← België

Arrest 160276 - Anderen beroepen - 19/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.276 Rolnummer: A. 164437/IX-4970 Zaak: Arrest 160276 - Anderen beroepen - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 22:16 Fiche Arrest nr 160.276 van 19 juni 2006 Beroepen - Anderen beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.276 van 19 juni 2006 in de zaak A. 164.437/IX-

  1. In zake : David MARTENS, die woonplaats kiest bij advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand,
  3. de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten, die woonplaats kiezen bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat David MARTENS op 19 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 april 2005 van de Federale Raad van Beroep van landmeters- experten houdende afwijzing van zijn beroep tegen de beslissing van 3 februari 2005 van de Federale Raad van landmeters-experten, waarbij hem de inschrijving op het tableau van landmeters-experten wordt geweigerd; Gezien het op 20 juli 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; IX-4970-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  6. Verzoeker behaalt op 19 september 1992 aan de Industriële Hogeschool van het Gemeenschapsonderwijs BME te Gent het diploma “gegradu- eerde in de topografie”. Het gaat blijkens dat diploma om een opleiding “technisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan” die twee studiejaren omvat. Op 30 juni 1996 behaalt verzoeker aan het Instituut voor Volwassenvorming van het Gemeenschapsonderwijs, in het kader van het hoger kunstonderwijs voor socio-culturele promotie, afdeling stedenbouw - optie Mezo, het diploma van die afdeling met de titel “Stedenbouwkundige”. Op 23 februari 2000 behaalt hij aan het Vormingsinstituut voor KMO West-Vlaanderen VZW, het diploma van ondernemingsopleiding, afgegeven voor het beroep van vastgoedexpert. Daarnaast volgt hij ook nog een aantal vervolmakingscursussen voor gerechtelijke experts, inzake stedenbouw, zonevreemde woningen en bedrijven en gerechtsexpertise. Op 8 februari 2001 wordt hij opgenomen in het register van ruimtelijke planners van het Vlaamse Gewest. Deze inschrijving heeft volgens het voorgelegde attest een einde genomen op 7 februari
  7. IX-4970-2/14 Vanaf 12 oktober 1992 is verzoeker tewerkgesteld bij de NV ABETEC en verricht er werkzaamheid inzake afpalingen en opmetingen en “het opstellen van notariële verkoopsakten”. Op 23 juni 1998 legt hij de bij artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter, voorgeschreven eed af voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Uit de stukken blijkt dat hij daarover briefwisseling heeft gevoerd en vervolgens met een brief van 5 juni 1998 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitgenodigd is geweest. Uit de briefwisseling blijkt dat twijfel is gerezen omtrent het feit of zijn diploma’s voldeden. Verzoeker zegt sedert 23 juni 1998 eerst in bijberoep en sedert januari 2001 in hoofdberoep zelfstandige te zijn. Hij richt op 6 juli 2001 de BVBA De Groote & Martens op. Die vennootschap heeft als maatschappelijk doel onder meer het optreden als schatter, als landmeter-expert, als stedebouwkundige en als expert in onroerende goederen. Sedert 10 juni 2005 werkt verzoeker als “expertisebureau Martens”. 1.
