden besluit blijkt tenslotte geenszins dat de Minister de overwegingen van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie tot de zijne gemaakt heeft. Bovendien stelt de verwerende partij volledig ten onrechte dat duidelijk uit het besluit zou blijken dat de Minister zich op dit advies gesteund heeft. De verwijzing in de aanhef naar het advies van de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie ('Gelet op het advies dd.18 juli 1997 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie') betekent uiteraard niet dat hieruit zou volgen dat de overwegingen uit het bestreden besluit een herneming zijn van de overwe- gingen van dit advies. Verzoekende partij kon hieruit onmogelijk afleiden dat de motieven van het bestreden besluit en herneming zijn van de motieven van het advies. De verwerende partij stelt zelf in haar memorie van antwoord dat de inhoud van de ingewonnen adviezen in de beslissing moeten overgenomen worden, wanneer de doorslaggevende motieven van de beslissing slechts in die adviezen zijn terug te vinden. Terzake was dit duidelijk het geval, nu het bestreden besluit de motieven van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie letterlijk herneemt". VII-16.151-8/12 2.3.
  12. In haar laatste memorie voegt zij daar nog het volgende aan toe : "(...) Verzoekende partij wenst er bovendien op te wijzen dat het derde en het vierde middel moeten samen gelezen worden, met name in zoverre geen aanvaardbare redenen kunnen teruggevonden worden in het bestreden besluit waarom de vergunning niet kan verleend worden met als eventueel bijkomende exploitatievoorwaarde dat de zandmenginstallatie dieper in de groeve dient opgesteld te worden, eerder dan de vergunning zonder meer te weigeren. In dat kader wordt nogmaals verwezen naar het gunstig advies dd. 17 juli 1997 van de dienst stedenbouwkundige vergunningen, waarin zeer duidelijk wordt gesteld dat er geen noemenswaardige hinder valt te verwachten, en naar de overweging van het bestreden besluit zelf dat enkel overneemt dat de plaatsing zoals voorgesteld door de aanvrager minder gunstig is en dat een plaatsing dieper in de groeve veel gunstiger is. De vergunningverlenende overheid zegt m.a.w. nergens dat bij gelijk welke plaatsing de hinder onaanvaardbaar is". 2.3.4.
  13. In essentie komt het eerste onderdeel van het vierde middel er op neer dat de verwerende partij het beweerde risico op onaanvaardbare lawaaihinder niet afdoende zou hebben onderbouwd. In de opgegeven motivering wordt echter aandacht besteed aan het concrete voorwerp van de aanvraag. De werking en het procédé van de zandmenginstallatie worden uitvoerig beschreven. Daarenboven wordt ook vermeld dat er binnen een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen ca. 35 woningen gelegen zijn waarvan de meest nabije gesitueerd is op ongeveer 80 m. Voormelde beoordelingselementen zijn voldoende opdat in redelijkheid aangenomen kan worden dat de ruimtelijke scheiding tussen de dichtstbijzijnde woningen en de zandmenginstallatie, die in open lucht opgesteld wordt, dermate beperkt is dat onaanvaardbare geluidshinder een reëel risico vormt. Voor dat standpunt heeft de verwerende partij steun kunnen vinden in de ongunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Het valt niet in te zien hoe de vergunningverlenende overheid zou hebben kunnen aantonen dat de inrichting "effectief" onaanvaardbare geluidshinder teweegbrengt, zoals blijkbaar door de verzoekende partij wordt geëist, aangezien de installatie kennelijk nog niet in bedrijf was gesteld op het ogenblik dat uitspraak werd gedaan over de vergunningsaanvraag. Inzake de beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting kan men het de vergunningverlenende overheid ook niet ten kwade duiden dat zij rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van een redelijk alternatief voor de inplanting van de betrokken zandmenginstallatie waardoor minder hinder voor de omwonenden zou worden teweeggebracht. Zo wordt in de bestreden beslissing gesuggereerd om de installatie dieper in de groeve te plaatsen. Dat voorstel is verre van onredelijk in het licht van de ingediende vergunningsaanvraag, inzonderheid van de erbij gevoegde bijlage 10 "Preventieve voorzieningen" waarin de exploitant als maatregel voor het beperken van de geluidshinder zelf stelt dat "eventuele lawaaihin- VII-16.151-9/12 der veroorzaakt door deze machines wordt opgevangen door de zijwanden van de zandwinning en de oude groeve waardoor de voortplanting van de geluidsgolven in een andere dan een verticale richting sterk bemoeilijkt wordt". Eigenlijk strekt de in de bestreden beslissing geformuleerde suggestie er toe om voor de beheersing van mogelijke geluidshinder nog meer voordeel te trekken uit de "schermwerking" die aan de bestaande zandgroeve wordt toegeschreven. Geplaatst voor de keuze om ten aanzien van een inrichting die uit milieuoogpunt niet gunstig gelegen is, ofwel de milieuvergunning te verlenen mits het opleggen van strenge bijzondere vergunningsvoorwaarden teneinde de hinder voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau te beperken, ofwel de vergunning te weigeren omdat er betere locatiealternatieven op de plaats van exploitatie aanwezig zijn, handelt de vergunningverlenende overheid niet onwettig door te kiezen voor de laatste oplossing. 2.3.4.
