id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.277 Rolnummer: A. 98801/IX-2688 Zaak: Arrest 160277 - - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 22:17 Fiche Arrest nr 160.277 van 19 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.277 van 19 juni 2006 in de zaak A. 98.801/IX-
- In zake : Rob CROONENBORGS, die woonplaats kiest bij advocaten G. VAN GRIEKEN en N. HOUSSIAU, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rob CROONENBORGHS op 27 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 3 september 2000 waarbij hij met ingang van 27 september 2000 wordt benoemd in de graad van onderluitenant-beroepsofficier, met terugwer- kende kracht inzake anciënniteit voor de bevordering tot 27 september 1997; Gelet op het arrest nr. 132.066 van 7 juni 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermee wordt belast het onderzoek van de zaak voort te zetten; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2006; IX-2688-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN GRIEKEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van kapitein V. DE SAEDELEER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 132.066 van 7 juni 2004; dat de verwerende partij inmiddels aan de Raad van State stukken overgelegd heeft waaruit blijkt dat het Militair Gerechtshof verzoeker op 22 januari 2003 veroordeeld heeft tot de afzetting wegens insubordina- tie doordat hij geen gevolg gegeven heeft aan het bevel, op 5 juni 2002, van zijn meerdere om zich onmiddellijk en langs de kortste weg bij zijn eenheid te voegen, dat dit arrest op 24 juni 2003 gezag van gewijsde gekregen heeft, dat verzoeker ingevolge die strafrechtelijke veroordeling met ingang van 1 september 2003 teruggeplaatst is in de graad van soldaat-beroepsvrijwilliger en dat het voorstel geformuleerd is om hem, ten gevolge van zijn strafrechtelijke veroordeling, de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen; 2.
- Overwegende dat, zoals sub 2.
- van het bovenvermeld arrest nr. 132.066 is gesteld, verzoeker zijn belang bij het beroep ziet in de vernietiging van een beslissing die hem tegen zijn wil de hoedanigheid van militair van het actief kader toekent; Overwegende dat met het arrest nr. 132.066 van 7 juni 2004 de heropening van de debatten bevolen is omdat het onderzoek van de exceptie van de verwerende partij, waarin zij aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van een beslissing waarbij hij uiteindelijk verkreeg wat hij sinds de ondertekening van een dienstverbintenis precies nastreefde -te weten een opname in het kader van de beroepsofficieren- verbonden is met het antwoord op het eerst aangevoerd middel waarin verzoeker precies betoogt dat zijn dienstverbintenis van vijf jaar, aangegaan op 16 augustus 1995, op 16 augustus 2000 ten einde gelopen is, IX-2688-2/6 zodat de verwerende partij hem vanaf 17 augustus 2000 geen benoeming of aanstelling meer kon verlenen en het bestreden besluit aldus de bestaande reglemente- ring met betrekking tot de benoeming tot beroepsofficier en de aanstelling tot kandidaat-militair miskent; Overwegende dat, in geval de Raad van State zou vaststellen dat, in strijd met wat verzoeker voorhoudt, de hoedanigheid van militair van het actief kader hem niet door het bestreden besluit wordt toegekend, hij inderdaad geen belang heeft bij de vernietiging van dat besluit, aangezien hij zich dan verzet tegen een beslissing die hem, binnen zijn status van militair, een voordeel toekent; 2.
- Overwegende dat het Militair Gerechtshof in zijn arrest van 22 januari 2003 uitspraak gedaan heeft over de rechtsvraag die verzoeker in het eerste middel aan de orde stelt, met name doordat het, waar het een antwoord formuleert op het middel dat hij op 5 juni 2002 geen insubordinatie kon begaan aangezien zijn dienstverbintenis van 16 augustus 1995 “vijf kalenderjaren later ipso facto een einde nam zodat hij geen militair in actieve dienst meer zou zijn sedert medio 2000 en hij niet langer meer, op 5 juni 2002, met een dienst kon worden belast”, gesteld heeft wat volgt: “Dat artikel 17 van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader (Belgisch Staatsblad 12 januari 1991), de Koning machtigt om de dienstneming en de wederindienstneming van de kandidaat-beroepsofficieren te regelen; Dat de Koning, meer bepaald, de duur van een dienstneming vaststelt in functie van de type van vorming en de personeelscategorie; Dat hij zulks, ten aanzien van de kandidaten-industriële ingenieurs, deed in het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, meer bepaald in artikel 28, 4/, van dit besluit; Dat overeenkomstig artikel 22, eerste lid, 1/, van voornoemde wet van 21 december 1990, de vorming van de kandidaat pas eindigt bij zijn opname in de categorie van het beroeps- of aanvullingspersoneel waarvoor hij gevormd werd. (...) Dat dit alles evenmin wordt beïnvloed door het feit dat beklaagde geen akte van wederindienstneming heeft ondertekend; Dat ook al deed beklaagde dit niet, hij nog steeds gehouden blijft door de juridische gevolgen die voortvloeien uit de akte die hij op 16 augustus 1995 onderschreef; Dat de verdediging dus volkomen onterecht stelt dat deze akte geen rechtsgevolgen meer kan hebben nu de periode van vijf jaar ‘dienst’ voorbij is.” Overwegende dat aldus de vraag rijst of het Militair Gerechtshof daarmee erga omnes vastgesteld heeft dat verzoeker ook na 16 augustus 2000 de IX-2688-3/6 hoedanigheid van militair, meer bepaald kandidaat-beroepsofficier, behouden heeft en deze rechterlijke uitspraak belet dat de Raad van State zich nogmaals over dezelfde rechtsvraag kan uitspreken; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie verwijst naar onder meer het arrest van 17 februari 2003, nr. 116.004 inzake MERTENS; dat hij betoogt dat in dat arrest aangenomen is dat de vernietiging van een aangevraagde ontslagmaatregel een eerste maar onmisbare stap kan vormen om de herziening van de strafrechtelijke uitspraak te verkrijgen, dat hij zich in een vergelijkbare situatie bevindt en dat bijgevolg, eens een annulatiearrest erga omnes en ex tunc vastgesteld zal hebben dat hij in 2000 niet kon benoemd worden, hij de herziening zal kunnen vragen van zijn strafrechtelijke veroordeling -omdat hij op 5 juni 2002 geen militair meer was- en aansluitend daarbij van de daarop gevolgde administratieve beslissin- gen; dat hij in dat verband ook stelt dat een overweging in een arrest van het Militair Gerechtshof de Raad van State niet moet beletten om zich over zijn beroep uit te spreken; dat hij, wat het verwachte voordeel betreft, ook nog betoogt dat een vernietigingsarrest terugwerkt tot de datum van de bestreden beslissing, terwijl het ontnemen van zijn graad van onderluitenant slechts gebeurd is vanaf de uitspraak van het Militair Gerechtshof; dat hij tenslotte, rekening houdend met de waarborgen die de artikelen 12 en 182 van de Grondwet hem verlenen, betwist dat de bestreden beslissing voor hem een gunstige beslissing zou zijn en in dat verband verwijst naar zijn weigering om een verlenging van zijn dienstverbintenis aan te gaan; 2.4.