  8. Krachtens artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter mocht niemand het beroep van landmeter als zelfstandige uitoefenen tenzij hij voldeed aan de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en hij daarenboven voor de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats de in artikel 2 voorgeschreven eed had afgelegd. Artikel 3 van de wet van 6 augustus 1993 bepaalde voorts dat degenen die tijdens de twee jaren die volgen op het jaar van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit tot regeling van het beroep van landmeter-expert onroerende goederen, genomen ter uitvoering van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, het gereglementeerd beroep hebben uitgeoefend in ondergeschikt verband of onder statuut, onder de voorwaarden en sedert de datum bepaald door de Koning, indien IX-4970-3/14 zij het beroep als zelfstandige wensen uit te oefenen, zich als beroepsbeoefenaar kunnen laten inschrijven op de lijst van het Beroepsinstituut opgericht ter uitvoering van dezelfde wet en de in artikel 2 bedoelde eed afleggen. Het koninklijk besluit van 18 januari 1995 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van gezworen landmeter-expert richtte aldus een Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten (BIL) op (artikel 1) en bepaalde in artikel 2 dat niemand als zelfstandige in hoofd- of bijberoep, het beroep van gezworen landmeter-expert mag uitoefenen of de beroepstitel voeren van “gezworen landmeter-expert BIL” of van “gezworen stagiair landmeter-expert” tenzij hij is ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep of op de lijst van de stagiaires die door het BIL bijgehouden worden, of, indien hij in het buitenland gevestigd is, geen machtiging heeft verkregen om het beroep occasioneel uit te oefenen. Bovendien moest hij de in artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 bedoelde eed hebben afgelegd. De beoefenaars van het gereglementeerd beroep van gezworen landmeter-expert dienden te voldoen aan de in artikel 4 bepaalde voorwaarden, waaronder houder zijn van één van de aldaar vermelde diploma’s. Bij de samenstelling van dit Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten zijn echter een aantal juridische en feitelijke problemen gerezen welke ertoe geleid hebben dat dit Instituut nooit effectief heeft gefunctioneerd. 1.
  9. De wet van 6 augustus 1993 en het koninklijk besluit van 18 januari 1995 werden opgeheven bij artikel 13, § 2, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert. Deze wet trad in werking op 1 oktober
  10. Zij bevat een algemene regeling van het beroep buiten het beperkte kader van de wet van 1 maart 1976 en zonder de oprichting van een beroepsinstituut. Krachtens artikel 2 van deze wet van 11 mei 2003 mag niemand het beroep van landmeter-expert uitoefenen of de beroepstitel voeren van landmeter- expert, of enige andere titel die de indruk zou geven dat hij het beroep van landmeter-expert uitoefent, indien hij niet houder is van een van de in artikel 2, 1/, nader omschreven titels, en indien hij niet de eed heeft afgelegd waarvan sprake in artikel
  11. Het diploma van gegradueerde in de topografie is niet vermeld op de lijst van artikel 2, 1/. Artikel 4, § 1, van de wet bepaalt voorts dat niemand het beroep van landmeter-expert mag uitoefenen in de hoedanigheid van zelfstandige in hoofd- of bijberoep als hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en bovendien niet IX-4970-4/14 is ingeschreven op het in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten bedoelde tableau. Artikel 9 is een overgangsbepaling. Paragraaf 1 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 2, 1/, de personen die, met toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 18 januari 1995, werden ingeschreven op de lijst van beoefenaars bedoeld in artikel 17, § 5, van de voornoemde kaderwet van 1 maart 1976, de voorlegging van de voor echt verklaarde kopie van hun titel als bedoeld in artikel 4, § 2, tot staving van hun verzoek om inschrijving op het tableau van de beoefenaars van het beroep, vervangen door het bewijs van hun inschrijving op de voornoemde lijst. Krachtens paragraaf 2 zijn de personen die op de datum waarop de wet van 11 mei 2003 in werking treedt, dus op 1 oktober 2004, het beroep van zelfstandig landmeter-expert uitoefenen en die houder zijn van één van de in artikel 2, 1/, bedoelde titels of ingeschreven zijn op de lijst van de beoefenaars waarvan sprake in § 1, gemachtigd om bij wijze van overgang, verder hun beroep uit te oefenen of er de titel van te voeren tot de beslissing van de Federale Raad of de Federale Raad van Beroep van landmeters-experten gevallen is. Om voor deze overgangsmaatregel in aanmerking te komen dienen zij hun aanvraag om in-schrijving te doen binnen zestig dagen na de inwerkingtreding van de wet. 1.
