← België

Arrest 160269 - - 19/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.269 Rolnummer: A. 63779/IX-999 Zaak: Arrest 160269 - - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 22:14 Fiche Arrest nr 160.269 van 19 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.269 van 19 juni 2006 in de zaak A. 63.779/IX-

  1. In zake : Ludo GRAULS, wonende te EVERBERG, Dorpelstraat 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Wetenschapsbeleid, die woonplaats kiest bij advocaat J. DEFAU, kantoor houdende te TIENEN, Houtemstraat
  2. tussenkomende partij : Luk VAN LANGENHOVE, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ludo GRAULS op 20 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 6 april 1995 waarbij Luk VAN LANGENHOVE benoemd wordt tot adjunct- secretaris-generaal bij de Federale Diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 februari 1996; Gelet op de beschikking van 19 maart 1996 die de tussenkomst van Luk VAN LANGENHOVE toelaat; IX-999-1/16 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 27 februari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat J. DEFAU, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-999-2/16
  4. Over de gegevens van de zaak. 1.
  5. Bij koninklijk besluit van 6 december 1994 worden de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden (hierna : D.W.T.C.) gemachtigd een adjunct-secretaris-generaal aan te werven. 1.
  6. Deze betrekking van adjunct-secretaris-generaal wordt vacant verklaard in het Belgisch Staatsblad van 23 maart
  7. Het profiel wordt als volgt bepaald : “Beschrijving van de functie : De adjunct-secretaris- generaal (gelijkgesteld met rang 16) staat binnen de D.W.T.C. de secretaris-generaal bij. Hij of zij neemt daartoe heel wat verant- woordelijkheid op zich, in overeenstemming met zijn kwalificaties en zijn ervaring. Hij of zij neemt de leiding waar van een van de diensten van de D.W.T.C. Gestelde voorwaarden : - Belg zijn; - de burgerlijke en politieke rechten geweten. Procedure en termijnen: De kandidaatstelling moet per aangetekende brief worden verstuurd aan de secretaris-generaal van de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden, Wetenschapsstraat 8, te l040 Brussel, binnen de 10 dagen, te rekenen vanaf de eerste werkdag die volgt op deze publikatie in het Belgisch Staatsblad. Als indieningsdatum van de kandidatuur geldt de datum als postmerk. De kandidaatstelling omvat op zijn minst wat volgt : - naam en voornamen; - geboorteplaats en -datum; - volledig adres; - diploma(‘s); - beschrijving van de beroepsloopbaan; - beschrijving van de verworven ervaring, inzonderheid in het licht van de opdrachten van de D.W.T.C. - datum en handtekening. Aan de kandidaatstelling dient te worden toegevoegd : - een uittreksel uit het geboorteregister; - een kopie van het (de) diploma(‘s); - elk document en getuigschrift als bewijs van de loopbaan en de beroeps- ervaring waarmee de kandidaat zich wenst te doen gelden”. IX-999-3/16 1.
  8. De tussenkomende partij en verzoeker stellen respectievelijk hun kandidatuur bij brief van 28 maart
  9. Bij zijn kandidatuur vermeldt verzoeker dat hij kandidaat is in economische en sociale wetenschappen en licentiaat in politieke en sociale wetenschappen. Met betrekking tot zijn loopbaan en nuttige ervaring vermeldt hij dat hij navorser is bij de D.W.T.C. en er sedert 1978 de leiding waarneemt van een dienst; dat hij bovendien tussen 1978 en 1990 lid is geweest van een commissie van deskundigen, sedert 1991 vertegenwoordiger van de federale overheid in een gespecialiseerde overleggroep “Inventaris en statistieken inzake O&O”, sedert 1987 de Belgische vertegenwoordiger in de “Group of National Experts on Science and Technology Indicators” van de OESO en in de werkgroep “R&D and Innovation Statistics” van Eurostat. Luk VAN LANGENHOVE, laat in zijn kandidatuurstelling gelden dat hij licentiaat is in de criminologische wetenschappen, licentiaat in de klinische psychologie en doctor in de psychologische wetenschappen. Met betrekking tot zijn loopbaan en zijn wetenschappelijke ervaring vermeldt hij dat hij sedert 1988 hoofddocent is aan de Vrije Universiteit Brussel; dat onder zijn leiding de onder- zoeksgroep “Science and Technolgy Assessment and Management” is opgericht die betrokken is geweest “bij verscheidene door de Europese Commissie gefinancierde onderzoeks- en trainingsprojecten gericht op de studie en de optimalisering van de organisatie van industrieel en academisch wetenschappelijk onderzoek”; dat hij sedert 1987 via zijn opdrachten aan de universiteit een ervaring heeft opgedaan inzake wetenschapsbeleid zowel op het niveau onderzoeksprojecten en onderzoeksgroepen over het universitair en overheidsbeleid inzake onderzoek als het Europees beleid; dat zulks niet alleen heeft geleid tot veelvuldige publicaties en rapporten doch ook tot een jarenlange deelname aan conferenties en trainingen; dat hij sedert 1990 ook training en opleiding heeft georganiseerd inzake het wetenschapsbeleid alsmede R&D management audits in Belgische wetenschappelijke instellingen. Hij vermeldt ook dat hij sedert 1994 lid is van het uitvoerend bureau van “International Association of IX-999-4/16 Technology Assessment and Forecasting Institutions” als vertegenwoordiger van de D.W.T.C. 1.