- Overwegende dat de Raad van State gebonden is door de uitspraak van de strafrechter waarbij deze vastgesteld heeft dat verzoeker zich schuldig gemaakt heeft aan insubordinatie; dat de Raad van State het gezag van het arrest van 22 januari 2003 zou miskennen indien hij thans, in het kader van het onderzoek van de wettigheid van de beslissing waarbij hij op het einde van zijn opleiding tot beroepsofficier benoemd wordt, zou aannemen dat verzoeker reeds sinds 17 augustus 2000 de hoedanigheid van militair niet meer bezit; dat hij, aldus bezien, ten aanzien van het eerste middel ook niet anders kan dan vaststellen dat verzoeker na 16 augustus 2000 de hoedanigheid van militair behouden heeft en dat hij geen eigen onderzoek aan het middel kan wijden; dat het middel niet ontvankelijk is; 2.4.
- Overwegende dat, in zoverre verzoeker verwijst naar het arrest nr. 116.004 inzake MERTENS, waarin de Raad van State zich moest uitspreken over de wettigheid van de weigering om de verzoeker verlof of ontslag uit de krijgsmacht IX-2688-4/6 te verlenen en hij bij het onderzoek van het belang van die verzoeker vastgesteld heeft dat een vernietiging van de weigeringsbeslissing mogelijk een eerste stap kon zijn om de herziening van de strafrechtelijke veroordeling wegens desertie te vragen, aangezien het bestuur na de vernietiging een nieuwe beslissing zal moeten nemen die mogelijk gunstig voor de verzoeker kon zijn; dat evenwel in dit geval het arrest van het Militair Gerechtshof verhindert dat de Raad van State diezelfde vaststelling maakt, aangezien een essentiële component van de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker -die aldus gezag van gewijsde bezit- de vaststelling is dat hij in 2002 nog de hoedanigheid van militair bezat en die vaststelling van de strafrechter de Raad van State bindt, zodat hij in de juridische onmogelijkheid is om zelf nog vast te stellen of verzoeker na 16 augustus 2000 de hoedanigheid van militair behouden heeft; dat in de zaak MERTENS de strafrechter geen dergelijke bindende vaststellingen heeft gemaakt en dat in dat geval de beoordeling van de wettigheid van het aangevraagde verlof en ontslag niet gelinkt was aan de strafrechtelijke veroordeling; 2.4.
- Overwegende dat het feit dat verzoeker ook na 16 augustus 2000 de hoedanigheid van militair behouden heeft een juridisch gegeven is waar de Raad van State verplicht rekening mee moet houden; dat, met dat gegeven voor ogen, een vernietiging van het bestreden besluit aan verzoeker geen enkel voordeel kan opleveren wat betreft het verlies van de hoedanigheid van officier, die hem ontnomen is op 1 september 2003; Overwegende dat verzoeker gewis tot de vaststelling gekomen kan zijn dat de bestreden beslissing hem niet zint, maar dat hij de verwijzing naar zijn grondrechten en naar de grondwettelijke garantie dat zijn statuut door de wet geregeld is niet meer relevant bij de zaak kan betrekken, aangezien zijn stelling dat het bestreden besluit hem de hoedanigheid van militair verleent, niet opgaat; 2.4.
- Overwegende dat de bestreden beslissing het eindpunt vormt van de opleiding die verzoeker vrijwillig aangegaan heeft en die de verwerende partij hem, gelet op zijn statuut van militair dat hij aangegaan heeft door het vrijwillig ondertekenen van een dienstverbintenis, kon verlenen; dat, nu verzoeker tot aan het treffen van het bestreden besluit steeds militair gebleven is, de verwerende partij terecht stelt dat, binnen die hoedanigheid van militair, de bestreden beslissing hem een voordeel toekent; dat hij dan ook geen belang heeft bij de vernietiging ervan; IX-2688-5/6 2.
- Overwegende dat het beroep bij gebrek aan persoonlijk belang niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2688-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.277 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.