id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.267 Rolnummer: A. 129660/IX-3593 Zaak: Arrest 160267 - - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 22:13 Fiche Arrest nr 160.267 van 19 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.267 van 19 juni 2006 in de zaak A. 129.660/IX-3593. In zake : Mark VAN DE VREKEN, die woonplaats kiest bij advocaten V. VAN OBBERGHEN en O. VAN OBBERGHEN, kantoor houdende te VILVOORDE, Riddersstraat 2, bus 2 tegen : 1. het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), verte- genwoordigd door de afgevaardigd bestuurder, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking, thans de minister van Buitenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het op 22 november 2002 ingediende verzoekschrift, waarbij Mark VAN DE VREKEN de nietigverklaring vordert van : 1. de beslissing van 23 september 2002 waarbij SELOR aan verzoeker meedeelt dat hij niet geslaagd is voor het vergelijkend wervingsexamen ANG01849 met het oog op de werving van diplomaten voor het ministerie van Buitenlandse Zaken; 2. het proces-verbaal van het wervingsexamen ANG01849 waarbij de afgevaardigd bestuurder van SELOR de lijst en de rangschikking van de geslaagden vaststelt, zowel wat de Nederlandstalige als wat de Franstalige kandidaten betreft; 3. "Bij wijze van anticipatie: de blijkbaar nog niet genomen en nog niet gepubliceerde beslissingen van de Minister van Buitenlandse Zaken (...) waarbij zowel de Franstalige als de Nederlandstalige kandidaten geslaagd in het vergelijkend wervingsexamen ANG01849 (...) tot de stage van de carrière Buitenlandse Dienst worden toegelaten"; IX-3593-1/16 4. "Bij wijze van anticipatie: de blijkbaar nog niet genomen en nog niet gepubliceerde beslissingen van de Minister van Buitenlandse Zaken (...) houden oproeping van zowel de Franstalige als de Nederlandstalige kandidaten uit de wervingsreserve en die geslaagd zijn in het vergelijkend wervingsexamen ANG01849 (...) teneinde in dienst te treden als stagiair van de carrière Buitenlandse Dienst"; Gelet op het arrest nr. 126.070 van 4 december 2003 waarbij de afstand wordt toegewezen in de vordering in kort geding; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 24 december 2003 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 29 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat E. JACUBOWITZ, die loco advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER verschijnt voor de tweede verwerende partij; IX-3593-2/16 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de feiten van de zaak kunnen worden sameng- evat als volgt : 1.1. Verzoeker neemt deel aan het vergelijkend wervingsexamen voor de samenstelling van een wervingsreserve van Nederlandstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (ANG01849) dat werd aangekondigd in het Belgisch Staatsblad van 17 november 2001. Tezelfdertijd wordt er ook een examen georganiseerd voor Franstalige kandidaten (AFG01849). 1.2. Verzoeker slaagt voor het schriftelijk en mondeling gedeelte van het examen en neemt als gevolg daarvan deel aan de proef over de kennis van het Engels, waarvoor hij ook slaagt. Hij neemt dan deel aan de proef over de kennis van het Frans die bestaat uit een computergestuurd gedeelte en een mondeling gedeelte. 1.3. Het Nederlandstalig examen wordt afgesloten met een proces- verbaal van 16 september 2002. Elf kandidaten slagen. Verzoeker mislukt omdat hij onvoldoende punten behaalt op het taalexamen Frans. Hij behaalde 12,96 op het computergestuurd gedeelte (vereist minimum 10/20) en 8/20 op het mondeling gedeelte (vereist minimum 10/20) zodat hij in totaal voor het examen Frans slechts 20,96/40 behaalde waar minimum 24/40 vereist was. Dat is de tweede bestreden akte. Van het Franstalig examen zijn er zes laureaten. 