← België

Arrest 160168 - - 15/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.168 Rolnummer: A. 157298/X-12112 Zaak: Arrest 160168 - - 15/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 22:01 Fiche Arrest nr 160.168 van 15 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.168 van 15 juni 2006 in de zaak A. 157.298/X-12.

  1. In zake : Bart FRANCO, die woonplaats kiest bij Advocaat R. SLABBINCK, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. tussenkomende partij : de nv BELGACOM MOBILE, die woonplaats kiest bij Advocaten H. DE BAUW en W. TIMMERMANS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Havenlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart FRANCO op 8 november 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 juni 2004 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de nv BELGACOM MOBILE PROXIMUS voor het installeren van een GSM installatie op een perceel aan de Hogeweg "De Blauwe toeren kasteel" te Brugge, kadastraal bekend Brugge, 30ste afd., sectie B, nr. 18h.; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.112-1/7 Gelet op de beschikking van 11 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. SLABBINCK die verschijnt voor de verzoeker, van Advocaat L. BRONDEEL die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat W. TIMMERMANS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de nv BELGACOM MOBILE met een verzoek- schrift van 25 november 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  4. De feiten Overwegende dat de tussenkomende partij op 18 april 2003 een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het installeren van een GSM-installatie op een terrein te Brugge aan de Hogeweg, kadastraal bekend 30ste afdeling, sectie B, nr. 18h; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar met het bestreden besluit de gevraagde vergunning geeft;
  5. De ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij één en de tussenkomende partij twee excepties van niet-ontvankelijkheid opwerpen; dat in de huidige stand van het geding geen uitspraak over deze excepties dient te worden gedaan nu, zoals hierna zal blijken, niet aan de schorsingsvoorwaarden ten gronde is voldaan; X-12.112-2/7
  6. Beoordeling 3.
  7. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij, wat de tweede voor- waarde betreft, aanvoert dat een GSM-mast van 26 meter hoogte wordt ingeplant op 15 meter van de straat en op 25 meter van haar woning, dat de keuken en de living van de verzoekende partij naar de straatzijde en dus de inplantingsplaats van de GSM-mast zijn gericht zodat de verzoekende partij voortdurend een uitzicht op die mast zal hebben, dat de visuele hinder daardoor een ernstig en moeilijk te herstellen karakter heeft en niet meer kan worden goedgemaakt, dat de impact van de GSM- mast als hoger omschreven niet vergelijkbaar is met de reeds aanwezige boven- leiding van de spoorweg, dat die bovenleiding en de serres in de omgeving zich veel lager bij de grond bevinden dan de vergunde mast, dat de schoorsteen waarvan sprake is in het bestreden besluit zich op een aanzienlijke afstand bevindt en niet zichtbaar is vanuit de woning van de verzoekende partij, dat de hoogspanningslijnen al te veraf zijn gelegen, dat wetenschappelijk wordt aangenomen dat de exploitatie van een GSM-mast ernstige gezondheidsrisico’s met zich mee kan brengen, dat, ook al bestaat daarover nog geen eenduidigheid, die onzekerheid een grote ongerustheid veroorzaakt die als psychologische hinder kan worden beschouwd, dat de verzoekende partij en haar echtgenote immers twee jonge kinderen hebben, dat niet kan worden gesteld dat de opgeworpen visuele en psychologische hinder van louter subjectieve aard zijn, dat het nadeel omwille van de visuele hinder zeker een objectief element bevat, dat de verzoekende partij via een procedure voor de burgerlijke rechter op grond van de evenwichtsleer enkel een geldelijke compensatie doch geen rechtstreekse maatregel ter beëindiging van de hinder kan verkrijgen, dat het wooncomfort van de verzoekende partij bij gebrek aan schorsing onherstelbaar zal worden aangetast en dat de verzoekende partij in dat geval lijdzaam onaanvaardbare hinder zal moeten ondergaan; X-12.112-3/7 Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting verwijst naar