id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.322 Rolnummer: A. 149982/XIV-19102 Zaak: Arrest 160322 - - 20/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 22:21 Fiche Arrest nr 160.322 van 20 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.322 van 20 juni 2006 in de zaak A. 149.982/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 november 1963 en van Armeense nationaliteit, op 25 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 9 maart 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.361-1/9 Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 17 mei 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ch. VAN CUTSEM die, loco Advocaat L. DENYS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 4 december 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 13 december 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Betreffende beslissing werd middels een annulatieberoep aangevochten bij de Raad van State. Bij arrest nr. 118.794 van 29 april 2003 werd de afstand van geding vastgesteld bij gebrek aan een verzoek tot voortzetting van het geding. 1.
- Op 4 december 2003 dient de verzoekende partij een nieuwe asielaanvraag in. 1.
- Op 7 januari 2004 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 maart 2004 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: XIV-10.361-2/9 “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Armeens staatsburger van Armeense origine. Op 4 december 2000 vroeg u een eerste maal asiel aan bij de Belgische overheid. Deze aanvraag werd afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf, genomen door de Commissaris-generaal op 27 maart
- Zonder nog teruggekeerd te zijn naar Armenië, vroeg u op 4 december 2003 een tweede maal asiel aan bij de Belgische overheid. U was intussen hier in België in het bezit gekomen van een beslissing van de militaire procureur in Armenië, waarbij u schuldig werd bevonden aan verboden wapendracht en aan de beschieting van een zekere H. P. op 8 december
- U vermoedt dat deze aanklacht gefabriceerd was – op 8 december 2000 bevond u zich immers reeds in België – door getrouwen van S. S. of iemand anders van de Armeense overheid, omdat u op de hoogte was van enkele duistere zaken. Zo wist u van de betrokkenheid van generaal Margarian en van Hrand Papikian bij een grootschalige drugshandel, u was er zelfs bij toen Hrand Papikian op 21 januari 1998 een moordaanslag pleegde op generaal Margarian en u wist tevens dat het overlijden van generaal Margarian op 8 februari 1999 geen geval van zelfmoord betrof. Daarnaast was u er ook van op de hoogte dat ex-OMON chef Gagik Petrosjan ten onrechte gedurende 2 jaar in een medische instelling werd opgesloten en nadien gek werd verklaard. Omwille van deze kennis van de interne keuken was u in Armenië ook al benaderd geweest door de KGB met de vraag om met hen samen te werken, wat u weigerde. U bent in het bezit van de uitspraak van de Militaire Procureur. B. Motivering Het enige nieuwe element dat u aanbrengt in het kader van uw tweede asielaanvraag is het document van de militaire procureur waarbij u in beschuldiging wordt gesteld. U verklaart hierbij zelf dat deze gefabriceerde beschuldiging het gevolg is van uw problemen in Armenië voor uw eerste asielaanvraag in België, en u merkt hierbij op dat alle problemen waarvan u melding maakt tijdens het interview (moordaanslag op Margarian, moord op Margarian, drugshandel van Papikian, eis van de KGB dat u met hen zou samenwerken) reeds hebben plaatsgevonden voor uw eerste asielaanvraag (zie verhoorverslag CGVS, p. 6). Aangezien in het kader van uw eerste asielaanvraag een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van het bedrieglijk karakter van uw verklaringen, kan ook geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen omtrent het nieuwe document dat u voorlegt – en waarvan u dus uitdrukkelijk stelt dat deze beschuldiging een gevolg is van uw eerdere problemen in Armenië (zie verhoorverslag CGVS, p. 6) – in het kader van uw tweede asielaanvraag. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het door u neergelegde document van de militaire procureur is niet van die aard dat zij de geloofwaardigheid van uw verklaringen kan herstellen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”;
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “II. ENIG MIDDEL Afgeleid uit de schending van de materiële motiveringsiplicht en van de artikelen 51/8 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15.12.
