← België

Arrest 160275 - Anderen beroepen - 19/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.275 Rolnummer: A. 164436/IX-4971 Zaak: Arrest 160275 - Anderen beroepen - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 22:16 Fiche Arrest nr 160.275 van 19 juni 2006 Beroepen - Anderen beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.275 van 19 juni 2006 in de zaak A. 164.436/IX-

  1. In zake :
  2. Steven THOMAS,
  3. de BVBA BEXAN, die woonplaats kiezen bij advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen :
  4. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand,
  5. de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten, die woonplaats kiezen bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Steven THOMAS en de BVBA BEXAN op 19 juli 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 mei 2005 van de Federale Raad van Beroep van landmeters-experten houdende afwijzing van het beroep van Steven THOMAS tegen de beslissing van 3 februari 2005 van de Federale Raad van landmeters-experten, waarbij hem de inschrijving op het tableau van landmeters- experten wordt geweigerd; Gezien het op 20 juli 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de vernietiging vorderen van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4971-1/13 Gelet op de beschikking van 4 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, die verschijnen voor de verzoekende partijen en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  8. Eerste verzoeker behaalt op 4 juli 1997 aan de Hogeschool te Gent, departement Technologie BME - CTL het diploma “gegradueerde in de topografie”. Het gaat blijkens dat diploma om een “Basisopleiding van één cyclus Studiegebied Industriële wetenschappen en technologie”. 1.
  9. Eerste verzoeker is in hoofdberoep deskundige bouwkunde bij de gemeente Maarkedal en heeft op 5 oktober 1999 de bij artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter, voorgeschreven eed afgelegd voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Uit de stukken blijkt dat hij daartoe, met een brief van 10 september 1999, uitgenodigd is geweest door de procureur des Konings bij die rechtbank. De stempel dat hij de “door de wet voorziene eed” aflegde ter zitting van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, werd aangebracht op de achterzijde van zijn diploma van gegradueerde in de topografie. Sedert 23 april 2001 oefent hij in bijberoep het beroep van landmeter uit in de BVBA Bexan, tweede verzoekende partij, waarvan hij tevens zaakvoerder is. IX-4971-2/13 1.
  10. Krachtens artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter mocht niemand het beroep van landmeter als zelfstandige uitoefenen tenzij hij voldeed aan de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en hij daarenboven voor de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats de in artikel 2 voorgeschreven eed had afgelegd. Artikel 3 van de wet van 6 augustus 1993 bepaalde voorts dat degenen die tijdens de twee jaren die volgen op het jaar van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit tot regeling van het beroep van landmeter-expert onroerende goederen, genomen ter uitvoering van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, het gereglementeerd beroep hebben uitgeoefend in ondergeschikt verband of onder statuut, onder de voorwaarden en sedert de datum bepaald door de Koning, indien zij het beroep als zelfstandige wensen uit te oefenen, zich als beroepsbeoefenaar kunnen laten inschrijven op de lijst van het Beroepsinstituut opgericht ter uitvoering van dezelfde wet en de in artikel 2 bedoelde eed afleggen. Het koninklijk besluit van 18 januari 1995 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van gezworen landmeter-expert richtte aldus een Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten (BIL) op (artikel 1) en bepaalde in artikel 2 dat niemand als zelfstandige in hoofd- of bijberoep, het beroep van gezworen landmeter-expert mag uitoefenen of de beroepstitel voeren van “gezworen landmeter-expert BIL” of van “gezworen stagiair landmeter-expert” tenzij hij is ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep of op de lijst van de stagiaires die door het BIL bijgehouden worden, of, indien hij in het buitenland gevestigd is, geen machtiging heeft verkregen om het beroep occasioneel uit te oefenen. Bovendien moest hij de in artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 bedoelde eed hebben afgelegd. De beoefenaars van het gereglementeerd beroep van gezworen landmeter-expert dienden te voldoen aan de in artikel 4 bepaalde voorwaarden, waaronder houder zijn van één van de aldaar vermelde diploma’s. Bij de samenstelling van dit Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten zijn echter een aantal juridische en feitelijke problemen gerezen welke ertoe geleid hebben dat dit Instituut nooit effectief heeft gefunctioneerd. IX-4971-3/13 1.