1.4. Met een brief van 23 september 2002 deelt de Afgevaardigd bestuurder van SELOR aan verzoeker mee dat hij niet geslaagd is voor het voornoemde vergelijkend wervingsexamen omdat hij "voor het gedeelte over de IX-3593-3/16 kennis van het Frans (minimum vereiste: 24 punten op 40) - 12,96 punten op 20 voor het computergestuurd gedeelte (minimum vereiste: 10 punten op 20) en 8 punten op 20 voor het mondeling gedeelte (minimumvereiste : 10 punten op 20)" behaald heeft. Dat is de eerste bestreden akte. 1.5. Met een e-mail van 27 september 2002 vraagt verzoeker bij SELOR het verslag van zijn mondeling examen Frans op. In een brief van 30 september 2002 deelt SELOR de motivering van de examenjury voor het mondeling gedeelte “kennis van het Frans” mee. Deze brief luidt als volgt: “De assessoren hebben als motivering van het mondeling gedeelte 'kennis van het Frans' genoteerd dat u veel fouten maakte: genrefouten, fouten in de constructie van zinnen, fouten met voorzetsels,... Enkele voorbeelden van de gemaakte fouten zijn: j'ai étudié en l'étranger, je voulais toujours devenir diplomate, il y a raisons pourquoi que, diploma belge, de plus de langues qu'on parle, de mieux, différentes pays... De jury oordeelde dat uw niveau van het Frans te zwak was”. 1.6. Met brieven van 29 oktober 2002 roept de tweede verwerende partij een aantal laureaten van de beide examens en een aantal zich nog in de reserve bevindende laureaten op om op 1 december 2002 in dienst te treden als stagiair. Dat is het vierde voorwerp van het beroep. 1.7. Bij besluit van 17 januari 2003 van de minister van Buitenlandse Zaken worden de geslaagden voor de selectie van stagiairs van de carrière Buitenlandse Dienst (ANG01849 en AFG01849) toegelaten tot de proeftijd. Verzoeker dient een verzoek tot schorsing en een vordering tot vernietiging van dat besluit in. Hij doet afstand van zijn verzoek tot schorsing en de Raad van State wijst de afstand toe in zijn arrest nr.125.103 van 5 november 2003. Bij arrest nr. 135.442 van 27 september 2004 wordt ook het vernietigingsberoep verworpen in toepassing van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedureregle- ment. 1.8. Bij koninklijke besluiten van 22 mei 2005 worden de stagiairs benoemd in de vierde administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst. IX-3593-4/16 2.1.1. Overwegende dat de tweede verwerende partij opwerpt dat er geen voldoende samenhang bestaat tussen de verschillende aangevochten akten opdat deze op ontvankelijke wijze in één enkel verzoekschrift aangevochten zouden kunnen worden, dat de beslissingen in verband met het examen uitgaan van de eerste verwerende partij en de oproepingsbeslissingen van de tweede verwerende partij en dat aan beide beslissingen een ander en onderscheiden besluitvormingsproces voorafgaat en, ten slotte, dat de aangevoerde middelen uitsluitend betrekking hebben op de beslissingen in verband met het examen; Overwegende dat de tweede verwerende partij voorts opwerpt dat het verzoekschrift onontvankelijk is in zijn derde en vierde voorwerp, zijnde “de blijkbaar nog niet genomen en nog niet gepubliceerde beslissingen van de Minister van Buitenlandse Zaken (...) waarbij zowel de Franstalige als de Nederlandstalige kandidaten geslaagd in het vergelijkend wervingsexamen ANG01849 (...) tot de stage van de carrière Buitenlandse Dienst worden toegelaten en de blijkbaar nog niet genomen en nog niet gepubliceerde beslissingen van de Minister van Buitenlandse Zaken (...) houdende oproeping van zowel de Franstalige als de Nederlandstalige kandidaten uit de wervingsreserve en die geslaagd zijn in het vergelijkend wervings- examen ANG01849 (...) teneinde in dienst te treden als stagiair van de carrière Buitenlandse Dienst”omdat deze beslissingen geen voor vernietiging vatbare handelingen zijn; dat de eerste verwerende partij bijkomend opwerpt dat deze beslissingen nog niet bestaan en dat het beroep ertegen bijgevolg als voorbarig moet worden verworpen; 2.1.2. Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij de jure enkel de eerste beslissing aanvecht, wat blijkt uit de bewoordingen van zijn verzoekschrift, vermits hij enkel de nietigverklaring vordert van de tweede, de derde en de vierde bestreden beslissing "bij wijze van anticipatie"; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker toegeeft dat hij met het onderhavig verzoekschrift enkel beroep wenst in te stellen tegen het resultaat van het wervings- examen waaraan hij deelnam, zowel zijn eigen examenresultaat als het resultaat van de laureaten; dat, voor zoveel als nodig, overigens dient te worden vastgesteld dat verzoeker een afzonderlijk beroep heeft