  12. De wet van -eveneens -11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten richt een Federale Raad van landmeters-experten op, onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige Kamer en samengesteld uit een werkend voorzitter en diens plaatsvervanger, door de Koning benoemd onder de werkende of eremagistraten of onder de op het tableau ingeschreven advocaten, een werkend assessor of diens plaatsvervanger, benoemd door de minister die bevoegd is voor de Middenstand onder zijn ambtenaren, alsook twee werkende assessoren en twee plaatsvervangers, landmeters-experten die benoemd worden door de minister die bevoegd is voor de Middenstand op voorstel van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (artikel 2). Deze Federale Raad houdt het tableau bij van de beoefenaars van het beroep die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en die als zelfstandige het beroep van landmeter-expert willen uitoefenen of de beroepstitel voeren (artikel 3). De Kamers hebben tot taak uitspraak te doen over de aanvragen tot inschrijving, ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze wet worden nageleefd en elke inbreuk aan te geven bij de gerechtelijke overheid en te waken over de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen (artikel 4, § 1). IX-4970-5/14 Er wordt tevens een Federale Raad van Beroep van landmeters- experten opgericht, onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige kamer en samengesteld uit een werkend voorzitter en diens plaatsvervanger, door de Koning benoemd onder de werkende of eremagistraten of onder de sedert minstens tien jaar op het tableau ingeschreven advocaten, een werkend assessor of diens plaatsvervang- er, benoemd door de minister die bevoegd is voor de Middenstand onder zijn ambtenaren die ten minste tot rang 13 behoren, alsook twee werkende assessoren en twee plaatsvervangers, landmeters-experten die benoemd worden door de minister die bevoegd is voor de Middenstand op voorstel van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (artikel 5, eerste lid). Zij doen uitspraak over de beroepen tegen de beslissingen van de Kamers van de Federale Raad van hun voertaal, of tegen het uitblijven ervan. Hun beslissingen kunnen voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (artikel 5, vijfde en zesde lid). Het laatste lid bepaalt dat “om beroep aan te tekenen tegen een inschrijving op het tableau van de titularissen, kunnen de beslissingen die in beroep werden genomen in hoger beroep bij de Raad van State worden aangevochten”. 1.
  13. Met een brief van 23 november 2004 aan de Federale Raad van landmeters-experten vraagt verzoeker zijn inschrijving op de lijst van landmeters- experten. 1.
  14. Met een brief van 2 maart 2005 aan verzoeker deelt de Federale Raad van landmeters-experten mee dat deze raad op 3 februari 2005 zijn aanvraag heeft afgewezen, enerzijds omdat het voorgelegde diploma niet is opgenomen in artikel 2 van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, anderzijds omdat de overgangsbepalingen van artikel 9 van die wet op zijn dossier niet toepasbaar zijn en het beroep reeds gereglementeerd was door het koninklijk besluit van 18 januari 1995 en hij bijgevolg in het bezit diende te zijn van één van de vereiste diploma’s zoals opgesomd in artikel 4, § 1, 1/, van dat koninklijk besluit. 1.