- Tegenpartij verklaart de aanvraag van verzoeker bedrieglijk omdat de eerste aanvraag van verzoeker door tegenpartij eveneens bedrieglijk werd verklaard en bijgevolg geen geloof meer kan worden gehecht aan de verklaringen van verzoeker omtrent het nieuwe document dat hij voorlegt, en waarvan hij uitdrukkelijk stelt dat de beschuldiging geuit in dit document een gevolg is van de eerdere problemen van verzoeker in Armenië. XIV-10.361-3/9 Welnu, beweren dat de tweede aanvraag van verzoeker bedrieglijk is en dat geen geloof kan gehecht worden aan de verklaringen van verzoeker omtrent het nieuwe gegeven, alleen maar omwille van het feit dat de eerste aanvraag bedrieglijk werd verklaard, is geen nauwkeurige, concrete en afdoende motivering. Verzoeker stelt, en zonder dat enig gegeven deze verklaring ondergraaft, dat hij in november 2003, en bijgevolg na het afsluiten van de eerste asielaanvraag, een document heeft ontvangen van een persoon die naar Armenië was gereisd, document uitgaande van een onderzoeksrechter, gedateerd 21.1.2002, waaruit blijkt dat hij wordt gezocht omwille van verboden bezit van wapens en het feit dat hij op 8.12.2000 in de hoofdstad van Armenië een ander persoon met een wapen zwaar zou hebben gekwetst. De onderzoeksrechter vraagt dat verzoeker zou worden opgespoord en aangehouden. Het authentiek karakter van dit document was door de Dienst Vreemdelingenzaken in zijn beslissing van 7.1.2004 in twijfel getrokken, zonder evenwel uit te leggen waarom. Tegenpartij trekt evenwel de authenticiteit van het document niet in twijfel. Het document van de onderzoeksrechter is een ernstige aanwijzing van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet. Immers, nu blijkt dat verzoeker alleszins vals beschuldigd wordt daar hij op de dag van de feiten zich reeds in België bevond, kan verzoeker redelijkerwijze ervan uitgaan dat deze vervolging een politiek karakter heeft. Nu verzoeker gezocht wordt wegens ernstige feiten wacht hem een ernstige straf, zodat de feiten zwaarwegend zijn. Verzoeker maakt overigens tijdens zijn verhoren gewag van andere personen die veroordeeld zijn tot vrij zware of zware gevangenisstraffen. Door hiermee geen rekening te houden, schendt tegenpartij artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet. Een aanvraag bedrieglijk verklaren impliceert dat tegenpartij overtuigend aantoont dat verzoeker niet de waarheid spreekt en de Belgische overheid probeert te misleiden. Beweren dat verzoeker liegt, kan alleen maar gebeuren door aan te tonen dat de bewijswaarde van een geschreven document, dat uitgaat van een magistraat, niet opweegt tegen de verklaringen van verzoeker afgelegd tijdens de eerste en tweede asielprocedure. Een geschreven document, zeker als dit een authentiek stuk is, dat wil zeggen uitgaand van een magistraat, heeft immers bewijswaarde zolang het tegendeel niet is aangetoond. Deze afweging van de bewijswaarde van het opsporings- een aanhoudingsbevel tegenover het eventueel leugenachtig karakter van de verklaringen van verzoeker, wordt evenwel door tegenpartij geenszins gemaakt, en dit niet in het minst. In geen enkele zin van de motivering doet tegenpartij zelfs maar een poging om uit te leggen waarom aan de verklaringen van verzoeker geen geloof kan gehecht worden, en dat bijgevolg deze verklaringen bedrieglijk zouden zijn, ondanks de bewijswaarde die intrensiek aan dit document dient te worden gehecht. Dit is des te meer zo nu verzoeker tijdens zijn eerste asielaanvraag een attest getoond had van het militaire parket volgens hetwelk tegen verzoeker geen strafprocedure loopt (zie eerste bevestigende beslissing). De omstandigheid dat verzoeker nu een document toont waaruit het teendeel blijkt, noopte tegenpartij nog meer om een afweging temaken van de bewijswaarde van dit stuk en het al dan niet geloofwaardig karakter van de verklaringen van verzoeker. Tenslotte, en voor de volledigheid, kan nog betoogd worden dat de omstandigheid dat verzoeker een verband legt tussen het opsporings- en aanhoudingsbevel van de onderzoeksrechter (het nieuwe gegeven) en de feiten aangehaald tijdens zijn eerste asielaanvraag, geen argument is dat tegen de geloofwaardigheid van de vluchtmotieven van verzoeker pleit; verzoeker is immers ondertussen niet naar Armenië terug gegaan, wat impliceert dat hij zich alleen maar kan beroepen op de eerder ingeroepen motieven. Beweren dat het nieuwe document geen uitstaans heeft met de eerder ingeroepen feiten zou de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen juist wel aantasten. Ook hieruit blijkt dat de motivering niet afdoend is. Aldus schendt tegenpartij kennelijk de motiveringsplicht en toont ze ook niet aan waarom de tweede aanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn, waardoor eveneens artikel 52 van de Vreemdelingenwet wordt geschonden.