id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.279 Rolnummer: A. 158890/IX-4750 Zaak: Arrest 160279 - - 19/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 22:17 Fiche Arrest nr 160.279 van 19 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.279 van 19 juni 2006 in de zaak A. 158.890/IX-
- In zake : Johan JONCKHEERE, die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegen- woordigd door de afgevaardigd bestuurder. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan JONCKHEERE op 3 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van SELOR, hem medegedeeld bij brief van 29 oktober 2004, waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard voor deel 2 van de schriftelijke proef van het examen voor de aan- werving van vertalers-revisoren Nederlands-Frans-Engels; Gelet op het arrest nr. 144.248 van 9 mei 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 1 juni 2005 door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-4750-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 februari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 27 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU die, loco advocaat W. VAN DER GUCHT verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker heeft deelgenomen aan de selectie ANG04809 voor vertaler-revisor (Nederlands-Frans-Engels) voor alle federale overheidsdiensten, instellingen van openbaar nut, instellingen van sociale zekerheid, instellingen voor wetenschappelijk onderzoek en voor het ministerie van Defensie die door SELOR werd georganiseerd in de loop van
- Het gaat om een vergelijkend examen dat leidt tot een werfreserve die twee jaar geldig is. Het examen bestaat uit een schriftelijke proef die twee delen bevat: deel 1 betreft de vertaling en de revisie van een tekst van algemene aard uit het Frans naar het Nederlands; deel 2 betreft de vertaling en revisie van een Engelse tekst. Om te slagen moet de kandidaat op de beide examengedeelten 12 punten op 20 behalen. 1.
- Verzoeker slaagt in de schriftelijke proef Frans-Nederlands waarvoor hij 14,75/20 behaalt. Hij mislukt evenwel op de proef Engels-Nederlands. Hij behaalt slechts 9/20 en wordt op 28 oktober 2004 dan ook niet geslaagd verklaard. IX-4750-2/11 Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt hem meegedeeld met een brief van 29 oktober 2004 waarin de punten vermeld zijn die hij behaalde. 1.
- In antwoord op een mail van verzoeker van 5 november 2004 deelt SELOR hem met een brief van 16 november 2004 de motieven mee die de punten ondersteunen. Deze motieven luiden als volgt : “Het tweede schriftelijke gedeelte (Nederlands-Engels) van bovenstaande selectie bestond uit twee gedeelten. Een gedeelte vertaling en een gedeelte revisie. Om te slagen diende men minstens 12 op 20 te behalen. De schriftelijke proef werd verbeterd door twee van elkaar onafhankelijke correctoren. Uw resultaat : Vertaling : 10/20 Revisie : 08/20 Gemiddelde : 09/20 Motivatie van de selectiecommissie : Vertaling : De selectiecommissie beschreef uw vertaling als volgt. De tekst werd vrij goed in het Nederlands omgezet, maar de kwaliteit van het Nederlands laat soms te wensen over. U maakte in uw vertaalwerk fouten tegen woordkeus, congruentie, woordvolgorde, verwijzing en verbinding, spelling... Revisie : In de tekst werden 12 fouten met verschillend gewicht opgenomen. U hebt er 5 correct verbeterd. Indien u wenst kan u verder inzage krijgen in de selectieproef die u aflegde. Daartoe dient u contact op te nemen met de selectiedeskundige via boven- vermeld telefoonnummer om een afspraak te maken”.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert, waarin hij globaal genomen verwijst naar de schending van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene beginselen van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschappen en de Gewesten en de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (het APKB), van het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de formele moti-veringswet en van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’; Overwegende dat verzoeker op geen enkele wijze verduidelijkt op welke wijze het bestreden besluit de bijzondere wet van 8 augustus 1980 of het APKB zou miskennen; dat het middel wat dat betreft niet ontvankelijk is; dat voor het overige, verzoeker zijn enig middel opsplitst in drie onderdelen, die verband houden met de overige in het middel genoemde rechtsnormen; IX-4750-3/11 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het middel de schending aanvoert van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, doordat de verwerende partij het laat voorkomen alsof de proef door twee onafhankelijke correctoren verbeterd zou zijn, terwijl uit een grondige studie van het administratief dossier blijkt dat er