  15. Op 30 maart 2005 stelt verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten. IX-4970-6/14 1.
  16. Op 26 april 2005 besluit de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten dat het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond is en bevestigt hij de weigeringsbeslissing van de Federale Raad van landmeters-experten. Vooreerst wordt overwogen dat het voorgelegde diploma van gegradueerde in topografie niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat de finaliteit van de gedane studies niet is om landmeter te worden maar wel topograaf, wat per definitie op inhoudelijke verschillen stuit. Tevens wordt gewezen op het feit dat het koninklijk besluit van 18 januari 1995 een limitatieve lijst bevat van diploma’s die aan de wet voldoen, welke lijst dit diploma niet vermeldt; dat dus vaststaat dat de Koning meende dat dit soort diploma’s niet aan de wettelijke vereisten voldeed, dat het diploma later ook niet door de Koning werd erkend na advies van het Beroepsinsti- tuut van Gezworen Landmeters-experten en dat het diploma ook niet werd opgenomen in de lijst van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003, zodat de wil van de wetgever duidelijk is. Inzake de toelating tot de eedaflegging door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, wordt vastgesteld dat deze instantie niet bevoegd is de beroepskwalificaties van een kandidaat te beoordelen, daar waar de wettelijke vereisten toen omschreven waren in het koninklijk besluit van 18 januari 1995 en dat mogelijke afwijkingen van de vereiste diploma’s toen door de Koning dienden beslist, terwijl de afwezigheid van het Beroepsinstituut van Gezworen Landmeters-experten dat daarover advies diende te geven noch het parket noch de rechtbank van eerste aanleg enige bijkomende bevoegdheid ter zake geeft. Inzake het arrest van het Arbitragehof van 26 januari 2005 wordt overwogen dat dit geen enkele bepaling van de wet van 11 mei 2003 heeft teniet gedaan en integendeel alle bezwaren tegen deze wet heeft verworpen. Met betrekking tot diezelfde wet van 11 mei 2003 en het argument van rechtszekerheid wordt overwogen dat deze de Federale Raad van Beroep de bevoegdheid verleent om naar de toekomst te beslissen over de inschrijving van kandidaat-landmeters-experten op het tableau, zodat de Federale Raad van Beroep zich niet kan uitspreken over de eventuele geldigheidswaarde van de werkzaam- heden van verzoeker in een voorgaande periode. Dat is de beslissing waarvan de verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vraagt;
  17. Over de ontvankelijkheid. IX-4970-7/14 2.
  18. Overwegende dat de verwerende partijen opwerpen dat de bestreden beslissing uitgaat van een administratief rechtscollege, zodat ze niet vatbaar is voor een schorsingsberoep bij de Raad van State; dat zij zich daarbij beroepen op artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, luidens welk enkel de administratieve rechtshandelingen welke vatbaar zijn voor vernietiging op grond van artikel 14, § 1, van dezelfde wetten geschorst kunnen worden, doch niet de administratieve beslissingen in betwiste zaken, aangezien dit jurisdictionele beslissingen zijn; dat zij hun stelling dat de Federale Raad een administratief rechtscollege is hieruit afleiden : 1 - de Federale Raad van Beroep werd opgericht door een aparte wet en krachtens artikel 161 van de Grondwet kan geen enkel administratief rechtscollege worden opgericht dan bij wet; 2 - in de procedure voor de Federale Raad van Beroep zijn een aantal garanties ingebouwd voor de rechten van verdediging; zo worden de partijen gehoord en worden de beslissingen “met redenen omkleed”; de verwerende partijen benadrukken dat aldus niet wordt gesproken van een formele motivering; tevens is er sprake van beslissingen bij verstek, begrip dat niet terug te vinden is wanneer men spreekt over administratieve overheden; 3 - de Federale Raad van Beroep is samengesteld uit een magistraat of advocaat die voorzitter is en een beslissende stem heeft, een ambtenaar en twee landmeters- experten aangeduid door de minister van Middenstand, dus totaal onafhankelijke mensen die niet door de eigen beroepsgroep worden verkozen; de twee leden landmeters vertegenwoordigen evenmin de beroepsgroep in de Federale Raad van Beroep maar zijn vergelijkbaar met de rechters in handelszaken of de rechters in sociale zaken in de rechtbanken van koophandel en de arbeidsrecht- banken; 4 - diverse aanwijzingen in de parlementaire voorbereiding: zo spreekt de Raad van State, afdeling wetgeving, tweemaal van een rechtscollege, weliswaar wanneer sprake is van de Federale Raad, kwalificatie die dan ook geldt voor de Federale Raad van Beroep en merkt de afdeling wetgeving op dat de term “verzoek tot nietigverklaring” wanneer het ging om een beroep tegen de beslissing van de Federale Raad vervangen moet worden door “hoger beroep” aangezien de Federale Raad van Beroep een beslissing neemt in volle omvang; bij amendement werd een beroep bij de Raad van State mogelijk gemaakt tegen beslissingen van de Federale Raad van Beroep aangaande inschrijvingen, waarbij de wetgever eveneens het begrip “hoger beroep” gebruikt terwijl, indien het zou gaan om een IX-4970-8/14 beslissing van een administratieve overheid, het begrip “verzoek tot nietigverklaring” zou zijn gebruikt; 2.2.