  10. Met een nota van 4 april 1995 legt de secretaris-generaal de kandidaturen aan de minister voor. Hij vestigt de aandacht erop dat 12 kandidaturen ontvankelijk werden ingediend, te weten zes personeelsleden van de D.W.T.C. en zes kandidaten buiten die dienst. Voor elke kandidaat wordt het diploma en de dienstanciënniteit vermeld. Tevens wijst hij erop dat de nieuwe personeelsformatie, opgesteld volgens de omzendbrief nr. 379, ter ondertekening aan het Staatshoofd is voorgelegd, en dat de nieuwe taalkaders voor advies aan de Vaste Commissie voor Taaltoezicht zijn onderworpen. 1.
  11. De nieuwe personeelsformatie is vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april
  12. De nieuwe taalkaders zijn vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 juli
  13. 1.
  14. Bij koninklijk besluit van 6 april 1995 wordt de tussenkomende partij benoemd tot adjunct-secretaris-generaal bij de D.W.T.C. Het besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat artikel 22 van het koninklijk besluit van 16 september 1959 houdende statuut van de voorzitter van de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid, van de secretaris-generaal en van het personeel van de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegen- heden voor de betrekking van adjunct secretaris-generaal bij deze Diensten de mogelijkheid biedt over te gaan tot aanwerving van een kandidaat van buiten de administratie; Overwegende dat, in dit opzicht, een specifieke academische ervaring een belangrijke bijdrage kan leveren voor de uitvoering van verschillende opdrachten van de genoemde Diensten; Overwegende dat de heer Luk VAN LANGENHOVE beschikt over een erkende academische ervaring, ondermeer in de domeinen van de organisatie en IX-999-5/16 de evaluatie van het onderzoek en het technology assessment, die een recht- streeks verband heeft met de opdrachten van de genoemde Diensten;”. 1.
  15. Bij dienstorder van 28 april 1995 wordt het bestreden besluit in de voormelde diensten bekendgemaakt.
  16. Over de grond van de zaak. 2.1.
  17. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, aangezien de bestreden benoeming is gebeurd bij ontstentenis van taalkaders voor de D.W.T.C.; 2.1.