geen sprake is geweest van een dubbele verbetering en dergelijke dubbele correctie nochtans zinvol ware geweest aangezien de tweede corrector “in één oogopslag” de vergissingen begaan door de eerste corrector gedetecteerd zou hebben; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar terecht op antwoordt dat het administratief dossier stukken bevat die aantonen dat de examencommissie samengesteld was overeenkomstig de geldende reglementering en dat, wat de verbetering van het examen betreft, ieder jurylid eigenhandig een puntentabel en een motiveringsfiche opgesteld heeft; dat uit die stukken blijkt dat elk jurylid wel degelijk het werk van verzoeker beoordeeld heeft; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van zijn enig middel aanvoert dat de verbetering van zijn vertaling uit het Engels onregelmatig is, enerzijds omdat de verbetering niet gebeurd is aan de hand van een leidraad -wat betekent dat de verbetering “willekeurig” gebeurd is- en anderzijds omdat de verbetering “bijzonder slordig en zelfs verkeerd is gebeurd” zodat de motivering van zijn resultaat op dat vlak “totaal niet afdoende (is, aangezien zij) gebaseerd is op fouten die er geen zijn”; dat hij in herinnering brengt dat de examenjury zich op het standpunt geplaatst heeft dat hij de Engelse tekst vrij goed in het Nederlands had omgezet maar dat de kwaliteit van het Nederlands te wensen overliet, dat die conclusie het resultaat is van een kennelijk onzorgvuldige verbetering van zijn proef, aangezien er op het Nederlands dat hij gebruikte niets aan te merken viel en aangezien dertien van de negentien fouten die hem aangerekend werden in werkelijkheid geen fouten waren; dat hij dan een uitvoerige bespreking wijdt aan de “meest in het oog springende en dus meest flagrante fouten” die de correctoren gemaakt hebben, zulks “aan de hand van vakliteratuur waar mogelijk ondersteund door het oordeel van vooraanstaande neerlandici” en dat hij op grond daarvan besluit dat hij “geen enkele grammaticale fout gemaakt (heeft)” -wat betekent dat de beslissing verkeerd gemotiveerd is waar zij verwijst naar “fouten tegen congruentie, woordvolgorde en verwijzing en verbinding”- en dat de examenjury onzorgvuldig gehandeld heeft door fouten aan te stippen die er geen zijn; IX-4750-4/11 Overwegende dat verzoeker in het derde onderdeel van zijn enig middel de beslissing van de examenjury aangaande zijn revisie van een vertaling op de korrel neemt; dat hij betoogt dat de examencommissie ook wat dat betreft slordig tewerk gegaan is in die zin dat zij hem voor een fout die hij aangestipt had en correct verbeterd, geen punten gegeven heeft en dat “verschillende verbeteringen niet beloond (werden) wegens beweerd niet correct”; dat hij stelt in de voorgelegde tekst geen vijf maar negen fouten ontdekt te hebben en die fouten ook correct verbeterd te hebben -hij verwijst naar de fouten S1, S2 en C2 en naar de fout C3 die hij ontdekt én verbeterd heeft maar waarvoor hem geen punten zijn toegekend-; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de selectiecommissie bij de argumenten die in het verzoekschrift zijn aangevoerd een aantal opmerkingen geformuleerd heeft die in het kader van de kortgeding-procedure materieel niet aan de Raad van State voorgelegd zijn kunnen worden; dat zij dan specifiek ingaat op de verbetering van de examenkopij van verzoeker, zowel wat de vertaling als de revisie van de vertaling betreft, en de standpunten van de selectiecommissie verduidelijkt; Overwegende aldus, wat de verbetering van de vertaling betreft, dat de verwerende partij de kritieken van verzoeker op het werk van de examenjury een voor een -en zulks op basis van specifiek taalkundige gegevens- tegenspreekt of weerlegt; dat, wat de revisie betreft, de verwerende partij erkent dat verzoeker ten onrechte voor de fout C3, die hij gezien had én correct verbeterd, geen punten heeft gekregen, maar dat zij er voorts toch op wijst dat de examenjury “vier categorieën hinderlagen” in de proef had ingebouwd, dat zij daarvoor een modelantwoord opgesteld had en dat van de kandidaten een tweeledig antwoord verwacht werd, met name dat zij de fouten in de tekst zouden aanduiden én dat zij ook een verbetering zouden voorstellen; dat zij dan uiteenzet welk modelantwoord de examenjury verwachtte op de in de proef ingebouwde fouten en de aan verzoeker toegekende punten linkt aan dat modelantwoord; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de uitleg van de verwerende partij tegenspreekt, opnieuw met uitvoerige verwijzingen naar door hem geraadpleegde deskundigen; dat hij dan concludeert dat, waar de commissie zijn vertaling fundamenteel positief geëvalueerd heeft maar zij dan toch aangenomen heeft dat het positieve tenietgedaan was door “grammaticale en terminologische