ingesteld tegen het ministerieel besluit van 17 januari 2003 waarbij een aantal geslaagden van het betrokken Nederlandstalig en Franstalig wervingsexamen tot de stage werden toegelaten, doch dat beroep inmiddels werd verworpen bij arrest nr. 135.442, van 27 september 2004, met IX-3593-5/16 toepassing van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement; dat de excepties opgeworpen door de tweede verwerende partij gegrond zijn; dat verzoeker echter stelt dat hij zijn eigen examenresultaat en het resultaat van de laureaten, welke beide onderdelen zijn van één enkele beslissing, zijnde de beslissing waarin het resultaat van het examen wordt vastgelegd, in één enkel verzoekschrift kan bestrijden; dat zulks alleszins het geval is voor het Nederlandstalig examen waaraan hijzelf heeft deelgenomen en de desbetreffende exceptie niet gegrond is; dat de vraag of het ook geldt voor het tezelfdertijd georganiseerde Franstalig examen onderge- schikt is aan de vraag of hij een belang heeft om ook de uitslag van dat examen te bestrijden; dat die vraag aan bod komt in de tweede exceptie; 2.2.1. Overwegende dat de tweede verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de beslissingen in verband met het Franstalig examen; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het gaat om één enkel diplomatiek wervingsexamen bestaande uit twee taalversies en dat zulks hieruit voortvloeit dat er voor de carrière buitenlandse dienst geen taalkaders bestaan; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker ten onrechte stelt dat er maar één enkel wervingsexamen wordt georganiseerd voor Nederlands- en Franstalige kandidaten; dat niet ingezien wordt waarom uit het feit dat er geen taalkaders bestaan voor de diplomaten moet volgen dat de werving maar kan geschieden door één examen met twee taalversies; dat, immers, artikel 47, § 5, tweede lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat de betrekkingen, die voor de gezamenlijke buitenlandse diensten aangewezen zijn, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate verdeeld worden over de Nederlandse en Franse taalrollen en dat de titularissen van die betrekkingen voor een examencommissie, samengesteld door de Vaste Wervingssecretaris, het bewijs moeten leveren dat zij een aan hun functie aangepaste kennis van de tweede taal - het Frans of het Nederlands - bezitten; dat derhalve, mede doordat alle betrokken ambtenaren tweetalig moeten zijn, aan de hand van de wet zelf precies becijferde verhoudingen kunnen worden bepaald volgens welke de effectieven van het organiek kader over de personeelsleden van de beide taalrollen moeten worden verdeeld, wat het bij apart uitvoeringsbesluit instellen van taalkaders eigenlijk overbodig maakt; dat met andere woorden, ofschoon er formeel geen taalkaders zijn, niettemin wettelijk is bepaald dat de betrekkingen op elke trap van de hiërarchie gelijk verdeeld moeten IX-3593-6/16 worden over de beide taalrollen, wat er in feite en in rechte op neerkomt dat de betrekkingen per trap van de hiërarchie gelijkelijk toegewezen moeten worden aan de beide taalrollen zodat bij de toekenning van een vacante betrekking nagegaan moet worden hoe de feitelijke verdeling tussen de taalrollen is om te kunnen beslissen aan welke taalrol ze moet worden toegewezen; dat elke kaderbetrekking inderdaad bezet wordt door een ambtenaar van de Nederlandse of van de Franse taalrol, maar dat dit ook zo is indien er taalkaders bestaan; dat immers, in dat geval zelfs een betrekking nooit vooraf toegewezen is aan een bepaald taalkader, terwijl het pas op het ogenblik van de benoeming in die betrekking is dat op basis van de bezetting van de taalkaders duidelijk zal zijn aan welke taalrol ze moet toekomen; dat wat dit betreft er geen verschil is met de hier beschouwde toestand: vermits de betrekkingen krachtens de taalwet zelf gelijkelijk moeten verdeeld worden over de beide taalrollen zal men bij benoeming in een betrekking op het kader, basisbetrekking zowel als bevorderingsbetrekking, maar kunnen benoemen voor zover men daardoor het evenwicht niet schendt; dat er derhalve wel degelijk twee afzonderlijke examens, weliswaar gelijktijdig, werden georganiseerd die toegang geven tot dezelfde betrekkingen; dat de geslaagden voor het ene examen bij het toewijzen van de betrekkingen - waarvoor in de eerste plaats de taalrol determinerend is - echter op grond van hun uitslag niet in concurrentie treden met de geslaagden voor het andere examen; Overwegende dat de tweede exceptie gegrond is; dat het beroep derhalve niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen het examenresultaat van het Franstalig wervingsexamen; 3.1.