  11. De wet van 6 augustus 1993 en het koninklijk besluit van 18 januari 1995 werden opgeheven bij artikel 13, § 2, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert. Deze wet trad in werking op 1 oktober
  12. Zij bevat een algemene regeling van het beroep buiten het beperkte kader van de wet van 1 maart 1976 en zonder de oprichting van een beroepsinstituut. Krachtens artikel 2 van deze wet van 11 mei 2003 mag niemand het beroep van landmeter-expert uitoefenen of de beroepstitel voeren van landmeter- expert, of enige andere titel die de indruk zou geven dat hij het beroep van landmeter-expert uitoefent, indien hij niet houder is van een van de in artikel 2, 1/, nader omschreven titels, en indien hij niet de eed heeft afgelegd waarvan sprake in artikel
  13. Het diploma van gegradueerde in de topografie is niet vermeld op de lijst van artikel 2, 1/. Artikel 4, § 1, van de wet bepaalt voorts dat niemand het beroep van landmeter-expert mag uitoefenen in de hoedanigheid van zelfstandige in hoofd- of bijberoep als hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en bovendien niet is ingeschreven op het in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten bedoelde tableau. Artikel 9 is een overgangsbepaling. Paragraaf 1 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 2, 1/, de personen die, met toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 18 januari 1995, werden ingeschreven op de lijst van beoefenaars bedoeld in artikel 17, § 5, van de voornoemde kaderwet van 1 maart 1976, de voorlegging van de voor echt verklaarde kopie van hun titel als bedoeld in artikel 4, § 2, tot staving van hun verzoek om inschrijving op het tableau van de beoefenaars van het beroep, vervangen door het bewijs van hun inschrijving op de voornoemde lijst. Krachtens paragraaf 2 zijn de personen die op de datum waarop de wet van 11 mei 2003 in werking treedt, dus op 1 oktober 2004, het beroep van zelfstandig landmeter-expert uitoefenen en die houder zijn van één van de in artikel 2, 1/, bedoelde titels of ingeschreven zijn op de lijst van de beoefenaars waarvan sprake in § 1, gemachtigd om bij wijze van overgang, verder hun beroep uit te oefenen of er de titel van te voeren tot de beslissing van de Federale Raad of de Federale Raad van Beroep van landmeters-experten gevallen is. Om voor deze overgangsmaatregel in aanmerking te komen dienen zij hun aanvraag om inschrijving te doen binnen zestig dagen na de inwerkingtreding van de wet. IX-4971-4/13 1.
  14. De wet van - eveneens - 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten richt een Federale Raad van landmeters-experten op, onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige Kamer en samengesteld uit een werkend voorzitter en diens plaatsvervanger, door de Koning benoemd onder de werkende of eremagistraten of onder de op het tableau ingeschreven advocaten, een werkend assessor of diens plaatsvervanger, benoemd door de minister die bevoegd is voor de Middenstand onder zijn ambtenaren, alsook twee werkende assessoren en twee plaatsvervangers, landmeters-experten die benoemd worden door de minister die bevoegd is voor de Middenstand op voorstel van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (artikel 2). Deze Federale Raad houdt het tableau bij van de beoefenaars van het beroep die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en die als zelfstandige het beroep van landmeter-expert willen uitoefenen of de beroepstitel voeren (artikel 3). De Kamers hebben tot taak uitspraak te doen over de aanvragen tot inschrijving, ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze wet worden nageleefd en elke inbreuk aan te geven bij de gerechtelijke overheid en te waken over de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen (artikel 4, § 1). Er wordt tevens een Federale Raad van Beroep van landmeters- experten opgericht, onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige kamer en samengesteld uit een werkend voorzitter en diens plaatsvervanger, door de Koning benoemd onder de werkende of eremagistraten of onder de sedert minstens tien jaar op het tableau ingeschreven advocaten, een werkend assessor of diens plaatsvervang- er, benoemd door de minister die bevoegd is voor de Middenstand onder zijn ambtenaren die ten minste tot rang 13 behoren, alsook twee werkende assessoren en twee plaatsvervangers, landmeters-experten die benoemd worden door de minister die bevoegd is voor de Middenstand op voorstel van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (artikel 5, eerste lid). Zij doen uitspraak over de beroepen tegen de beslissingen van de Kamers van de Federale Raad van hun voertaal, of tegen het uitblijven ervan. Hun beslissingen kunnen voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (artikel 5, vijfde en zesde lid). Het laatste lid bepaalt dat “om beroep aan te tekenen tegen een inschrijving op het tableau van de titularissen, kunnen de beslissingen die in beroep werden genomen in hoger beroep bij de Raad van State worden aangevochten”. IX-4971-5/13 1.