fouten tegen het Nederlands”, uit zijn argumentatie blijkt dat hij geen IX-4750-5/11 enkele grammaticale fout gemaakt heeft en dat een groot aantal van de vermeende terminologische fouten slechts de “ongefundeerde persoonlijke opinie van de corrector weerspiegelen”; dat hij daar nu aan toevoegt dat er weinig met zijn taalbeheersing verkeerd kan zijn aangezien hij op grond van zijn resultaat in de eerste proef -vertaling uit het Frans- in contractueel verband door de overheid aangeworven is en dat hij daar vertaalwerk “van zeer hoog niveau uitvoert” dat lofprijzingen van collega’s en meerderen oproept en hem bijzondere opdrachten opgeleverd heeft; dat hij, wat de revisieproef betreft, uiteenzet waarom de door hem voorgestelde verbeteringen, die hem als fout aangerekend zijn, toch niet verkeerd zijn; dat hij daar aan toevoegt dat, waar de examenjury zijn verbetering van de fouten S1 en S2 niet “ad rem” vond, zij voor de verbetering haar eigen beoordeling als de enig juiste vooropgesteld heeft, dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een revisor voor slechts vijf van de negen ontdekte fouten een geldige verbetering zou kunnen voorstellen, nu de kennis van de correcte oplossing inherent verbonden is met het ontdekken van fouten; dat hij ook nog herhaalt dat hij een aantal onzorgvuldigheden ontdekt en gecorrigeerd heeft maar dat hij daarvoor niet beloond werd omdat de corrector de fouten niet had opgemerkt; dat hij besluit dat hij de fouten met codes S1, S2, C2 en C3 wel goed verbeterd heeft; 4.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag gesteld heeft dat, wat de vertaling betreft, het aannemen van een bepaalde stelling door de examencommissie in een onder taalkundigen betwiste aangelegenheid, niet onregelmatig is wanneer voldoende blijkt dat het inderdaad om een controversieel punt gaat, maar dat de verwerende partij in dit geval onvoldoende aantoont dat ook haar standpunten gedragen worden door deskundigen terwijl ook de taalkundige redenering die zij aankleeft niet steeds correct lijkt te zijn; dat hij besluit dat de examenjury haar beoordeling van de aan verzoeker aangerekende fouten onvol- doende verantwoord heeft; dat, wat de revisie betreft, de auditeur-verslaggever opgemerkt heeft dat de examenjury heeft aangenomen dat verzoeker voor 7 van de 12 ingebouwde fouten geen correcte verbetering voorstelde (de fouten V2, V3, G3, C2, C3, S1 en S2) maar dat verzoeker voor fout C3 wel degelijk een correcte verbetering voorstelde en de afwijzing van het antwoord voor de fouten S2 en C2 geen deugdelijke grondslag heeft, aangezien blijkt dat verzoeker de fout S2 en C2 wel degelijk had opgemerkt en ze ook verholpen heeft op een wijze die zijn adviserende deskundigen correct bevinden; IX-4750-6/11 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie de stelling van de auditeur-verslaggever betwist; dat zij, wat de vertaling betreft, betoogt dat het uitlokken, door verzoeker, van “altijd welwillend advies” toch niet kan volstaan om te gewagen van “andere opvattingen” die niet zonder deskundig tegenbewijs mogen afgestraft worden; dat zij, wat de revisie betreft, nog uiteenzet wat volgt: ten onrechte heeft de jury voor de ingevoerde “moedwillige onvolkomen- heid” nr. C3, verzoeker geen punten gegeven en zijn resultaat moet in functie daarvan gecorrigeerd worden (met name behaalt hij dan 10 punten op 20 voor de revisie maar dat volstaat nog niet om geslaagd te zijn); de fout S2 was bedoeld om de semantische gevoeligheid van de kandidaten te testen en hen ertoe te brengen het woord “weet” achteraan bij de infinitief “te leiden” te plaatsen en verzoeker heeft het probleem niet opgemerkt; de fout C2 was bedoeld om na te gaan of de kandidaten het Engelse “or so” zouden vertalen met een “anglicisme” -“of zo”- dan wel met woorden die in het Nederlands beter worden gebruikt om een relativering van wat voorafgaat te veruitwendigen; 4.6.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat aan de hem toegekende punten geen deugdelijke motieven ten grondslag liggen; dat met het examen waaraan verzoeker deelgenomen heeft, gepeild is naar de kennis van de kandidaten; dat het resultaat voor dergelijk examen in beginsel verantwoord wordt door de behaalde punten; dat die punten alleen dan niet volstaan wanneer de verzoeker aannemelijk maakt dat de toegekende punten niet beantwoorden aan de prestatie die hij geleverd heeft zodat ernstige twijfel bestaat over de juistheid van de behaalde punten; Overwegende dat de examencommissie discretionair het werk van de examinandi beoordeelt; dat de Raad van State de beoordeling van de examen- commissie niet mag overdoen; dat hij enkel kan optreden wanneer de commissie zich bij haar beoordeling of bij het toekennen van de punten klaarblijkelijk vergist heeft; 4.6.