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste annulatiemiddel de schending aanvoert van artikel 15 juncto artikel 9, § 2 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966; dat hij stelt dat het taalexamen waaraan hij heeft deelgenomen en dat toegang geeft tot de stage een taalexamen is bedoeld in artikel 15 van het voormelde koninklijk besluit van 8 maart 2001; dat hij stelt dat volgens dat artikel 15 het programma van dat examen hetgeen is dat is voorgeschreven in artikel 9, § 2 van genoemd besluit, wat betekent dat voor niveau 1 het mondeling gedeelte moet bestaan uit
- a)het lezen van een tekst,
- b)de mondelinge samenvatting van die tekst en
- c)een conversatie, doch dat in casu het examen slechts bestond uit een conversatie; IX-3593-7/16 3.1.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat het betwiste taalexamen niet werd georganiseerd overeenkomstig de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken maar wel bij toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 april 1956; Overwegende dat de tweede verwerende partij dezelfde stelling verdedigt; dat zij ter ondersteuning daarvan aanvoert: - enkel in artikel 9 van het voormeld koninklijk besluit van 25 april 1956 wordt melding gemaakt van het koninklijk besluit van 30 november 1966, inmiddels opgeheven en vervangen door het koninklijk besluit van 8 maart 2001; in artikel 6 wordt de taalreglementering niet vermeld; - andere elementen gehaald uit voorbereidende werken of een advies van de Vaste Commissie voor taaltoezicht kunnen geen afbreuk doen aan duidelijke teksten; indien een duidelijke tekst enerzijds en voorbereidende werken anderzijds tot een verschillende conclusie leiden dan moet omwille van de rechtszekerheid de voorkeur worden gegeven aan de tekst van de wet, in casu het reglement; - toen het kwestieuze artikel 6 werd gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 oktober 1993 werd de afwezigheid van verwijzing naar het koninklijk besluit van 18 november 1966 behouden; de verschillende redactie van de artikelen 6 en 9 werd aanvaard door de afdeling wetgeving van de Raad van State die niet opmerkte dat de beide artikelen op eenzelfde wijze zouden worden geredigeerd; - er kan op basis van een advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht uit 1965 niet worden gesteld dat het koninklijk besluit van 30 november 1966 en het besluit van 8 maart 2001 dat dit heeft vervangen in casu van toepassing zouden zijn, want aan de adviezen van de Vaste Commissie kan geen geldingskracht worden gegeven die zich uitstrekt tot toekomstige uitvoeringsbesluiten; - stagiairs-diplomaten maken geen deel uit van de “buitenlandse diensten” en zijn geen titularissen van betrekking in de zin van artikel 47, § 5 van de gecoördineerde taalwet; 3.1.2.1. Overwegende dat de organisatie van het vergelijkend examen voor de werving in de carrière buitenlandse dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken waarvoor verzoeker niet geslaagd werd verklaard, geregeld is door artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel; dat inzonderheid § 3 van dat artikel, zoals het gewijzigd werd bij de koninklijke besluiten van 13 april 1973, 19 oktober 1993 en 11 juni 1997 als volgt luidt : IX-3593-8/16 “Het programma van het vergelijkend examen wordt vastgesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken op advies van de Vaste Wervingssecretaris. Het behelst inzonderheid volgende gedeelten : 1/ (...); 2/ (...); 3/ een examen over de voldoende kennis van het Nederlands of het Frans, alsook een examen over de voldoende kennis van het Engels, telkens bestaande uit een schriftelijke en een mondelinge oefening.”; 3.1.2.2. Overwegende dat met betrekking tot het in § 3, tweede lid, 3/, bedoelde examengedeelte over de