  18. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat bij koninklijk besluit van 25 april 1994 vier diensten van het voormalig Nederlandstalig en Franstalig ministerie van Onderwijs worden geïntegreerd in de Diensten voor Wetenschapsbeleid; dat bij koninklijk besluit van 26 april 1994 de benaming van deze Diensten gewijzigd werd in “Federale Diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden (D.W.T.C.); dat de personeelsformatie van die Diensten bij koninklijk besluit van 31 maart 1994 in de eerste taaltrap tien ingevulde betrekkingen omvat, te weten één secretaris-generaal, één adjunct-secretaris- generaal, zes navorsers en twee bestuursdirecteurs; dat de nieuwe personeelsformatie van de D.W.T.C. bij koninklijk besluit van 3 april 1995 in de eerste taaltrap acht betrekkingen omvat, te weten één secretaris-generaal, één adjunct-secretaris- generaal, vier navorsers en twee inspecteurs-generaal; dat de taalkaders voor de eerste trap van de hiërarchie, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 maart 1978 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 april 1994, voorzien in vier personeelsleden in het eentalig Frans kader, vier in het eentalig Nederlands kader, en twee personeels- leden -één Nederlandstalig en één Franstalig- in het tweetalig kader; dat de taalkaders voor de eerste trap, vastgesteld hij koninklijk besluit van 14 juli 1995, voorziet in drie personeelsleden in het eentalig Frans kader, drie in het eentalig Nederlands kader en twee personeelsleden -één Nederlandstalig en één Franstalig- in het tweetalig kader; IX-999-6/16 dat op het ogenblik van de bestreden beslissing van 6 april 1995 in de eerste trap van de hiërarchie, het Franstalig kader was samengesteld uit één secretaris-generaal, één bestuursdirecteur en twee navorsers, het Nederlandstalig kader uit één bestuurs- directeur en twee navorsers en het tweetalig kader uit twee navorsers, één Nederlandstalig en één Franstalig; dat de vacante betrekking van adjunct-secretaris-generaal bijgevolg diende ingevuld te worden door een Nederland- stalig kandidaat; dat steeds volgens de verwerende partij, luidens de rechtspraak, geen benoemingen mogen worden verleend zolang de taalkaders niet zijn aangepast aan de gewijzigde personeelsformatie, tenzij het betwiste ambt slechts aan een ambtenaar van een bepaalde taalrol kan worden toegewezen; dat deze rechtspraak in casu van toepassing is; dat verzoeker, zelf behorende tot de Nederlandstalige taalrol, geen belang heeft om dit middel in te roepen; 2.1.
  19. Overwegende dat de tussenkomende partij argumenteert in dezelfde zin; 2.1.
  20. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat de taalkaders werden vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 juli 1995; dat de benoeming geschiedde op 6 april 1995; dat de verwerende partij ten onrechte beweert dat de taalkaders gewijzigd zijn bij koninklijk besluit van 26 april 1994; dat het koninklijk besluit van 14 juli 1995 in de eerste trap 8 betrekkingen opneemt, 1 secretaris-generaal, 1 adjunct-secretaris-generaal, 4 navorsers en 2 inspecteurs- generaal; dat de te begeven betrekking niet automatisch toekwam aan een Nederland- stalig kandidaat; 2.1.
  21. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betwist dat de taalkaders vastgesteld bij het koninklijk besluit van 17 maart 1978 zijn blijven gelden tot aan hun opheffing bij het koninklijk besluit van 14 juli 1995; dat hij uiteenzet dat de taalkaders weliswaar formeel werden opgeheven bij koninklijk besluit van 14 juli 1995, maar dat zij voordien reeds impliciet waren opgeheven aangezien zij niet meer toepasbaar waren op de nieuwe administratieve eenheid die ontstond door de samenvoeging van de Diensten voor programmatie van het wetenschapsbeleid, het IX-999-7/16 ministerie van Onderwijs en het ‘ministère de l’ Education’ bij het koninklijk besluit van 31 maart 1994 tot vaststelling van de personeelsformatie van de DPWB, het koninklijk besluit van 25 april 1994 houdende opname van de diensten van het ministerie van Onderwijs en het “ministère de l’Education nationale in de DPWP”, en het koninklijk besluit van 26 april 1994 houdende wijziging van de benaming van de DWPB en koninklijk besluit van 23 december 1994 houdende opname van de taalinspectie inzake onderwijs in de DWTC; dat hij een nota aan de ministerraad van 27 oktober 1993 citeert als volgt : “om de nieuwe administratieve eenheid vanaf de ‘samenvoeging’ in staat te stellen behoorlijk te werken, bleek het noodzakelijk de regeling die door de bovengenoemde interkabinettengroep werd uitgewerkt aan te vullen met een ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de taalkaders van deze nieuwe eenheid. Deze taalkaders zullen te(r)zelfdertijd worden herzien als de personeels- formatie.”; dat hij voorts verwijst naar het arrest nr. 41.515 van 5 januari 1993 waarin de Raad van State oordeelde dat bij ontstentenis van taalkaders het onmogelijk is te bepalen aan welke taalgroep de litigieuze benoeming moet worden toegekend, zodat de vertegenwoordigers van de beide taalgroepen hetzelfde belang hebben bij het inroepen van de taalwetgeving; dat hij ten slotte de schending inroept van het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien de benoeming plaatsvond bij afwezigheid van taalkaders en het een besluit “in extremis” betreft dat op de vooravond van de ontbinding van het Parlement werd genomen; 2.1.