- Overwegende, wat de vertaling betreft, dat de omstandigheid dat de examenjury geen leidraad opgesteld heeft voor de verbetering en dat zij de verbetering van de examenkopijen niet aan een modelantwoord getoetst heeft, niet betekent dat zij willekeurig of onzorgvuldig tewerk gegaan is; dat voorts ook niet blijkt dat de punten van verzoeker -10 op 20- mathematisch gelinkt zijn aan een aantal precieze passages uit zijn werk die hem als een foutieve vertaling worden aangerekend; dat, integendeel, deze punten het resultaat blijken te zijn van een globale beoordeling van de vertaling; dat verzoeker niet betwist dat de examen- IX-4750-7/11 commissie de toegekende punten verantwoordt met de verwijzing naar “fouten tegen woordkeus, congruentie, woordvolgorde, verwijzing en verbinding, spelling, ...”; dat binnen het raam van de marginale toetsingsbevoegdheid waarover de Raad van State beschikt te dien aanzien dan de vraag rijst of, afgaande op de kritiek van verzoeker, de examencommissie kennelijk onredelijk gehandeld heeft door hem toch maar 10 punten op 20 toe te kennen; 4.6.2.
- Overwegende dat verzoeker zijn kritiek op de verbetering van zijn kopij toespitst op een aantal precieze passages uit zijn vertaalwerk die de examen- commissie verkeerd zou hebben bevonden; dat de verwerende partij de punctuele kritiek van verzoeker in verband stelt met de visie die zij over die problematiek heeft; dat gewis die visie niet onderbouwd wordt met verwijzingen naar wetenschappelijke studies, dat de verwerende partij ook niet aantoont dat zij bij de verbetering alleen maar normen gehanteerd heeft die bij linguïsten buiten elke betwisting staan, maar dat een examencommissie onmiskenbaar de vrijheid heeft om in aangelegenheden waarover binnen de deskundigenwereld geen eensgezindheid bestaat, een eigen standpunt aan te houden en de examinandi daarop af te rekenen; dat verzoeker zijnerzijds in ieder geval niet aantoont dat de opstelling van de verwerende partij kennelijk onjuist is of dat zij binnen de groep van de taalkundigen niet gangbaar is; dat hij in zijn memorie van wederantwoord wel het gelijk van zijn eigen vertaling bepleit, maar dat hij daarmee niet aantoont dat de examencommissie haar discretio- naire bevoegdheid bij de beoordeling van zijn kopij overschreden zou hebben en dat, in de enkele gevallen waarin hij samen met zijn adviseurs-linguïsten stelt dat de examencommissie zich echt vergist heeft -het ten onrechte aanrekenen als fout van de vertaling van het woord “because” door “omdat”; het niet aanvaarden van de woorden “bedekken”en “beweren” als vertaling van het Engelse “daub” en “argue”- in ieder geval vastgesteld kan worden dat de punten voor de vertaling het resultaat zijn van een globale beoordeling van het werk van verzoeker, dat zij dus niet gelinkt zijn aan een bepaald aantal aangerekende fouten en dat in redelijkheid niet aangeno- men kan worden dat de examencommissie, had zij de zogenaamde vergissingen niet begaan, verzoeker globaal gunstiger dan met 10 punten op 20 beoordeeld zou hebben; 4.6.2.
- Overwegende dat, rekening houdend met de argumenten waarmee de verwerende partij in de memorie van antwoord en in haar laatste memorie de kritiek van verzoeker op de verbetering van zijn vertaling weerlegt, de Raad van State niet kan besluiten dat de examencommissie de grenzen van haar discretionaire IX-4750-8/11 beoordelingsbevoegdheid overschreden heeft en dat zij kennelijk onredelijk gehandeld heeft door verzoeker 10 punten op 20 toe te kennen; 4.6.