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hieromtrent het volgende stelt: “II Onderzoek van de middelen Enig middel: Schending van de materiële motiveringsplicht en artikel 51/8 en 52 van de Vreemdelingenwet - Verzoeker meent dat de motivering, dat geen geloof kan gehecht worden aan de verklaringen van verzoeker omtrent het nieuwe gegeven, alleen maar omwille van het feit dat de eerste aanvraag bedrieglijk werd verklaard, niet afdoende is. Verweerder wenst vooreerst op te merken dat de eerste asielaanvraag van verzoeker op 27 maart 2001 werd afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. De Raad van State heeft in arrest nr. 118.794 van 29 april 2003 het beroep tot nietigverklaring tegen XIV-10.361-4/9 deze beslissing verworpen. De motieven van de eerste bevestigende beslissing van weigering van verblijf kunnen geenszins nog worden betwist en de erin vastgestelde tegenstrijdigheden staan aldus vast. Verweerder merkt op dat de Commissaris-generaal de motiveringsplicht niet schendt als hij verwijst naar de eerste beslissing, nu het door verzoeker aangebrachte element (de brief van een magistraat) in rechtstreeks verband staan met zijn eerste asielaanvraag. De door verzoeker ingediende nieuwe elementen zijn niet van die aard om de geloofwaardigheid van zijn verklaringen te herstellen. Het enige nieuwe element: een brief van een magistraat (een veroordeling op basis van een valse beschuldiging), zou het gevolg zijn van het feit dat verzoeker op de hoogte was van,enkele duistere zaken. Naar aanleiding van de eerste asielaanvraag van verzoeker werd echter reeds geoordeeld dat geen geloof gehecht kon worden aan zijn verklaringen. Ook het nieuwe element, de veroordeling, is volgens verzoeker gebaseerd op, deze oude feiten (daterend van voor zijn eerste asielaanvraag). Gezien verzoekers verklaringen bedrieglijk bevonden werden, kan ook geen geloof gehecht worden aan de nieuwe elementen die verzoeker aanbrengt. Dat er, zoals in het verzoekschrift wordt geponeerd, geen afweging is gebeurd tussen de bewijswaaroe van het opsporings- en aanhoudingsbevel en de 'eventueel leugenachtige verklaringen van verzoeker', kan dan ook niet weerhouden worden. - Dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet werd geschonden kan niet weerhouden worden. De Conventie van Genève geeft aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid, meer in het bijzonder, wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt , via artikel 52 van de Vreemoelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet , biedt de commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de "bedrieglijkheid" (artikel 52, paragraaf 1, 2de a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 51/8 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.
- Overwegende dat waar de verzoekende partij de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht en van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) ze in essentie betoogt, dat een aanvraag bedrieglijk verklaren impliceert dat de tegenpartij overtuigend aantoont dat de verzoekende partij niet de waarheid spreekt en de Belgische overheid probeert te misleiden; dat dit alleen maar kan gebeuren door aan te tonen dat de bewijswaarde van een geschreven document, dat uitgaat van een magistraat, niet opweegt tegen de verklaringen van de verzoekende partij afgelegd tijdens de eerste en tweede asielprocedure; dat een geschreven document, zeker als dit een authentiek stuk is, uitgaand van een magistraat, bewijswaarde heeft zolang het tegendeel niet is aangetoond; dat deze afweging van de bewijswaarde van het opsporings- en aanhoudingsbevel tegenover het eventueel leugenachtig karakter van de verklaringen van de verzoekende partij, geenszins wordt gemaakt door de verwerende partij; dat in geen enkele zin van de motivering de verwerende partij zelfs maar een poging doet om uit te leggen XIV-10.361-5/9 waarom aan de verklaringen van de verzoekende partij geen geloof kan worden gehecht en dat bijgevolg deze verklaringen bedrieglijk zouden zijn, ondanks de bewijswaarde die intrinsiek aan dit document dient te worden gehecht; dat dit des te meer zo is nu de verzoekende partij tijdens haar eerste asielaanvraag een attest heeft getoond van het militaire parket volgens hetwelk tegen de verzoekende partij geen strafprocedure loopt; dat de omstandigheid dat de verzoekende partij nu een document toont waaruit het tegendeel blijkt, de verwerende partij nog meer noopte om een afweging te maken van de bewijswaarde van dit stuk en het al dan niet geloofwaardig karakter van haar verklaringen; dat de omstandigheid dat de verzoekende partij een verband legt tussen het opsporings- en aanhoudingsbevel van de onderzoeksrechter (het nieuwe gegeven) en de feiten aangehaald tijdens haar eerste asielaanvraag, geen argument is dat tegen de geloofwaardigheid van haar vluchtmotieven pleit; dat ze immers ondertussen niet naar Armenië is terug gegaan, wat impliceert dat ze zich alleen maar kan beroepen op de eerder ingeroepen motieven; dat beweren dat het nieuwe document geen uitstaans heeft met de eerder ingeroepen feiten de geloofwaardigheid van haar verklaringen juist wel zou aantasten; dat ook hieruit blijkt dat de motivering niet afdoende is; dat de verwerende partij ook niet aantoont waarom haar tweede aanvraag bedrieglijk zou zijn, waardoor eveneens artikel 52 van de Vreemdelingenwet wordt geschonden; 2.