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de verscheidene koninklijke besluiten waarnaar verzoeker verwijst geen afbreuk doen aan de bestaande en toepasselijke taalwetgeving, zodat niet gesteld kan worden dat zij de taalkaders impliciet hebben opgeheven; dat, aangezien de eerste personeels- formatie, neergelegd in het koninklijk besluit van 31 maart 1994, een samenvoeging is van de vroegere formaties, en het tweede koninklijk besluit van 3 april 1995 het resultaat is van een globale herziening van de kaders op het federale niveau’s, het taalkader in feite haast niet wijzigde; dat voornoemde koninklijke besluiten bovendien bewijzen dat de door verzoeker aangehaalde nota van de ministerraad werd IX-999-8/16 nageleefd; dat in het arrest nr. 25.918 van 27 november 1985 de Raad van State oordeelde dat “hoewel in den beginsel geen benoemingen mogen worden verleend zolang de taalkaders niet zijn aangepast aan de wijzigingen van de organieke personeelsformatie, dat verbod niet (geldt) wanneer het betwiste ambt slechts kan worden toegewezen aan een ambtenaar van een bepaalde taalrol”; dat de openstaande betrekking van adjunct-secretaris-generaal in ieder geval slechts aan een Nederland- stalige kandidaat kon toegewezen worden; 2.1.
  23. Overwegende dat, in zoverre verzoeker de schending inroept van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de benoeming plaatsvond bij afwezigheid van taalkaders en het een besluit “in extremis” betreft dat op de vooravond van de ontbinding van het Parlement werd genomen, zulks als een nieuw middel geldt; dat verzoeker dit nieuw middel, dat niet van openbare orde is, reeds in zijn verzoekschrift had kunnen aanvoeren, zodat het als niet ontvankelijk moet worden afgewezen; 2.1.
  24. Overwegende dat de betrekking van adjunct-secretaris-generaal geen nieuw opgerichte betrekking is die voor het eerst zou voorkomen in de personeelsformatie en in de taalkaders, respectievelijk vastgesteld hij de koninklijke besluiten van 3 april 1995 en 14 juli 1995; dat deze betrekking reeds voorkomt in het koninklijk besluit van 16 september 1959 houdende statuut van de voorzitter, de secretaris-generaal en het personeel van de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid; dat artikel 21 van dat koninklijk besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 september 1968 en 26 april 1994, stelt dat de Federale diensten voor weten- schappelijke, technische en culturele aangelegenheden (D.W.T.C.) het ambt van een adjunct-secretaris-generaal bevatten; dat hieruit voortvloeit dat deze betrekking reeds opgenomen was in het koninklijk besluit van 17 maart 1978 tot vaststelling van de taalkaders van de Diensten voor programmatie van het wetenschapsbeleid, met name in de eerste taaltrap, waarvan de verhouding was vastgelegd als volgt: vier betrekkingen op het Frans eentalig kader, vier betrekkingen op het Nederlands eentalig kader, en telkens één betrekking op het tweetalig Nederlands en Frans taalkader; dat deze taalkaders van 17 maart 1978 zijn blijven gelden tot hun opheffing bij koninklijk besluit van 14 juli 1995; dat bijgevolg de bestreden benoeming niet is IX-999-9/16 gebeurd bij ontstentenis van taalkaders, aangezien de taalkaders van 17 maart 1978 nog steeds gelding hadden en, de kwestieuze betrekking waarop de bestreden benoeming is gebeurd in de taalkaders was opgenomen op het ogenblik van de benoeming; dat weliswaar de taalkaders van 17 maart 1978 dienden aangepast te worden aan de gewijzigde personeelsformatie; dat evenwel in de eerste taaltrap deze gewijzigde personeelsformatie resulteert in een vermindering met twee betrekkingen; dat in zodanig geval de benoeming waartoe is overgegaan voor de aanpassing van de taalkaders aan de nieuwe verminderde personeelsformatie wettig is, wanneer blijkt dat de benoemende overheid beneden het aantal betrekkingen is gebleven waarin door de bestaande taalkaders is voorzien wat betreft de beoogde taaltrap; dat zulks in deze het geval is; Overwegende, ten slotte, dat het vacante ambt aan een Nederlands- talige moest worden