  19. Overwegende dat de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot nietigverklaring van akten en reglementen van Belgische administratieve overheden; dat daarnaast beslissingen welke in laatste aanleg door administratieve rechtscolleges zijn gewezen in beginsel door cassatieberoep bij de Raad van State worden bestreden, welke bevoegdheid wordt geput uit artikel 14, § 2, van dezelfde gecoördineerde wetten; dat de verwerende partijen terecht opmerken dat krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, enkel de akten of reglementen van administratieve overheden welke vatbaar zijn voor vernietiging krachtens artikel 14, § 1, in hun uitvoering kunnen worden geschorst en dus niet de jurisdictionele beslissingen van een administratief rechtscollege, bedoeld bij voornoemd artikel 14, § 2; dat derhalve de vraag rijst of de bestreden beslissing niet onder die laatste categorie valt; 2.2.
  20. Overwegende dat artikel 5, vijfde lid, van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten bepaalt dat de beslissingen van de Federale Raad van Beroep voor het Hof van Cassatie kunnen worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, hetgeen de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit; dat volgens het laatste lid van dat artikel echter “om beroep aan te tekenen tegen een inschrijving op het tableau van de titularissen, (...) de beslissingen die in beroep werden genomen in hoger beroep bij de Raad van State (kunnen) worden aangevochten”; dat blijkens de parlementaire voorbereiding daarmee bedoeld is dat beslissingen van de Federale Raad van Beroep betreffende een aanvraag tot inschrijving aangevochten kunnen worden voor de Raad van State; dat het te dezen om een dergelijke beslissing gaat; 2.2.
  21. Overwegende dat een administratief rechtscollege kan worden omschreven als een door de wet ingesteld orgaan dat met de publiekrechtelijke taak van rechtspraak is belast; dat of zulks de wil van de wetgever is direct of soms indirect uit de tekst valt af te leiden; dat te dezen, doordat tegen de andere beslissingen dan die welke voor de Raad van State kunnen worden bestreden een cassatieberoep bij het Hof van Cassatie openstaat, de Federale Raad van Beroep wanneer hij zulke beslissingen neemt moet worden beschouwd als een administratief IX-4970-9/14 rechtscollege; dat echter niet uitdrukkelijk is bepaald dat het beroep bij de Raad van State tegen de beslissingen zoals de hier bestredene, een administratief cassatieberoep is; 2.2.
  22. Overwegende dat de wil van de wetgever ook afgeleid kan worden uit andere gegevens, zoals uit de parlementaire voorbereiding van de wet of aan de hand van een aantal criteria, waaraan niet steeds een zelfde belang kan worden gehecht en welke in hun samenhang moeten worden gezien om tot een kwalificatie te komen; dat de verwerende partij er aldus een aantal opsomt: de organisatie en samenstelling van het betrokken orgaan -magistraten en personen die niet door hun gelijken worden verkozen - de procedurevoorschriften die door het betrokken orgaan moeten worden nageleefd, onder meer inzake de mogelijkheid van tegenspraak, de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak, de verplichting om te beslissen en om de beslissing met redenen te omkleden; dat voorts een administratieve jurisdictionele beslissing geen algemene en als regel geldende beschikking kan uitmaken en zij zich in principe beperkt tot het nagaan of de toepasselijke rechtsregel werd nageleefd; 2.2.