voldoende kennis van het Nederlands of het Frans verzoeker zoals vermeld stelt dat het moet beantwoorden aan de vereisten van het koninklijk besluit van 8 maart 2001, tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; 3.1.2.3. Overwegende dat artikel 53 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, waaraan het voormeld koninklijk besluit van 8 maart 2001 zijn rechtsgrond ontleent, bepaalt dat de vaste wervingssecretaris alleen bevoegd is om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken; dat artikel 47, § 5, van dezelfde gecoördineerde taalwetten onder meer bepaalt dat de buitenlandse diensten zo worden georganiseerd dat aan voorgaande - dat is deze bedoeld in de paragrafen 1 tot 4 - bepalingen voldaan kan worden en dat het Belgisch publiek zonder enige moeite in het Nederlands of in het Frans te woord gestaan kan worden, en dat de titularissen van de betrekkingen die voor de gezamenlijke buitenlandse diensten aangewezen zijn voor een examencom- missie, samengesteld door de vaste wervingssecretaris, het bewijs moeten leveren dat zij een aan hun functie aangepaste kennis van de tweede taal - het Frans of het Nederlands - bezitten; dat de daar bedoelde examens speciaal geviseerd worden in artikel 14 van het vorenbedoelde koninklijk besluit van 8 maart 2001, waar is bepaald, onder meer, dat het taalexamen bedoeld bij artikel 47, § 5, van de gecoördineerde wetten bestaat uit, voor de tot niveau 1 behorende personeelsleden, uit :
- a)een proef over de geschreven kennis die betrekking heeft op een aantal taalkundige componenten en
- b)een mondelinge proef, met name een conversatie over onderwerpen van algemene aard, en verder de voorwaarden om te slagen nader bepaald worden; dat dit bepaalde examen, daar genoemd : “taalexamen af te leggen door titularissen van de betrekkingen die voor de gezamenlijke buitenlandse diensten aangewezen zijn”, afgelegd wordt bij het einde van de stage en het slagen ervoor een van de voorwaarden uitmaakt om vast benoemd te worden, zoals bepaald in artikel 9, § 1, 1/, van het voormelde koninklijk besluit van 25 april 1956, waarin uitdrukkelijk IX-3593-9/16 wordt verwezen naar artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 -thans artikel 14 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001- en artikel 53 van de gecoördineerde taalwetten; 3.1.2.4. Overwegende dat die tekst er geen twijfel over laat bestaan dat het taalexamen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal, in casu het Frans, dat in het einde stage-examen is vervat, het examen is dat is bedoeld in artikel 47, § 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; dat de omstandigheid dat in artikel 9 uitdrukkelijk naar de bestuurstaalwet wordt verwezen terwijl zulks niet het geval is in artikel 6, de conclusie wettigt dat het taalexamen van artikel 6 niet -mede- het taalexamen is dat is voorgeschreven door artikel 47 voornoemd; dat ook niet in te zien valt waarom een kandidaat diplomaat twee maal hetzelfde taalexamen zou moeten afleggen; dat het taalexamen van artikel 6 moet worden beschouwd als een specifieke taalproef met als doel na te gaan of de kandidaat wel voldoende taalkennis -ook van het Engels - heeft om zinvol, met het oog op het bij het einde van de stage af te leggen taalexamen, de stage te kunnen aanvatten en te kunnen doorlopen; dat het taalexamen dat deel uitmaakt van het vergelijkend toelatingsexamen waaraan verzoeker heeft deelgenomen dan ook, als specifiek taalexamen, niet beheerst wordt door de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 maart 2001; dat in zoverre artikel 53 van de taalwetten voorschrijft en artikel 47, § 5, bevestigt dat bewijzen van taalkennis -ook “voldoende” taalkennis - enkel door de vaste wervingssecretaris kunnen worden uitgereikt, zulks niet noodzakelijk impliceert dat het koninklijk besluit van 8 maart 2001 exclusief van toepassing is; dat in dezen aan het voorschrift -in zoverre het van toepassing zou zijn- wordt voldaan doordat artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 25 april 1956 bepaalt dat de samenstelling van de jury belast met het nagaan van de - voldoende - kennis van de tweede landstaal uitsluitend tot de bevoegdheid van de vaste wervingssecretaris behoort; dat het door verzoeker aangehaalde advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht hiermee niet strijdt, aangezien er enkel uit volgt dat het begrip “aangepaste kennis” in artikel 47, § 5, van de taalwetgeving zowel de “voldoende” kennis van artikel 6 als de “gebruikelijke” kennis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 omvat en het niet verwijst noch uiteraard kon verwijzen naar het koninklijk besluit van 30 november 1966 noch, a fortiori, naar dat van 8 maart 2001; dat het middel niet gegrond is; IX-3593-10/16 3.2.1.