toegewezen; dat, immers, de eerste taaltrap op 6 april 1995 bezet was door vijf Franstaligen waarvan één tweetalige, en door vier Nederlandstali- gen waarvan één tweetalige; dat bijgevolg de bezetting van het eentalig Nederlands kader een eenheid minder bedroeg dan die van het eentalig Frans kader; dat in zoverre een kandidaat buiten de dienst werd benoemd, de vacante betrekking enkel aan een Nederlandstalige kon worden toegekend, zodat het eentalig Nederlands kader eveneens vier eenheden bereikte; dat in zoverre een ambtenaar van het bestuur werd benoemd, de vacante betrekking in beginsel aan een Nederlandstalige of een Franstalige kon worden toegekend, vermits een bevordering binnen dezelfde trap van de hiërarchie de taalbezetting niet wijzigt; dat hoe dan ook de betrekking aan een Nederlandstalige is toegewezen zodat de bestreden benoeming evenmin is geschied met schending van het bestaande taalkader; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
  25. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 26 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel; dat van het voorstel tot benoeming kennis moet gegeven worden aan de ambtenaren die voldoen aan de vereisten om het ambt te bekleden; dat hij op geen enkele wijze in kennis werd gesteld van het voorstel, zodat hij geen bezwaar heeft kunnen indienen; IX-999-10/16 2.2.
  26. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de benoeming tot adjunct-secretaris-generaal gebeurt op basis van het koninklijk besluit van 16 september 1959; dat die graad niet bij wijze van graadverandering of bevordering wordt toegekend; dat artikel 26 derhalve niet van toepassing is; 2.2.
  27. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat artikel 26 wel toepasselijk is; dat de graad van adjunct-secretaris-generaal ingedeeld is in rang 16; dat luidens artikel 22 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 de bevordering tot een graad van de rang 16 bij wege van verhoging in graad wordt verleend; dat luidens artikel 37 van hetzelfde koninklijk besluit de minister een oproep tot de kandidaten doet in het Belgisch Staatsblad; dat de afwijkende wijze van benoeming van de adjunct-secretaris-generaal, opgenomen in het koninklijk besluit van 16 september 1959 geen afbreuk doet aan het feit dat die graad in een loopbaan wordt gesitueerd; dat derhalve wel een voorstel moest gedaan worden, waarbij verzoeker de kans diende te krijgen om gehoord te worden; 2.2.
  28. Overwegende dat de tussenkomende partij daarentegen van oordeel is dat artikel 26 enkel geldt voor de benoeming bij wege van graadverandering en voor de bevordering door verhoging in graad of weddeschaal; dat in deze zaak echter de benoeming bij wege van aanwerving is geschied, ten bewijze waarvan het koninklijk besluit van 6 december 1994 houdende wervingsmachtiging wordt aangehaald; dat de toepassing van de artikelen 21 en 22 van het koninklijk besluit van 16 september 1959 de toepassing van voornoemd artikel 26 uitsluit; 2.2.
  29. Overwegende dat bij een benoemings- of bevorderingsprocedure de hoorplicht niet van toepassing is; dat ook de benoeming tot het ambt van adjunct- secretaris-generaal bij de D.W.T.C. niet kan gekenmerkt worden als een bevordering die onder de toepassing valt van artikel 26 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel; dat dit artikel zonder twijfel enkel geldt voor bevorderingsprocedures en niet voor benoemingen bij aanwerving; dat het artikel immers aanvangt met het lid : “Voor iedere benoeming IX-999-11/16 door verandering van graad en iedere bevordering door verhoging in graad of door verhoging in weddeschaal wordt een voorstel gedaan”; dat ook artikel 37 van hetzelfde besluit de bevorderingsprocedure regelt; dat het eerste lid immers bepaalt: “Rijksambtenaren die titularis zijn van een graad van rang 15 en ten minste één jaar graadanciënniteit tellen, kunnen worden bevorderd tot een graad van rang 16”; dat daarentegen artikel 22 van het vermelde koninklijk besluit van 16 september 1959 voorziet in de rechtstreekse benoeming van de adjunct-secretaris-generaal bij koninklijk besluit; dat ook de wervingsmachtiging toegestaan bij koninklijk besluit van 6 december 1994 en de oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad van 23 maart 1995 erover geen twijfel laten bestaan dat de procedure wel degelijk een werving betrof en geen bevordering; dat de indeling van de graad van adjunct-secretaris-generaal in de rang 16 en de opname van die graad in de hiërarchie van de graden bij de D.W.T.C., aan de voorgaande regeling geen afbreuk doet; dat bijgevolg geen voorstel noch mogelijkheid tot bezwaarschrift diende opgenomen te worden in de procedure tot werving; dat het middel niet gegrond is; 2.3.