  23. Overwegende dat die gegevens hier weinig dienend zijn om uit te maken of de Federale Raad van Beroep als zodanig een administratief rechtscollege is, aangezien daarover geen twijfel bestaat in zoverre hij beslissingen neemt die voor het Hof van Cassatie kunnen worden bestreden; dat zijn beslissingen als die welke verzoeker bestrijdt daarentegen, objectief gezien veeleer het kenmerk vertonen van gewone administratieve rechtshandelingen : de Federale Raad van Beroep spreekt zich daarin, in tweede aanleg weliswaar, uit over de aanvraag om tot de uitoefening van een gereglementeerd beroep toegelaten te worden; dat ofschoon de voorwaarden daartoe tamelijk nauwkeurig zijn bepaald, de Federale Raad van Beroep, zoals de Federale Raden van landmeters-experten, toch over een zekere discretionaire beoordelingsbevoegdheid lijkt te beschikken, inzonderheid waar hij de gelijkwaardigheid van bepaalde diploma’s dient te beoordelen, zoals bedoeld in artikel 2, 1/, f, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert; dat er geen geschil is tussen de aanvrager en een andere partij, zoals een Orde of Instituut van landmeters-experten; dat het gaat om een rechtscheppende, geen louter rechtserkennende handeling, aangezien zonder positieve beslissing het beroep niet mag worden uitgeoefend; dat het veeleer in de lijn van de logica zou liggen het beroep bij de Raad van State daartegen te beschouwen IX-4970-10/14 als een annulatieberoep zoals geregeld bij artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 2.2.
  24. Overwegende dat ook de bewoordingen en de parlementaire totstandkoming van artikel 5, laatste lid, van de wet van 11 mei 2003 tot oprichtingen van de federale raden van landmeters-experten veeleer in die richting wijzen; dat de tekst vermeldt “hoger beroep” bij de Raad van State, welke term weliswaar ook niet adequaat is aangezien hij zou kunnen verwijzen naar een beroep met volle rechtsmacht, maar die blijkens de parlementaire stukken verkozen werd boven “cassatieberoep” bij de Raad van State zoals voorgesteld door de Juridische Dienst van de Kamer van Volksvertegenwoordigers; dat een bepaling volgens welke de anders samengestelde Federale Raad van Beroep zich na vernietiging schikt naar de beslissing van de Raad van State, ontbreekt, terwijl zij wel uitdrukkelijk is geformuleerd ten aanzien van de uitspraken van het Hof van Cassatie; dat tijdens de plenaire bespreking de indiener van het oorspronkelijke amendement dat het nieuwe en huidige laatste lid van artikel 5 werd, stelde dat tegen bepaalde beslissingen, zoals de weigering van inschrijving, in de mogelijkheid van beroep is voorzien bij de Raad van State, “hetgeen uiteraard een snellere en minder kostelijke procedure (is) dan bij het Hof van Cassatie”(Hand. Kamer, CRIV 50 PLEN 338, 19/03/2003, p. 55); dat dit laatste vooral zin lijkt te hebben wanneer men aanneemt dat het gaat om een gewoon annulatieberoep met als mogelijk complement een vordering tot schorsing van de weigeringsbeslissing; 2.2.
  25. Overwegende dat het grondwettelijk voorschrift volgens welk administratieve rechtscolleges enkel bij wet kunnen worden opgericht niet inhoudt dat alle bij wet opgerichte administratieve colleges ook rechtscolleges zijn; dat waarborgen voor de rechtsonderhorige en verplichting tot motiveren ook aan de organen van het bestuur kunnen worden opgelegd; 2.2.