een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 22 december 2004, gewezen tussen de verzoekende partij en haar echtgenote enerzijds en de tussenkomende partij anderzijds; dat zij aanvoert dat in dat vonnis wordt gesteld dat de kwestieuze mast "wel degelijk een ernstige visuele hinder (vormt) die van invloed is op het genot en gebruik van hun eigendom, zelfs rekening houdend met de nabijheid van een bestaande spoorlijn, serres en schoorsteen en met de aanwezigheid van hoogspanningsleidingen op een grotere afstand"; 3.2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de zendmast blijkens de foto’s en het bouwdossier aansluit bij serres doch niet rechtstreeks tegenover de woning van de verzoekende partij wordt geplaatst zodat er geen rechtstreeks zicht is, dat de eigendom van de verzoekende partij reeds volledig is ingesloten door serres, dat het zicht op de voorliggende straat en spoorwegberm niet wordt belemmerd, dat de woonkwaliteit van de verzoekende partij door de serres, de spoorlijnen en de hoogspanningslijnen reeds erg is beperkt, dat de vergunde zendmast een aanvaardbare grootte heeft in verhouding tot de aanwezige constructies, dat de vormgeving als pyloon artistiek is met ingewerkte antennes en kabels, dat een grote gelijkenis met de reeds aanwezige schoorsteen bestaat, dat een kleine technische zendinstallatie aan de voet van de mast is geplaatst die, evenals de zendmast zelf, aan de voorschriften van het B.P.A. voldoet, dat het voorgehouden nadeel derhalve een gevolg van die voorschriften is, dat wordt voldaan aan het K.B. houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 Mhz en 10 Ghz, dat die normen 4 keer strenger zijn dan de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie en 200 keer strenger dan de effectieve risicogrens, dat het gezondheidsaspect derhalve volledig onder controle is, dat minstens aan belangenafweging moet worden gedaan, dat het belang van het uitzicht van de verzoekende partij ondergeschikt is aan dat van de realisatie van een grensoverschrijdend netwerk met maximale bedekking, dat in het verleden reeds een aanvraag werd ingediend voor de kwestieuze installatie doch dat deze op geen ideale plaats was gelegen en dat daarom een nieuwe plaats is gezocht bij de spoorweg en het bestaande serrecomplex; 3.2.
  10. Overwegende dat de tussenkomende partij toevoegt dat de verzoekende partij een procedure in kort geding voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge is begonnen, dat zij voorbehoud maakt voor zover die vordering zou worden afgewezen en de werken ondertussen zouden worden X-12.112-4/7 uitgevoerd en voltooid, zodat een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit geen nut meer zou hebben, dat het eigendomsrecht niet meer absoluut is, dat de verzoekende partij niet aantoont dat de normale lasten van het nabuurschap worden overschreden, dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in casu de bezwaren betreffende visuele hinder heeft weerlegd, dat de verzoekende partij niet aantoont dat die weerlegging onwettig of onredelijk is, dat de vergunde mast op een afdoende afstand zal worden geplaatst met een groene haag als scherm, zodat daarboven enkel een zeer ranke constructie zichtbaar is die geen abnormale of buitenmatige visuele hinder veroorzaakt, dat het een omgeving met glas- en tuinbouwbedrijven, een spoorweg en hoogspanningsmasten betreft, dat de vergunde mast kadert in de uitoefening van een openbare dienst, dat een goed functionerend mobilofonie-netwerk van algemeen belang is, dat het zogenaamde gezondheidsrisico niets meer dan een subjectieve en totaal ongegronde vrees vormt, dat de normen van het K.B. van 29 april 2001 van toepassing zijn, dat tal van wetenschappelijke studies bestaan waarin het gevaar van GSM-masten voor de gezondheid wordt verworpen, dat het gezondheidsrisico in de rechtspraak van de Raad van State en van de burgerlijke rechtbanken niet wordt aanvaard, dat tal van installaties met sterkere electromagnetische straling bestaan, dat GSM- zendinstallaties met veel minder vermogen uitzenden dan zendmasten van radio en TV die thuis of in de wagen worden ontvangen en dat een herstel in natura mogelijk is vermits een GSM-mast op korte tijd kan worden gebouwd en dus ook weer kan worden afgebroken; 3.2.4.