  30. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat het benoemingsbesluit onvoldoende gemotiveerd is; dat volgens hem ook moet worden aangegeven om welke redenen de andere kandidaten niet benoemd worden; 2.3.
  31. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit verwijst naar het koninklijk besluit van 16 september 1959 houdende het statuut van het personeel; dat het verder verwijst naar de noodzaak van een specifieke academische ervaring voor het ambt van adjunct-secretaris-generaal en naar het feit dat de gekozen kandidaat “beschikt over een erkende academische ervaring, ondermeer in de domeinen van de organisatie en de evaluatie van het onderzoek en het technology assessment, die een rechtstreeks verband heeft met de opdrachten van de genoemde Diensten”; dat zij vervolgt dat de benoemende overheid niet de redenen moet opgeven waarom de andere kandidaten niet benoemd werden; dat zij in IX-999-12/16 positieve zin moet motiveren door de vermelding waarom een bepaalde kandidaat werd gekozen; 2.3.
  32. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat de verwijzing naar de erkende academische ervaring van de tussenkomende partij als motief voor benoeming nietszeggend is; dat ook verzoeker zich door wetenschappelijk werk onderscheiden heeft; dat de vergelijking van de kandidaten niet op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria is gebeurd; dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden; 2.3.
  33. Overwegende dat de tussenkomende partij herhaalt dat de motivering in positieve zin moet worden gesteld en niet moet vermelden waarom een ander kandidaat niet in aanmerking komt; dat zij vervolgt dat in het koninklijk besluit van 6 december 1994 ter motivering van de wervingsmachtiging werd vermeld dat de D.W.T.C. in de gelegenheid moeten worden gesteld “alle opdrachten te vervullen die hun sinds de herstructurering zijn toevertrouwd, met inbegrip van het voorzien in de nieuwe behoeften die betrekking hebben op het overleg met de deelgebieden en het opzetten van internationale initiatieven op het vlak van onderzoek en wetenschap- pelijke dienstverlening”; dat in het verlengde daarvan de benoemende overheid een duidelijke voorkeur heeft gegeven aan een kandidaat met een academische ervaring en vorming, hetgeen niet onredelijk is gelet op de vereisten van de betrekking, zeker na de herstructurering; dat verzoeker daarentegen geen, minstens geen recente, laat staan op het academisch vlak erkende ervaring kan voorleggen; 2.3.
  34. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog beklemtoont dat uit niets blijkt dat er een vergelijking van titels en verdiensten is gebeurd; dat uit de opgegeven functiebeschrijving men mag verwachten dat de ervaring inzake het beheer van overheidsdiensten en ervaring als diensthoofd bij de D.W.T.C. doorslaggevende criteria zouden zijn; dat hijzelf ongeveer 26 jaar ervaring heeft binnen de D.W.T.C. en 17 jaar als diensthoofd fungeerde en dat hij binnen de D.W.T.C. de ambtenaar van rang 15 met de grootste graadanciënniteit is, terwijl de tussenkomende partij benoemd werd omdat zij “beschikt over een erkende IX-999-13/16 academische ervaring”; dat de functie van adjunct-secretaris-generaal een administratieve functie is zonder diplomavereiste; 2.3.