  15. Met een brief van 25 november 2004 aan de Federale Raad van landmeters-experten vraagt eerste verzoeker zijn inschrijving op de lijst van landmeters-experten. 1.
  16. Met een brief van 2 maart 2005 aan eerste verzoeker deelt de Federale Raad van landmeters-experten mee dat deze raad op 3 februari 2005 zijn aanvraag heeft afgewezen, enerzijds omdat het voorgelegde diploma niet is opgenomen in artikel 2 van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, anderzijds omdat de overgangsbepalingen van artikel 9 van die wet op zijn dossier niet toepasbaar zijn en het beroep reeds gereglementeerd was door het koninklijk besluit van 18 januari 1995 en hij bijgevolg in het bezit diende te zijn van één van de vereiste diploma’s zoals opgesomd in artikel 4, § 1, 1/, van dat koninklijk besluit. 1.
  17. Op 12 maart 2005 stelt eerste verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten. 1.
  18. Op 12 mei 2005 besluit de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten dat het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond is en bevestigt hij de weigeringsbeslissing van de Federale Raad van landmeters-experten. Vooreerst wordt overwogen dat het voorgelegde diploma niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat de finaliteit van de gedane studies niet is om landmeter te worden maar wel topograaf, wat per definitie op inhoudelijke verschillen stuit. Tevens wordt in dat verband overwogen dat verzoeker, die zijn diploma behaalde op 4 juli 1997, dit moest weten aangezien het koninklijk besluit van 18 januari 1995 een limitatieve lijst bevat van diploma’s die aan de wet voldoen, welke lijst dit diploma niet vermeldt; dat dus vaststaat dat de Koning meende dat dit soort diploma’s niet aan de wettelijke vereisten voldeed, dat het diploma later ook niet door de Koning werd erkend na advies van het BIL en dat het diploma ook niet werd opgenomen in de lijst van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003, zodat de wil van de wetgever duidelijk is. Inzake de toelating tot de eedaflegging door de rechtbank van eerste aanleg, wordt vastgesteld dat deze instanties niet bevoegd zijn de beroepskwalificaties van een kandidaat te beoordelen, daar waar de wettelijke vereisten toen omschreven waren in het koninklijk besluit van 18 januari 1995 en dat mogelijke afwijkingen van de vereiste diploma’s toen door de Koning dienden beslist, terwijl de afwezigheid van het BIL dat daarover advies diende te geven noch het IX-4971-6/13 parket noch de rechtbank van eerste aanleg enige bijkomende bevoegdheid ter zake geeft. Inzake het arrest van het Arbitragehof van 26 januari 2005 wordt overwogen dat dit geen enkele bepaling van de wet van 11 mei 2003 heeft tenietgedaan en integendeel alle bezwaren tegen deze wet heeft verworpen. Met betrekking tot diezelfde wet 11 mei 2003 en het argument van rechtszekerheid wordt overwogen dat deze de Federale Raad van Beroep de bevoegdheid verleent om naar de toekomst te beslissen over de inschrijving van kandidaat-landmeters-experten op het tableau, zodat de Federale Raad van Beroep zich niet kan uitspreken over de eventuele geldigheidswaarde van de werkzaamheden van verzoeker in een voorgaande periode. Dat is de beslissing waarvan de verzoekers de schorsing vragen;