  26. Overwegende dat in de huidige stand van het geding dan ook kan worden geconcludeerd dat de Federale Raad van Beroep niet optreedt als een rechtscollege wanneer hij beslist over de inschrijving op het tableau van de landmeters-experten, dat het beroep bij de Raad van State tegen die beslissingen geen cassatieberoep is en dat de belanghebbende de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan vorderen; dat die exceptie wordt verworpen; IX-4970-11/14
  27. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, met betrekking tot het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel verzoeker aanvoert dat hij sedert 12 oktober 1992 het beroep van landmeter-expert, eerst in dienstverband bij de NV Abetec, later als zelfstandige uitoefent; dat hij ook sedert 2004 optreedt als gerechtelijk expert; dat hij ingevolge de bestreden beslissing niet langer de “titel van beëdigd landmeter-expert mag dragen” en dat een “dergelijke beslissing (...) logischerwijze ook een aanzienlijke weerslag (heeft) op (zijn) economische rendabiliteit en leefbaarheid”; dat hij hierbij een tabel heeft opgesteld waaruit een constante progressie blijkt van het aantal processen-verbaal van afpaling; dat hij gedurende meer dan 7 jaar op een zorgvuldige wijze een cliënteel heeft opgebouwd en het vertrouwen heeft gewonnen van “zowel natuurlijke en rechtspersonen als gerechtelijke instanties”; dat het verlies van de titel van beëdigd landmeter-expert niet enkel het verlies aan opdrachten tot afpaling met zich meebrengt doch ook van zijn andere activiteiten; dat hij door de bestreden beslissing zijn “eer en goede naam” verliest; dat ook “de mogelijkheden om op te treden als gerechtelijk expert (...) op ernstige wijze (worden) beknot”; Overwegende dat de verwerende partij daarop in essentie antwoordt dat wijl de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat verzoeker het beroep van landmeter-expert niet kan uitoefenen dit niet betekent dat hij het hoofdaandeel van zijn inkomsten verliest; Overwegende dat in de regel een nadeel als ernstig en moeilijk te herstellen wordt bestempeld indien een verzoeker plots zijn inkomen verliest omdat hij door een beslissing zijn beroep niet meer kan of mag uitoefenen en hij, en in voorkomend geval zijn gezin, hierdoor in een precaire toestand kan terechtkomen; dat verzoeker in deze aanvoert dat het jaarlijks aantal processen-verbaal van afpaling gestadig is gegroeid; dat hij echter nalaat aan te geven welk aandeel de processen- verbaal van afpaling hebben in zijn gehele beroepsactiviteit; dat immers uit de door IX-4970-12/14 hem voorgebrachte stukken blijkt dat hij in feite niet alleen optreedt als landmeter- expert doch ook als schatter, stedenbouwkundige en expert onroerende goederen; dat de door hem behaalde diploma’s van ondernemersopleiding voor het beroep van vastgoedexpert en stedenbouwkundige alsmede de gevolgde vervolmakingscursussen van gerechtelijk expert, zonevreemde woningen en bedrijven, wijzen op interesse voor beroepsactiviteiten die duidelijk veelzijdiger is dan alleen de activiteit als landmeter-expert; dat verzoeker zelf blijkbaar veel belang stelt in zijn opdrachten als gerechtelijk expert; dat hij zijn activiteiten trouwens uitoefent onder de naam “expertisebureau Martens”, wat ook duidt op andere activiteiten dan louter in die van het “landmeten”; dat bijgevolg op het eerste gezicht het aandeel van zijn activiteiten als landmeter-expert in het totaal van zijn activiteiten in de vastgoedsector niet van die aard lijkt dat het wegvallen ervan voor verzoeker een inkomensverlies zou teweegbrengen waardoor hij, en in voorkomend geval zijn gezin, in een zodanig precaire situatie zouden terechtkomen dat alleen de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een uitkomst zou kunnen bieden; dat daarenboven bij een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing de inkomensderving als gevolg van die beslissing niet zo moeilijk te becijferen zal zijn aangezien verzoeker reeds precieze cijfers kan voorleggen over zijn activiteiten als landmeter-expert tussen 1998 en 2005; dat voorts op het eerste gezicht het louter niet kunnen voeren van de titel van landmeter-expert geen effect kan hebben op aanstellingen als gerechtelijk deskundige; dat zulks ook het geval is voor de andere activiteiten die verzoeker uitoefent; dat bijgevolg verzoekers aangevoerde moreel nadeel van het verlies van zijn “eer en goede naam” sterk overtrokken is, zodat dit aangevoerde moreel nadeel op een afdoende wijze kan hersteld worden door de morele genoegdoening die een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing zal teweegbrengen; dat ten slotte vastgesteld wordt dat verzoeker geruime tijd heeft laten voorbijgaan alvorens zijn verzoekschrift in te dienen, dat ook dit erop wijst dat hijzelf niet zo zwaar tilt aan zowel zijn aangevoerd moreel als materieel nadeel; dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in die omstandigheden niet is vervuld, IX-4970-13/14 BESLUIT: Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4970-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.276 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.