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel; dat hij betoogt dat het oordeel van de jury als zou hij onvoldoende het Frans beheersen onredelijk is; dat hij dit adstrueert als volgt: - volgens artikel 5 van het genoemde koninklijk besluit van 8 maart 2001 hebben de wettelijk vereiste taalexamens tot doel na te gaan of de kandidaten de taal beheersen in de vereiste mate en op het vereiste peil waarbij een praktische kennis van de taal in verband met de vereisten van de waar te nemen functie of betrekking wordt gevergd; - artikel 6, § 3 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenland- se Handel schrijft een taalexamen voor waarbij de kandidaat tot de diplomatieke stage moet getuigen van een voldoende kennis van het Frans; artikel 9, § 1 van datzelfde koninklijk besluit schrijft voor dat het examen dat op het einde van de stage moet worden afgelegd en leidt tot een vaste benoeming moet nagaan of de kandidaat beschikt over een gebruikelijke kennis van het Frans; om deze gebruikelijke kennis van het Frans op te doen volgen de stagiairs tijdens hun stage een intensieve taalopleiding die onder andere gericht is op hun toekomstige taak als diplomaat; - de voldoende kennis waarvan sprake is in het voornoemde artikel 6, § 3 moet op grond van artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 geïnterpreteerd worden in het licht van de functie die de examinandi zullen bekleden indien zij voor het examen zullen slagen, zijnde deze van stagiair-diplomaat die tijdens die stage bijkomende intensieve taallessen Frans krijgt; de voldoende kennis van het Frans waarover de kandidaten moeten beschikken wijst derhalve geenszins op een quasi feilloze kennis van het Frans maar moet aldus worden begrepen dat de kandidaat stagiairs op werkbare wijze moeten kunnen functioneren in een tweetalige omgeving waar zij de voortdurende gelegenheid krijgen om hun kennis van het Frans door middel van intensieve taallessen bij te schaven; - verzoeker volgde ter voorbereiding van het taalexamen een geavanceerde cursus Frans waartoe men alleen maar werd toegelaten mits te slagen voor een schriftelijk en mondeling toelatingsexamen; aan deze cursus nemen diplomaten en ambtenaren van de Europese instellingen deel die hun niveau van de kennis van het Frans wensen te perfectioneren; ook volgde hij privé lessen Frans; bovendien behaalde hij op 19 november 2002 een certificaat van de Alliance Française dat vermeldt dat hij 94/100 behaalde op zijn niveautest en zich derhalve kwalificeert voor niveau C1 (barema van de Raad van Europa), wat overeenkomt met een studie-ervaring van 650 uren Frans; - voorts bedient verzoeker zich in zijn huidige functie als staflid buitenlands beleid en Europese aangelegenheden verbonden aan het kabinet van de Minister-president van IX-3593-11/16 de Vlaamse regering op probleemloze wijze van het Frans in zijn contacten met buitenlandse vertegenwoordigers en staat hij bij zijn Franstalige gesprekspartners bekend als een vlot en efficiënt onderhandelaar; hij behaalde dan ook 13/20 op het schriftelijk taalexamen, hetgeen wijst op een meer dan voldoende kennis van de Franse woordenschat en grammatica en op een grondig taalbegrip; - de fouten die hij maakte en die door de jury van het taalexamen zijn aangestipt in zijn motivering zijn fouten die elke Nederlandstalige in het Frans zou maken en zij kunnen probleemloos weggewerkt worden na een onderdompeling in een tweetalige omgeving en na intensieve taallessen die 24 maanden bestrijken; verzoekers kennis van het Frans is weliswaar niet volstrekt feilloos maar zeker voldoende om de diplomatieke stage succesvol te doorlopen; 3.2.