- Overwegende, wat de verbetering van de revisie betreft, dat de examencommissie vooraf zelf in de opgave die aan de kandidaten voorgelegd zou worden een aantal -twaalf- “hinderlagen” ingevoerd heeft, bestaande uit vier categorieën, elk met een eigen waarde voor een totaal van 20 punten -woordenschat (V met vier fouten ter waarde van 1 punt elk), grammatica (G met drie fouten ter waarde van 2 punten), cohesie van de tekst (C met drie fouten ter waarde van 2 punten) en stijl/syntaxis (twee fouten ter waarde van 2 punten)-; dat zij dan de puntenverdeling integraal toegespitst heeft op de herkenning en de verbetering van die intentioneel ingevoerde fouten, wat haar toeliet de eigenlijke score van de kandidaten te herleiden tot de mathematische optelling van de punten behaald op die ingevoerde fouten; dat zij bij de verbetering nagegaan heeft of de kandidaten de ingevoerde fouten herkend hebben en of zij de fouten ook gecorrigeerd hebben overeenkomstig het opzet van de examencommissie, in welk geval de kandidaten voor die fout het gehele puntencijfer behaalde dan wel niets; 4.6.3.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte voorhoudt dat hij punten had moeten krijgen voor een aantal door hem herkende en verbeterde fouten die niet behoorden tot de twaalf vooraf ingevoerde “hinderlagen”; dat de examencommissie de grenzen van haar beslissingsbevoegdheid niet te buiten gegaan is door de werkstukken van de kandidaten enkel te beoordelen op basis van hun vermogen om de door haar ingevoerde fouten -die blijkens de uiteenzetting in de memorie van antwoord bedoeld waren om de kennis van specifieke regels te toetsen- te herkennen en te verbeteren; 4.6.3.
- Overwegende dat verzoeker uiteenzet dat de examencommissie in zijn kopij vijf van de vooraf ingevoerde hinderlagen heeft onderkend en hem daarom 8 punten op 20 toegekend heeft; dat de verwerende partij erkent dat verzoeker ook punten verdient voor zijn correcte verbetering van de fout C3; dat buiten betwisting staat dat verzoeker aldus een score van 10 op 20 realiseert; 4.6.3.
- Overwegende dat verzoeker dan de aandacht vestigt op zijn antwoord op de ingevoerde hinderlagen S1, S2 en C2; dat, wat de fout S1 betreft, de examencommissie aan het antwoord van verzoeker verwijt dat hij “een voor het Nederlands te zware constructie (hanteert)”, dat hij de constructie zelfs nog IX-4750-9/11 verzwaart en dat het antwoord dat hij gegeven heeft niet “ad rem” is in het licht van de constructie van de Nederlandse tekst zoals die haar voorstond; dat verzoeker daar, met verwijzing naar zijn adviserende deskundigen, tegen inbrengt dat de oplossing van de examencommissie onjuist is en dat zijn antwoord wel degelijk ad rem was; dat, aangezien de beoordeling van het al dan niet bestaan van een “voor het Nederlands zware constructie” van persoon tot persoon kan verschillen, niet zonder meer kan gesteld worden dat de examencommissie zich met haar opstelling vergist heeft of dat zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid overschreden zou hebben; dat, wat de fout S2 betreft, de examencommissie aan verzoeker verwijt dat hij de “overspannen tangconstructie” niet herkend heeft aangezien hij de bijeen horende woorden “weet” en “te leiden” niet dichter bij elkaar gebracht heeft; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet waarom het door hem gegeven antwoord correct is, maar dat dit antwoord geen verband houdt met de “tangconstructie” die door de examencommissie was beoogd; dat op dat vlak de examencommissie terecht heeft kunnen besluiten dat verzoeker de fout niet correct verbeterd heeft en dat hij derhalve daarvoor geen punten kreeg; dat, wat de fout C2 betreft, de examencommissie aan verzoeker verwijt dat hij de ingevoerde fout niet gezien blijkt te hebben aangezien hij een typisch Engelse uitdrukking “or so”, gebruikt in een verduidelijkende zin, vertaald heeft met het anglicisme “of dat”; dat de bijkomende uitleg die de verwerende partij ter zake geeft de kritiek van verzoeker terdege weerlegt; 4.6.3.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat de examencommissie zich kennelijk onredelijk opgesteld heeft door de revisieproef toe te spitsen op het ontdekken en in de gewenste zin corrigeren van een bepaald aantal vooraf ingebouw- de fouten; dat, waar de examencommissie bij de verbetering van de fouten over een discretionaire bevoegdheid beschikte, haar geen kennelijk onredelijk standpunt kan verweten worden; dat de toegekende punten rechtstreeks verbonden zijn met het aan verzoeker aangerekende aantal fouten; 4.6.
- Overwegende dat het tweede en het derde onderdeel van het middel niet gegrond zijn; IX-4750-10/11 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De bij arrest nr. 144.248 van 9 mei 2005 bevolen schorsing wordt opgeheven. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4750-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.279 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.248 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.