  35. Overwegende dat uit het beginsel van de gelijkheid van de kandidaten voor de toegang tot een openbaar ambt volgt dat de benoemende overheid de titels en verdiensten van de kandidaten tegen elkaar moet afwegen; dat de overheid daarbij over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, die slechts de redelijkheid als grens heeft; dat luidens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de opgelegde uitdrukkelijke motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en afdoende moet zijn; dat dit laatste afdoende moet zijn, betekent dat ze pertinent moet zijn en duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, alsook dat ze draagkrachtig moet zijn; dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen; dat het bestreden besluit echter niet hoeft te vermelden waarom een kandidaat niet wordt benoemd; dat in dit verband verwezen kan worden naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juli 1991: “De Minister verduidelijkt dat in positieve zin moet worden gemotiveerd. Men moet vermelden dat een bepaalde kandidaat benoemd wordt omdat hij voldoet aan de voorwaarden. Men moet niet vermelden waarom de andere kandidaten niet in aanmerking kwamen” (Gedr. St. Senaat, BZ. 1988, nr.215-3, blz. 7, eerste lid). “De Minister herinnert eraan dat het niet nodig is het niet benoemen van een kandidaat te motiveren” (ibidem, blz. 8, zevende lid); dat het bestreden koninklijk besluit inzonderheid verwijst naar artikel 22 van het reeds genoemde koninklijk besluit van 16 september 1959 en naar het koninklijk besluit van 6 december 1994 houdende toekenning van de wervingsmachtiging; dat aldus wordt aangegeven welke de juridische regels zijn die de rechtsgrond vormen voor de benoeming; dat, zoals afgeleid kan worden uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen, het bestreden besluit de verdiensten van verzoeker niet diende uiteen te zetten, noch zelf een daadwerkelijke vergelijking van de titels en verdiensten diende te bevatten; dat wel uit het besluit moet blijken welke de gegevens zijn op grond waarvan de keuze werd bepaald; dat de gevolgtrekking gemaakt door verzoeker in IX-999-14/16 verband met de volgens hem overheersende criteria op niets gesteund is en duidelijk alleen overeenstemt met zijn profiel; dat de leiding waarnemen van de diensten van de D.W.T.C. andere hoedanigheden vergt dan louter de ervaring van diensthoofd bij de D.W.T.C.; dat een specifieke academische ervaring als een belangrijk pluspunt wordt gekenmerkt voor de uitvoering van de opdrachten van de D.W.T.C.; dat dit voor de leiding van de Federale Wetenschappelijke Diensten gelet op de specificiteit van de dienst geen ondeugdelijk criterium kan worden genoemd; dat aan de kant van de tussenkomende partij erkend wordt dat zij over een erkende academische ervaring beschikt “ondermeer in de domeinen van de organisatie en de evaluatie van het onderzoek en het technology assessment”; dat aan de hand van wat verzoeker zelf bij zijn kandidatuur heeft vermeld en wat de benoemde kandidaat over zijn loopbaan en ervaring heeft aangestipt kan worden nagegaan of de voormelde appreciatie in alle redelijkheid is gebeurd; dat deze toetsing ontegensprekelijk aantoont dat de academische en wetenschappelijke loopbaan van de tussenkomende partij en de daaruit voortvloeiende ervaring - ook die in leiding geven - in redelijkheid groter zijn dan die van verzoeker; dat, immers, de benoemde houder is van drie universitaire diploma’s, behaald met onderscheiding, grote onderscheiding en grootste onder- scheiding, terwijl verzoeker het diploma van licentiaat in de Politieke en Sociale Wetenschappen bezit; dat verzoekers loopbaan zich volledig heeft ontwikkeld in de Diensten van het Wetenschapsbeleid gekoppeld aan het lidmaatschap van enkele commissies en werkgroepen; dat de benoemde een volledige academische loopbaan heeft doorlopen gaande tot hoofddocent aan een vrije universiteit ; dat hij zijn wetenschappelijke ervaring ook uitvoerig toelicht en daarnaast een reeks publicaties in diverse domeinen kan voorleggen, hetgeen verzoeker niet kan of althans niet in zijn kandidatuur heeft vermeld; dat, gelet op al deze gegevens zoals zij mogen blijken uit de vergelijking van de kandidaturen, het oordeel van de benoemende overheid de redelijkheid niet schendt noch het gelijkheidsbeginsel betrokken op de toegang tot een openbaar ambt miskent; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  36. IX-999-15/16 Het beroep wordt verworpen. Artikel
  37. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-999-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.269 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.