  19. Over de ontvankelijkheid. 2.
  20. Overwegende dat de verwerende partijen opwerpen dat de bestreden beslissing uitgaat van een administratief rechtscollege, zodat ze niet vatbaar is voor een schorsingsberoep bij de Raad van State; dat zij zich daarbij beroepen op artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, luidens welk enkel de administratieve rechtshandelingen welke vatbaar zijn voor vernietiging op grond van artikel 14, § 1, van dezelfde wetten geschorst kunnen worden, doch niet de administratieve beslissingen in betwiste zaken, aangezien dit jurisdictionele beslissingen zijn; dat zij hun stelling dat de Federale Raad een administratief rechtscollege is hieruit afleiden : 1 - de Federale Raad van Beroep werd opgericht door een aparte wet en krachtens artikel 161 van de Grondwet kan geen enkel administratief rechtscollege worden opgericht dan bij wet; 2 - in de procedure voor de Federale Raad van Beroep zijn een aantal garanties ingebouwd voor de rechten van verdediging; zo worden de partijen gehoord en worden de beslissingen “met redenen omkleed”; de verwerende partijen benadrukken dat aldus niet wordt gesproken van een formele motivering; tevens is er sprake van beslissingen bij verstek, begrip dat niet terug te vinden is wanneer men spreekt over administratieve overheden; 3 - de Federale Raad van Beroep is samengesteld uit een magistraat of advocaat die voorzitter is en een beslissende stem heeft, een ambtenaar en twee landmeters- experten aangeduid door de minister van Middenstand, dus totaal onafhankelijke mensen die niet door de eigen beroepsgroep worden verkozen; de twee leden IX-4971-7/13 landmeters vertegenwoordigen evenmin de beroepsgroep in de Federale Raad van Beroep maar zijn vergelijkbaar met de rechters in handelszaken of de rechters in sociale zaken in de rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken; 4 - diverse aanwijzingen in de parlementaire voorbereiding: zo spreekt de Raad van State, afdeling wetgeving, tweemaal van een rechtscollege, weliswaar wanneer sprake is van de Federale Raad, kwalificatie die dan ook geldt voor de Federale Raad van Beroep en merkt de afdeling wetgeving op dat de term “verzoek tot nietigverklaring” wanneer het ging om een beroep tegen de beslissing van de Federale Raad vervangen moet worden door “hoger beroep” aangezien de Federale Raad van Beroep een beslissing neemt in volle omvang; bij amendement werd een beroep bij de Raad van State mogelijk gemaakt tegen beslissingen van de Federale Raad van Beroep aangaande inschrijvingen, waarbij de wetgever eveneens het begrip “hoger beroep” gebruikt terwijl, indien het zou gaan om een beslissing van een administratieve overheid, het begrip “verzoek tot nietigverkla- ring” zou zijn gebruikt; 2.2.
  21. Overwegende dat de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot nietigverklaring van akten en reglementen van Belgische administratieve overheden; dat daarnaast beslissingen welke in laatste aanleg door administratieve rechtscolleges zijn gewezen in beginsel door cassatieberoep bij de Raad van State worden bestreden, welke bevoegdheid wordt geput uit artikel 14, § 2, van dezelfde gecoördineerde wetten; dat de verwerende partijen terecht opmerken dat krachtens artikel 17, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, enkel de akten of reglementen van administratieve overheden welke vatbaar zijn voor vernietiging krachtens artikel 14, § 1, in hun uitvoering kunnen worden geschorst en dus niet de jurisdictionele beslissingen van een administratief rechtscollege, bedoeld bij voornoemd artikel 14, § 2; dat derhalve de vraag rijst of de bestreden beslissing niet onder die laatste categorie valt; 2.2.
  22. Overwegende dat artikel 5, vijfde lid, van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten bepaalt dat de beslissingen van de Federale Raad van Beroep voor het Hof van Cassatie kunnen worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, hetgeen de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit; dat volgens het laatste lid van dat artikel echter “om beroep aan te tekenen tegen een inschrijving op het tableau van de titularissen, (...) de beslissingen IX-4971-8/13 die in beroep werden genomen, in hoger beroep bij de Raad van State (kunnen) worden aangevochten”; dat blijkens de parlementaire voorbereiding daarmee bedoeld is dat beslissingen van de Federale Raad van Beroep betreffende een aanvraag tot inschrijving aangevochten kunnen worden voor de Raad van State; dat het te dezen om een dergelijke beslissing gaat; 2.2.
  23. Overwegende dat een administratief rechtscollege kan worden omschreven als een door de wet ingesteld orgaan dat met de publiekrechtelijke taak van rechtspraak is belast; dat of zulks de wil van de wetgever is direct of soms indirect uit de tekst valt af te leiden; dat te dezen, doordat tegen de andere beslissingen dan die welke voor de Raad van State kunnen worden bestreden een cassatieberoep bij het Hof van Cassatie openstaat, de Federale Raad van Beroep wanneer hij zulke beslissingen neemt moet worden beschouwd als een administratief rechtscollege; dat echter niet uitdrukkelijk is bepaald dat het beroep bij de Raad van State tegen de beslissingen zoals de hier bestredene, een administratief cassatieberoep is; 2.2.
