← België

Arrest 160246 - - 16/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.246 Rolnummer: A. 173646/X-12862 Zaak: Arrest 160246 - - 16/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 22:12 Fiche Arrest nr 160.246 van 16 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.246 van 16 juni 2006 in de zaak A. 173.646/X-12.

  1. In zake :
  2. Marie-Rose SCHEPMANS,
  3. Willy UYTTERSPROT,
  4. Aline WILLEMS, die woonplaats kiezen bij Advocaat N. VAN CAMPENHOUT, kantoor houdende te 1081 BRUSSEL, Jetselaan 32/3 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  5. tussenkomende partij : de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Rose SCHEPMANS, Willy UYTTERSPROT en Aline WILLEMS op 3 juni 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 28 april 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een asfaltcentrale aan de Fabrieksweg te Grimbergen, op een perceel kadastraal bekend afdeling 1, sectie I, nr. 49 L 3 "op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd"; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.862-1/5 Gelet op de beschikking van 7 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2006; Geho o rd de o p me r k ing e n van Ad vo cat en N. VAN CAMPENHOUT en D. ABBELOOS die voor de verzoekende partijen verschijnen, van Advocaat Ph. DECLERCQ die voor de verwerende partij verschijnt en van Advocaten C. GYSEN en Th. RYCKALTS die voor de tussenkomende partij verschijnen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT met een verzoekschrift van 12 juni 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 28 april 2006 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend aan de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT voor het bouwen van een asfaltcentrale aan de Fabrieksweg te Grimbergen, op een perceel kadastraal bekend afdeling 1, sectie I, nr. 49 L 3 "op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd"; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoekende partijen in de eerste plaats een visueel nadeel aanvoeren; dat zij aangeven dat eerste verzoekster woont op 200 meter van de asfaltcentrale, tweede verzoeker op 240 meter en derde verzoekster op 1200 meter; dat zij aanvoeren dat X-12.862-2/5 de asfaltcentrale een afmeting heeft van 40 op 25 meter bij een hoogte van 40 meter, met een 45 meter lange uitloop van ongeveer 3 meter breedte, dat het zodoende een massieve constructie betreft, dat de hoogbouw ervan schril afsteekt tegen de laagbouw van het betrokken industriegebied, en dat het groenvoordeel dat zij thans genieten doordat tussen hun eigendommen en het industriegebied een natuurgebied is gelegen, hierdoor onherroepelijk teniet gedaan zal worden; Overwegende dat uit de vergunde plannen blijkt dat enkel de schouw van de verwerkingsinstallatie een hoogte heeft van 39,20 meter, en de eigenlijke installatie een hoogte van 29,78 meter; dat deze installatie wordt ingeplant op het achterste gedeelte van het bouwterrein; dat uit plannen op schaal 1/5000 neergelegd door de tussenkomende partij blijkt dat de afstand van de woningen van eerste verzoekster, tweede verzoeker en derde verzoekster tot de plaats waar de schouw wordt ingeplant respectievelijk circa 320 meter, circa 358 meter en circa 1060 meter bedraagt; dat deze afstanden door verzoekende partijen niet worden tegengesproken; dat de tussenkomende partij, hierin evenmin tegengesproken door verzoekende partijen, eveneens stelt dat het terrein waar de installatie wordt opgericht 15 meter lager ligt dan de woningen van eerste verzoekster en tweede verzoeker; dat de tussenkomende partij eveneens een foto genomen vanaf de Leeuwerikenstraat 24/29 heeft neergelegd waaruit blijkt dat de visuele impact van een telescoopkraan met een hoogte van 39 meter, opgesteld op de plaats waar de verwerkingsinstallatie wordt opgericht, niet van die aard is landschapsbepalend te zijn; dat anderzijds verzoekende partijen in gebreke zijn gebleven enig fotomateriaal bij te brengen ter staving van de ernst van het visueel nadeel dat zij beweren te zullen lijden; dat de groene buffer tussen de woningen van eerste en tweede verzoekende partijen en het bouwperceel ongewijzigd behouden blijft; dat in de gegeven omstandigheden verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de visuele impact die het oprichten van de betrokken installatie tot gevolg zal hebben van die aard is dat deze als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; Overwegende dat het nadeel dat verzoekende partijen putten uit "stof-, geluid- en geurhinder" een nadeel is dat zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de voor de exploitatie van de betrokken asfaltbetoncentrale vereiste milieuvergunning; dat deze vergunning is verleend bij besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, X-12.862-3/5 Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006; dat verzoekende partijen hiertegen eveneens een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld (zaak gekend onder A. 172.505/VII-35.917); dat dit nadeel te dezen niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende ten slotte wat het nadeel betreft geput uit de "mobiliteitsproblematiek", dat verzoekende partijen aanvoeren dat het "buiten elke kijf staat dat de asfaltcentrale een belangrijke bijkomende verkeersstroom zal genereren, zowel langs de kant van de Fabrieksweg als langs de kant van de Westvaartdijk, die de mobiliteit van de omgeving drastisch verder zal verslechteren"; dat de mobiliteit aan de Westvaartdijk nu reeds een ernstig probleem is en dat dit door zowel de gemeenten Grimbergen als Vilvoorde, de provincie Vlaams-Brabant als de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur wordt erkend, waar deze laatste in de door hem verleende milieuvergunning als bijzondere voorwaarde de uitwerking van een vervoersplan heeft vooropgesteld; Overwegende dat in voormelde milieuvergunning de volgende bijzondere voorwaarde werd opgelegd: "om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoerplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen"; dat de bijzondere vergunningsvoorwaarden onder meer bepalen: "artikel 10: de aanvoer van grondstoffen (met uitzondering van bitumen, recyclage-asfalt en vulstof) dient te gebeuren via het kanaal"; dat het nadeel dat verzoekende partijen putten uit de mobiliteitsproblematiek zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de aangevochten stedenbouwkundige vergunning, maar in de -eveneens door verzoekende partijen aangevochten- milieuvergunning; dat dit nadeel derhalve te dezen niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat uit het vorenstaande blijkt dat de uiteenzetting van verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk kunnen maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; X-12.862-4/5 Overwegende dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  7. Het verzoek tot tussenkomst van de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.862-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.246 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.674 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.