  11. Overwegende dat niet kan worden betwist dat de vergunde zendmast voor de verzoekende partij een vorm van visuele hinder zal veroorzaken; dat de burgerlijke rechter in kort geding met een vonnis van 22 december 2004 heeft overwogen dat de vergunde zendmast "wel degelijk een ernstige visuele hinder (vormt) die van invloed is op het genot en gebruik van hun eigendom, zelfs rekening houdend met de nabijheid van een bestaande spoorlijn, serres en schoorsteen en met de aanwezigheid van hoogspanningsleidingen op een grotere afstand"; dat deze uitspraak echter slechts is gedaan in afwachting van een uitspraak door de Raad van State over de vordering tot schorsing; dat de burgerlijke rechter uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid voor de Raad van State om de vordering tot schorsing al dan niet gegrond te verklaren; dat de omvang van het gewijsde van het vonnis van 22 december 2004 in het licht daarvan moet worden beoordeeld, vermits met dat vonnis de stopzetting der werken is bevolen "tot de dag waarop de raad van State in de procedure gekend onder rolnummer G/A 157.298/X-12.112 haar uitspraak over het X-12.112-5/7 verzoek door eisers tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 16 juni 2004 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling ROHM West- Vlaanderen, houdende afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan verweerster en strekkende tot het installeren van een GSM-installatie, zal hebben betekend;" dat, met andere woorden, uit het vonnis van 22 december 2004 op zichzelf niet kan worden afgeleid dat de visuele hinder een ernstig nadeel vormt in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, nu de stopzetting der werken slechts is bevolen in afwachting van een uitspraak door de Raad van State betreffende de huidige vordering tot schorsing en derhalve betreffende de schorsingsvoorwaarden, waaronder het al dan niet bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 3.2.4.
  12. Overwegende, wat betreft de beoordeling van de ernst van de visuele hinder, dat de verzoekende partij eigenaar is van een tuinbouwbedrijf en bewoner van de daarbij horende exploitatiewoning in de nabijheid van de vergunde constructie; dat haar eigendom in het westen is omringd door serres en zich verder in de nabijheid van een spoorwegverbinding, hoogspanningsmasten en een hoge schoorsteen bevindt; dat, rekening gehouden met de bestaande plaatselijke toestand en de aard en bestemming van de eigendom van de verzoekende partij zelf, niet kan worden aangenomen dat de visuele hinder een ernstig nadeel in de zin van het voornoemde artikel 17 vormt; Overwegende, wat het aangevoerde gezondheidsrisico betreft, dat het koninklijk besluit van 29 april 2001 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen de 10 Mhz en 10 Ghz, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen en waarnaar ook de partijen verwijzen, met ,s Raads arrest nr. 138.471 van 15 december 2004 nietig is verklaard; dat dit gegeven, althans voor de beoordeling van het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel, niet relevant is, vermits met het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen de 10 Mhz en 10 Ghz dezelfde normen opnieuw zijn vastgelegd en die normen vier keer strenger zijn dan deze van de Wereldgezondheidsorganisatie; dat in de gegeven omstandigheden kan worden aangenomen dat de mogelijke gezondheidsschade voldoende in ogenschouw werd genomen; dat de vergunde installatie uiteraard zal moeten voldoen aan de normen van het voormeld koninklijk besluit; X-12.112-6/7 Overwegende dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  13. Het verzoek tot tussenkomst van de nv BELGACOM MOBILE in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2006, door : de H. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. C. ADAMS. X-12.112-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.168 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.072 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.