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de examencommissie geen rekening zou hebben gehouden met de vereisten van de waar te nemen functie, dat uit de notulen van de proef blijkt dat thema’s werden besproken die in verband staan tot de functie en het voorts behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de jury om de taalkennis van de kandidaten te beoordelen, terwijl de Raad van State zich niet in de plaats van de jury kan stellen; dat volgens de eerste verwerende partij uit geen enkel stuk van het dossier kan worden afgeleid dat het oordeel van de jury kennelijk onredelijk zou zijn; 3.2.2.1. Overwegende dat verzoeker voor zijn stelling dat de examenjury zijn taalkennis van het Frans onredelijk heeft beoordeeld twee soorten argumenten aanbrengt: de vereiste kennis moet niet feilloos zijn, de kandidaat stagiairs moeten enkel kunnen functioneren in een tweetalige omgeving waar zij voortdurend de gelegenheid krijgen om hun kennis van het Frans bij te schaven; hij bezit een voldoende kennis van het Frans; 3.2.2.2. Overwegende dat het uitsluitend de examencommissie toekomt om, binnen de grenzen van de redelijkheid, te oordelen over de examenprestatie van de kandidaten; dat de Raad van State een beoordeling van de examencommissie dan ook slechts als onregelmatig kan beschouwen indien zij, zonder de wet en de feiten te miskennen, kennelijk in strijd is met de redelijkheid; 3.2.2.3. Overwegende dat de door verzoeker aangehaalde gegevens niet volstaan om te kunnen besluiten dat de jury onredelijk streng heeft geoordeeld; dat vooreerst moet worden herhaald dat het examen niet wordt geregeld door het IX-3593-12/16 koninklijk besluit van 8 maart 2001; dat de jury uiteraard alleen de prestatie van verzoeker op het examen kon beoordelen; dat het feit dat een kandidaat zich degelijk heeft voorbereid en zelfs goede resultaten heeft behaald op vroegere cursussen Frans of zich doorgaans goed uit de slag kan trekken in het Frans ook niet uitsluit dat hij een mindere prestatie aflevert in een taalexamen; dat voor het beoordelen van de redelijkheid van het oordeel van de jury dan ook enkel rekening gehouden kan worden met de gegevens die de jury tot haar oordeel hebben gebracht; dat deze terug te vinden zijn op het formulier notulering mondelinge proef, waar de jury haar beslissing als volgt motiveert: “beaucoup de fautes: genre, construction de phrases, préposition, niveau très faible. ex. J’ai étudié en l’étranger; il y a des raisons pour quoi que ; diploma belge; de plus de langues qu’on parle, de mieux, différentes pays.”; dat de jury aldus aangeeft dat volgens haar verzoeker veel fouten maakt tegen het geslacht van de woorden, de zinsconstructie, de voorzetsels en zij bij van elk van die fouten één of meer voorbeelden geeft; dat die fouten in redelijkheid niet slaan op grammaticale spitsvondigheden maar veeleer basiskennis lijken te betreffen; dat verzoeker niet ontkent dat hij die fouten heeft gemaakt, doch enkel van oordeel is dat het fouten zijn van een niet-Franstalige die gemakkelijk kunnen worden weggewerkt; dat dit laatste uiteraard een subjectief oordeel is van verzoeker; dat het vanwege de jury niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd dat hij verzoekers zienswijze als zou aan de door hem gemaakte fouten niet te zwaar moeten worden getild vermits er tijdens de stage nog een opleiding Frans wordt gegeven, niet volgt; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht; dat hij betoogt dat de examencommissie op een onzorgvuldige wijze tot het besluit is gekomen dat hij een onvoldoende kennis heeft van het Frans: hoewel het examen zeer belangrijk was als laatste stap voor het slagen in het gehele wervingsexamen duurde het slechts tien minuten en werden er hem slechts drie vragen gesteld; ondanks het feit dat hij een goed resultaat had op het schriftelijk taalexamen en hij slechts enkele genrefou- ten, constructiefouten en vertalingsfouten maakte maar voor het overige een ononderbroken, zelfverzekerde en duidelijke conversatie onderhield besloot de jury toch dat hij van een onvoldoende kennis van het Frans blijk gaf om tot de diplomatie- ke stage te worden toegelaten; dat volgens verzoeker ook het feit dat SELOR niet eens