  24. Overwegende dat de wil van de wetgever ook afgeleid kan worden uit andere gegevens, zoals uit de parlementaire voorbereiding van de wet of aan de hand van een aantal criteria, waaraan niet steeds een zelfde belang kan worden gehecht en welke in hun samenhang moeten worden gezien om tot een kwalificatie te komen; dat de verwerende partij er aldus een aantal opsomt: de organisatie en samenstelling van het betrokken orgaan - magistraten en personen die niet door hun gelijken worden verkozen - de procedurevoorschriften die door het betrokken orgaan moeten worden nageleefd, onder meer inzake de mogelijkheid van tegenspraak, de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak, de verplichting om te beslissen en om de beslissing met redenen te omkleden; dat voorts een administratieve jurisdictionele beslissing geen algemene en als regel geldende beschikking kan uitmaken en zij zich in principe beperkt tot het nagaan of de toepasselijke rechtsregel werd nageleefd; 2.2.
  25. Overwegende dat die gegevens hier weinig dienend zijn om uit te maken of de Federale Raad van Beroep als zodanig een administratief rechtscollege is, aangezien daarover geen twijfel bestaat in zoverre hij beslissingen neemt die voor het Hof van Cassatie kunnen worden bestreden; dat zijn beslissingen als die welke verzoeker bestrijdt daarentegen, objectief gezien veeleer het kenmerk vertonen van gewone administratieve rechtshandelingen : de Federale Raad van Beroep spreekt IX-4971-9/13 zich daarin, in tweede aanleg weliswaar, uit over de aanvraag om tot de uitoefening van een gereglementeerd beroep toegelaten te worden; dat ofschoon de voorwaarden daartoe tamelijk nauwkeurig zijn bepaald, de Federale Raad van Beroep, zoals de Federale Raden van landmeters-experten, toch over een zekere discretionaire beoordelingsbevoegdheid lijkt te beschikken, inzonderheid waar hij de gelijkwaardig- heid van bepaalde diploma’s dient te beoordelen, zoals bedoeld in artikel 2, 1/, f, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert; dat er geen geschil is tussen de aanvrager en een andere partij, zoals een Orde of Instituut van landmeters-experten; dat het gaat om een rechtschep- pende, geen louter rechtserkennende handeling, aangezien zonder positieve beslissing het beroep niet mag worden uitgeoefend; dat het veeleer in de lijn van de logica zou liggen het beroep bij de Raad van State daartegen te beschouwen als een annulatiebe- roep zoals geregeld bij artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 2.2.
  26. Overwegende dat ook de bewoordingen en de parlementaire totstandkoming van artikel 5, laatste lid, van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van de federale raden van landmeters-experten veeleer in die richting wijzen; dat de tekst vermeldt “hoger beroep” bij de Raad van State, welke term weliswaar ook niet adequaat is aangezien hij zou kunnen verwijzen naar een beroep met volle rechts- macht, maar die blijkens de parlementaire stukken verkozen werd boven “cassatiebe- roep” bij de Raad van State zoals voorgesteld door de Juridische Dienst van de Kamer van Volksvertegenwoordigers; dat een bepaling volgens welke de anders samengestelde Federale Raad van Beroep zich na vernietiging schikt naar de beslissing van de Raad van State, ontbreekt, terwijl zij wel uitdrukkelijk is geformu- leerd ten aanzien van de uitspraken van het Hof van Cassatie; dat tijdens de plenaire bespreking de indiener van het oorspronkelijke amendement dat het nieuwe en huidige laatste lid van artikel 5 werd, stelde dat tegen bepaalde beslissingen, zoals de weigering van inschrijving, in de mogelijkheid van beroep is voorzien bij de Raad van State, “hetgeen uiteraard een snellere en minder kostelijke procedure (is) dan bij het Hof van Cassatie” (Hand. Kamer, CRIV 50 PLEN 338, 19/03/2003, p. 55); dat dit laatste vooral zin lijkt te hebben wanneer men aanneemt dat het gaat om een gewoon annulatieberoep met als mogelijk complement een vordering tot schorsing van de weigeringsbeslissing; 2.2.