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de conclusie is gekomen dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk was omdat: - het enige nieuwe element dat de verzoekende partij aanbrengt in het kader van haar tweede asielaanvraag het document is van de militaire procureur waarbij ze in beschuldiging wordt gesteld; - de verzoekende partij hierbij zelf verklaart dat deze gefabriceerde beschuldiging het gevolg is van haar problemen in Armenië voor haar eerste asielaanvraag in België en ze merkt XIV-10.361-6/9 hierbij op dat alle problemen waarvan ze melding maakt tijdens het interview (moordaanslag op Margarian, moord op Margarian, drugshandel van Papikian, eis van de KGB dat ze met hen zou samenwerken) reeds hebben plaatsgevonden voor haar eerste asielaanvraag; - aangezien in het kader van haar eerste asielaanvraag een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van het bedrieglijk karakter van haar verklaringen, ook geen geloof meer kan worden gehecht aan haar verklaringen omtrent het nieuwe document dat ze voorlegt en waarvan ze uitdrukkelijk stelt dat deze beschuldiging een gevolg is van haar eerdere problemen in Armenië; - gelet op bovenstaande vaststellingen niet kan worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; - het door de verzoekende partij neergelegde document van de militaire procureur niet van aard is dat zij de geloofwaardigheid van haar verklaringen kan herstellen; Overwegende dat de Commissaris-generaal een eindbeslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij heeft geoordeeld dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk is en dat hij dienvolgens tot een bevestigende beslissing van de weigering van verblijf heeft besloten; dat hij in casu tot de bedrieglijkheid van de aanvraag heeft besloten, in essentie omdat aangezien in het kader van de eerste asielaanvraag van de verzoekende partij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van het bedrieglijk karakter van haar verklaringen, ook geen geloof meer kan worden gehecht aan haar verklaringen omtrent het nieuwe document dat ze voorlegt en waarvan ze uitdrukkelijk stelt dat deze beschuldiging een gevolg is van haar eerdere problemen in Armenië; Overwegende dat dient te worden opgemerkt dat tegen de eerste afwijzing, met name de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, een annulatieberoep werd ingesteld bij de Raad van State; dat bij arrest nr. 118.794 van 29 april 2003 de afstand van het geding werd vastgesteld; dat betreffende beslissing aldus moet geacht worden definitief te zijn; dat naar aanleiding van de tweede asielaanvraag, die het voorwerp uitmaakt van de thans bestreden beslissing, de verzoekende partij een stuk voorlegt waaruit een vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) zou moeten blijken; dat ze zich in wezen bovendien beroept op elementen die betrekking hebben op het asielrelaas dat tijdens de eerste asielaanvraag werd behandeld; dat gelet op het definitieve karakter van de beslissing betreffende de eerste asielaanvraag, de hierop betrekking hebbende verklaringen als niet meer dienstig zijnde moeten worden beschouwd in de zin dat ze de juridisch vaststaande feiten niet meer kunnen weerleggen; dat voor wat het neergelegde opsporings- en aanhoudingsdocument betreft, deze XIV-10.361-7/9 redenering evenwel niet opgaat; dat uit betreffend document duidelijk blijkt dat de aan de verzoekende partij ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan op een ogenblik dat ze zich reeds in België bevond; dat gelet op de datum van dit document, met name 21 januari 2002, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij dit niet eerder, met name tijdens de eerste asielprocedure, kon hebben aangevoerd nu de Commissaris-generaal voor wat deze laatste procedure betreft een eindbeslissing heeft genomen op 27 maart 2001; dat luidens de motivering van de thans bestreden beslissing niet werd ingegaan op kwestieus document door de Commissaris-generaal; dat gelet op de in voormeld document ten laste gelegde beschuldigingen en gelet op de feitelijke toestand van de verzoekende partij op het ogenblik dat betreffende feiten zich luidens dit document hebben afgespeeld, kan niet, zonder een diepgaander onderzoek van dit stuk, een onderzoek dat in casu niet werd gevoerd, worden besloten tot het niet voorhanden zijn van een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de feiten waarop men zich beroept dienen te worden beoordeeld, niet de volgens de verzoekende partij aan deze feiten ten grondslag liggende problemen; dat deze vaststelling klemt, nu uit de motivering van de bestreden beslissing geenszins kan worden afgeleid of er enigszins twijfel bestaat omtrent de authenticiteit van het neergelegde document; dat uit het geheel van de in de bestreden beslissing weergegeven motivering niet kan worden besloten dat op een afdoende wijze werd gemotiveerd waarom de tweede asielaanvraag, gebaseerd op het door de verzoekende partij neergelegde opsporings- en aanhoudingsdocument, bedrieglijk zou zijn; dat het enig middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 9 maart
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-10.361-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juni tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-10.361-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.