id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.266 Rolnummer: A. 171800/VII-37490 Zaak: Arrest 160266 - - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 22:13 Fiche Arrest nr 160.266 van 19 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.266 van 19 juni 2006 in de zaak A. 171.800/IX-
- In zake : de BVBA CARPE DIEM, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERDONCK, kantoor houdende te SINT-MICHIELS, Koning Albert I-laan 131 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA CARPE DIEM op 5 april 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 februari 2006 van de dienst Zeevisserij van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij voor het jaar 2006 het toegestane vangstquotum aan schol wordt verminderd met 7.081 kg; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5293-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LOUF die, loco advocaat J. VERDONCK verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Wat scholaanvoer betreft, beschikt de verzoekende partij voor haar vaartuig nr. Z 284 (“Antonia Martruida”) voor de periode 1 oktober 2005- 31 december 2005 over een vangstquotum van 53.250 kg. Zij blijkt evenwel in die periode 66.426 kg aangevoerd te hebben hetgeen een overschrijding van 13.176 kg met zich brengt. 1.
- Op grond van die vaststelling wordt een eerste beslissing genomen op 17 februari 2006 waarbij het quotum voor het vissen van schol voor het eerste semester van 2006 wordt verminderd en waarbij haar visvergunning wordt ingetrokken voor een periode van 5 dagen vanaf 20 februari
- Die beslissing wordt door de Raad van State bij arrest nr. 155.288 van 20 februari 2006 geschorst in de mate de visvergunning werd ingetrokken van 20 tot 24 februari
- 1.
- Met een brief van 9 maart 2006 vraagt de raadsman van verzoekende partij de intrekking van de onwettige beslissing die “niet meer dan logisch (is) in acht genomen het feit dat de quotumoverschrijding verkeerd werd berekend”. Hij lijkt daarmee te verwijzen naar een betwisting over de voor 3 oktober 2005 aangerekende hoeveelheid van 7.275 kg die volgens de verzoekende partij niet in oktober 2005 werd gevangen doch wel in september
- IX-5293-2/6 1.
- Hierop antwoordt de verwerende partij met een brief van 13 maart 2006 dat op 17 februari 2006 een tweede beslissing werd genomen waarin de opmerking van verzoekende partij in rekening werd gebracht. Er wordt medegedeeld dat de korting op de “Toegekende scholhoeveelheden Noordzee” -berekend op een overschrijding van het quotum met 5.901 kg- onverminderd van toepassing blijft. Die tweede beslissing van 17 februari 2006 werd blijkbaar bij ter post aangetekende brief op 17 februari 2006 naar de verzoekende partij opgestuurd. Dit is de thans bestreden beslissing. 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen, wat het voorwerp van de vordering betreft, betoogt enerzijds dat de intrekking van de visvergunning voor vijf dagen vanaf 20 februari 2006, vervat in de brieven van 17 februari 2006, door de Raad van State geschorst is zodat de vordering op dat vlak zonder voorwerp is en anderzijds dat de beslissing tot korting van het toegestane vangstquotum voor de eerste zes maanden van 2006 op basis van een overbevissing met 13 176 kg, vervangen geworden is door een tweede beslissing waarbij vertrokken werd van een overbevissing met 5 901 kg en de verzoekende partij de juistheid van de in die beslissing opgenomen hoeveelheden niet betwist; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij, rekening houdend met het arrest nr. 155.288 van 20 februari 2006 waarbij de intrekking van de visvergunning van de boot “Antonia Martruida” geschorst werd, het voorwerp van de vordering uitdrukkelijk beperkt heeft tot de beslissing waarbij het vangstquotum voor die boot wordt ingeperkt; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verwerende partij haar eerste besluit van 17 februari 2006, waarin zij rekening hield met een overschrijding van het vangstquotum met 13.176 kg, dezelfde dag nog vervangen heeft door een tweede besluit waarin rekening gehouden wordt met een overschrijding van 5.901 kg; dat daarmee de eerste beslissing definitief uit het rechtsverkeer genomen is; dat de vordering dan ook niet ontvankelijk is in zoverre zij gericht is tegen het eerste besluit van 17 februari 2006; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij ook nog de “tijdigheid” van de vordering in vraag stelt doordat het verzoekschrift dagtekent van “net voor het IX-5293-3/6 verstrijken van de termijn van 60 dagen na de mededeling van de aangevochten beslissing”; 2.2.
- Overwegende dat de exceptie geen verband houdt met de tijdigheid van de vordering -die niet ter discussie kan staan aangezien het bestreden besluit met een brief van 17 februari 2006 aan de verzoekende partij medegedeeld is en de vordering ingediend is op 5 april 2006-, maar een argument aanbrengt dat thans enkel op de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betrokken kan worden;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij erop wijst dat de “drastische vermindering” van haar quotum “schol” in het eerste semester van 2006 haar continuïteit in het gedrang brengt; dat zij betoogt dat, gelet op de moeilijke situatie waarin zij zich nu reeds bevindt, elke besomming die wordt misgelopen de levensvatbaarheid van de firma en de tewerkstelling bij haar bedreigt, aangezien zij haar afbetalingen niet zal kunnen verrichten; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij zich beroept op een tijdelijk pecuniair nadeel, dat evenwel geen aanleiding kan geven tot een schorsing, dat zij door het overschrijden van haar quotum in 2005 een onrechtmatig economisch voordeel genoten heeft en dat het bestreden besluit reeds een vermindering bevat van de beperking van het vangstquotum; 4.
- Overwegende dat de vraag naar het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel onderzocht moet worden met inachtneming van het feitelijk gegeven dat het vangstquotum “schol” voor de boot “Antonia Martruida” van de verzoekende partij voor de eerste zes maanden van het lopende jaar met 7.081 kg verminderd is; IX-5293-4/6 Overwegende dat het bestreden besluit het initieel vangstquotum voor schol voor het eerste semester van 2006 -42.600 kg- voor het betrokken schip met 17% vermindert; dat dit besluit het bevissen van andere vissoorten in genen dele beperkt en dat de Raad van State de tijdelijke intrekking van de visvergunning, die oorspronkelijk voor het genoemde vaartuig was opgelegd, geschorst heeft zodat het vaartuig van de verzoekende partij niet aan de kade is hoeven te blijven; dat in die omstandigheden niet wordt aangenomen dat de beperkte vermindering van het quotum “schol” voor dat vaartuig het decisief gegeven zal zijn dat de slechte financiële situatie van de verzoekende partij zal doen omslaan in een faillissement en dat aldus de uitzonderlijke omstandigheid zou kunnen vormen om een zuiver financieel nadeel toch als bron van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te aanvaarden; dat bij die vaststelling ook rekening wordt gehouden met het feit dat de verzoekende partij geen duidelijke bewijzen overlegt betreffende haar actuele financiële situatie, dat zij ook niet aantoont dat de visvangst met het voormeld schip haar enige bron van inkomsten is en dat de vermindering van het vangstquotum het gevolg is van een overbevissing in de voorbije periode, waarmee zij zichzelf een economisch voordeel heeft verleend dat het nadeel, dat nu wordt aangevoerd, voor een groot deel kan compenseren; Overwegende dat de tweede voorwaarde voor het bevelen van een schorsing niet vervuld is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5293-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5293-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.266 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.