  27. Overwegende dat het grondwettelijk voorschrift volgens welk administratieve rechtscolleges enkel bij wet kunnen worden opgericht niet inhoudt IX-4971-10/13 dat alle bij wet opgerichte administratieve colleges ook rechtscolleges zijn; dat waarborgen voor de rechtsonderhorige en verplichting tot motiveren ook aan de organen van het bestuur kunnen worden opgelegd; 2.2.
  28. Overwegende dat in de huidige stand van het geding dan ook kan worden geconcludeerd dat de Federale Raad van Beroep niet optreedt als een rechtscollege wanneer hij beslist over de inschrijving op het tableau van de landmeters-experten, dat het beroep bij de Raad van State tegen die beslissingen geen cassatieberoep is en dat de belanghebbende de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan vorderen; dat die exceptie wordt verworpen; 2.3.1 Overwegende dat de verwerende partijen voorts opwerpen dat, zoals een zaakvoerder geen belang heeft bij de vernietiging van een besluit dat betrekking heeft op een vennootschap, de tweede verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging en bijgevolg bij de schorsing van de bestreden beslissing aangezien die beslissing rechtstreeks betrekking heeft op de erkenning van de eerste verzoeker als landmeter-expert en zijn niet-erkenning noch rechtstreeks nadeel toebrengt, noch noodzakelijkerwijs rechtstreeks haar voortbestaan in het gedrang brengt, dat immers de tweede verzoekende partij een andere landmeter-expert in dienst kan nemen of andere activiteiten kan ontwikkelen die wel in de lijn liggen van de opleiding van eerste verzoeker; 2.3.
  29. Overwegende dat de verzoekende partijen, anticiperend, in hun verzoekschrift erop wijzen dat de tweede verzoekende partij door de bestreden beslissing nadeel ondervindt doordat zij in haar voortbestaan wordt bedreigd aangezien eerste verzoeker niet langer de activiteiten van landmeter-expert kan uitoefenen; 2.3.
  30. Overwegende dat de eerste verzoekende partij de geweigerde erkenning heeft aangevraagd en met onderhavige vordering poogt vooralsnog die erkenning te verkrijgen; dat het belang van de tweede verzoekende partij wettigt dat zij de eerste verzoekende partij daarin kan steunen; dat door zich aan te dienen als een tussenkomende partij zij zulks zou kunnen doen doch dat dit onmogelijk is als een verzoekende partij de bedoeling heeft om erkend te worden als landmeter-expert; dat de exceptie wordt aangenomen; dat in zover de vordering uitgaat van de tweede verzoekende partij die vordering als niet ontvankelijk wordt afgewezen; IX-4971-11/13
  31. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, met betrekking tot het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel, gelet op wat voorafgaat, een aangevoerd nadeel slechts kan slaan en betrokken worden op de eerste verzoekende partij; dat die verzoekende partij aanvoert dat zij als statutair zaakvoerder sinds 23 april 2001 het beroep van landmeter-expert uitoefent binnen de BVBA BEXAN; dat zij reeds jarenlang actief is als zelfstandig landmeter in bijberoep, eerst als natuurlijke persoon en later als statutair zaakvoerder; dat met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het in deze aangevoerde nadeel bijna uitsluitend een nadeel is dat gebeurlijk door de BVBA BEXAN zou gedragen worden; dat indien de BVBA BEXAN door de bestreden beslissing inkomsten zou kunnen derven, evenwel hiermee nog niet aangetoond is dat de eerste verzoekende partij daardoor zelf een persoonlijk nadeel ondervindt dat zodanig ernstig is dat alleen een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een uitkomst zal kunnen bieden aan die eerste verzoekende partij; dat immers uit de stukken voorgebracht door de partijen blijkt dat de eerste verzoekende partij het beroep van landmeter-expert uitoefent in bijberoep en in hoofdberoep werkzaam is als gemeenteambtenaar zodat noch die eerste verzoekende partij, noch, in voorkomend geval, haar gezin in een dermate precaire situatie zal terechtkomen dat alleen de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een uitkomst zou kunnen bieden; dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in die omstandigheden niet is ingevuld, IX-4971-12/13 BESLUIT: Artikel
  32. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  33. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4971-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.275 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.841 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.