de moeite heeft genomen om een schriftelijke weerslag te maken van verzoekers beweerde fouten tijdens het mondeling examen eveneens op onzorgvuldigheid wijst; IX-3593-13/16 dat verzoeker voorts aanvoert dat de beslissing ook ondeugdelijk gemotiveerd is, aangezien de zeven vermelde taalfouten niet kunnen wijzen op een taalkennis die onvoldoende is en slechts 8/20 waard is; dat ze volgens hem daarenboven tegenstrij- dig gemotiveerd is daar in de brief van SELOR van 23 september 2002 vermeld wordt “Deze uitslag geldt slechts onder het voorbehoud dat u aan alle toelatingsver- eisten voldoet. De wervingsreserve blijft geldig tot en met 15 september 2004”, waarin verzoeker leest dat hij niet geslaagd is maar wel in de reserve wordt opgenomen; 3.3.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat verzoeker geen enkel concreet element aanbrengt waaruit blijkt dat de zorgvuldig- heidsplicht geschonden zou zijn; dat zij wat de motiveringsplicht betreft stelt dat zij bij brief van 23 september 2002 aan verzoeker liet weten dat hij niet geslaagd was en hem de door hem behaalde punten meedeelde en dat dit resultaat nadien op vraag van verzoeker nader werd toegelicht; dat ook de tweede verwerende partij die zienswijze huldigt; 3.3.2.1. Overwegende dat uit de notulering van de mondelinge proef blijkt dat er drie thema’s werden besproken welke nauw verband hielden met de diplomatieke stage; dat de vragen van die aard waren dat ze verzoeker de mogelijk- heid gaven om daar voldoende lang over te spreken opdat de jury zicht zou kunnen krijgen op verzoekers kennis van het Frans; dat het voor een jury waarvan niet wordt betwist dat zij deskundig is om de taalkennis van de kandidaten te beoordelen, niet onmogelijk is om in een tijdspanne van 10 minuten een voldoende kijk te krijgen op de mondelinge talenkennis van een kandidaat; dat zij hoe dan ook in staat was om verschillende voorbeelden van fouten waar te nemen en op te tekenen; dat zoals bij de bespreking van het tweede middel werd besloten, het oordeel van de jury niet kennelijk onredelijk kan worden geacht; 3.3.2.2. Overwegende dat verzoeker ten onrechte stelt dat de jury niet de moeite heeft genomen om een schriftelijke weerslag te maken van verzoekers beweerde fouten tijdens het mondeling examen; dat in de notulering er bij wijze van voorbeeld een aantal zijn opgenomen; dat de examenjury een aantal negatieve punten -soms met voorbeelden- heeft opgesomd die zij bij het aanhoren van verzoekers betoog heeft opgemerkt; dat de genoteerde pijnpunten zicht geven op hetgeen de examenjury aan verzoeker globaal als minpunt heeft aangerekend terwijl verzoeker niet aanvoert dat de examenjury zich, waar concrete fouten worden vermeld, heeft IX-3593-14/16 vergist; dat de motiveringsverplichting niet zover reikt dat de examenjury elk motief, ook wanneer het op zich voldoende concreet en begrijpelijk is, nog zou moeten onderbouwen met een verwijzing naar alle concrete bewijselementen die de gemaakte conclusie schragen; 3.3.2.3. Overwegende wat de beweerde tegenstrijdigheid van de motivering betreft, dat deze zich slechts voordoet in de brief waarmee het resultaat wordt meegedeeld en niet in de bestreden beslissing zelf welke is geformaliseerd in het proces-verbaal waarmee het examenresultaat door de Afgevaardigd bestuurder van SELOR wordt vastgesteld; dat het in die brief blijkbaar slechts gaat om een materiële vergissing, te wijten aan het gebruik van standaardformuleringen; dat hoe dan ook de gewraakte zinsnede de verzoeker niet dermate in de war gebracht kan hebben dat hij kon veronderstellen, ondanks de in die brief duidelijk vermelde ontoereikendheid van het behaalde puntenaantal, toch geslaagd te zijn; dat zulks in werkelijkheid ook niet zo is geweest aangezien verzoeker in de mail die hij na ontvangst van zijn examenresultaat aan SELOR stuurt schrijft: “ik ontving een brief van SELOR waaruit blijkt dat ik niet geslaagd ben”; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-3593-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3593-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.267 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.126.070 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div