  14. Gunstige adviezen die geen elementen bevatten die betrekking hebben op het decisief motief waarop de weigering van de vergunning gestoeld is, moeten niet formeel worden weerlegd. De afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie gaat in haar gunstig advies van 2 juni 1997 niet op een concreet onderbouwde wijze in op de hinder van de zandmenginstallatie voor de omwonenden van de zandgroeve. Dat advies diende in de bestreden beslissing dan ook niet te worden "weerlegd". Met betrekking tot het "andersluidend" advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen waarin gesteld wordt dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet zal worden overschreden "gelet op de beperkte schaal van deze uitbreiding" en de voorziene verweving van functies de bestemming van de onmiddellijke omgeving (landbouw, wonen) niet bijkomend zal in het gedrang brengen of verstoren "gelet op de duidelijke ruimtelijke afbakening van de inrichting en gelet op de geringe te verwachten bijkomende hinder (zowel milieuhinder als ruimtelijk-visuele hinder)", blijkt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het middel dat in het bestreden besluit op afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom de verwerende partij voormeld advies niet kon bijtreden. 2.3.4.
  15. De grief dat het ongunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen niet in extenso in de bestreden beslissing is opgenomen, is niet gegrond. Om aan de bestaansreden van de formele motiveringsplicht tegemoet te komen is het immers niet vereist dat de inhoud van de tijdens de voorbereidende procedure ingewonnen adviezen in de beslissing wordt overgenomen, tenzij indien de doorslaggevende motieven van een beslissing slechts in die adviezen zouden te vinden VII-16.151-10/12 zijn. Als de motivering voldoende blijkt uit de beslissing zelf, is de formele motiveringsplicht niet geschonden. Te dezen blijkt uit de bespreking van de vorige middelonderdelen dat de decisieve motieven voor de weigering van de gevraagde vergunning in de bestreden beslissing zelf te vinden zijn. Een aantal van de opgegeven motieven worden in het eerste onderdeel van het middel ten andere door de verzoekende partij bekritiseerd, zodat de doelstelling van de formele motiveringsplicht is bereikt. De verplichting tot formele motivering vereist niet dat de strekking van de tijdens de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen in de beroepsbeslissing vermeld wordt. In casu heeft het niet-vermelden van de strekking van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet belet dat aan de belangrijkste bestaansreden van de motiveringplicht tegemoet is gekomen. 2.
  16. Dit milieutechnisch weigeringsmotief volstond op zichzelf om de gevraagde milieuvergunning te weigeren. Het staat los van de vraag of de inrichting al dan niet verenigbaar is met de bestemming van het algemeen plan van aanleg of van het gewestplan, zodat het tweede middel, waarin deze kwestie wordt aangebracht, niet verder hoeft te worden onderzocht omdat het middel, zelfs zo het gegrond zou worden bevonden, niet tot nietigverklaring kan leiden. BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-16.151-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.151-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.167 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.