id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.424 Rolnummer: A. 86493/VII-19463 Zaak: Arrest 160424 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 22:27 Fiche Arrest nr 160.424 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.424 van 22 juni 2006 in de zaak A. 86.493/VII-19.
- In zake : de b.v.b.a. AQUASTRA- GEVELREINIGING die woonplaats kiest bij advocaat R. CORNE, kantoor houdende te WEVELGEM, Menenstraat 454 tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. AQUASTRA- GEVELREINIGING op 2 september 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dd. 07.07.99, betekend op 08.07.99", waarbij slechts een gedeeltelijke ontheffing wordt verleend van de aangerekende bijdrageopslagen en geen kwijtschelding van de intresten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2006; VII-19.463-1/16 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. TOCK, die, loco advocaat R. CORNE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat M. van DIEVOET, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feitelijk en juridisch kader Overwegende dat het feitelijk en het juridisch kader van de zaak als volgt kan worden samengevat : 1.
- De partijen betwisten niet dat de verzoekende partij op 7 december 1998 een bedrag van 450.221 Bfr. aan bijdrageopslagen en verwijlintresten aan de R.S.Z. verschuldigd is en dat deze bijdrageopslagen en verwijlintresten het gevolg zijn van laattijdige betalingen van de kwartaalbijdragen voor het eerste en het tweede kwartaal
- 1.
- De verzoekende partij wordt op 22 januari 1999 gedagvaard ter betaling van dit bedrag, en zij voldoet dezelfde dag, onder voorbehoud van alle rechten, dit bedrag. 1.
- Op 16 februari 1999 richt de raadsvrouw van de verzoekende partij de volgende brief aan de R.S.Z. : "AANGETEKEND Geachte Heer Voorzitter, Geachte Heren van de Commissie, Betreft : BVBA AQUASTRA GEVELREINIGING, Goedendagstraat 3, 8560 WEVELGEM Uw ref. : C398/1545959-80/07.12.98/63 M. ref. : 15902 Ik heb de eer U aan te schrijven in mijn hoedanigheid van raadsman van BVBA AQUASTRA GEVELREINIGING, met maatschappelijke zetel te 8560 WEVELGEM, Goedendagstraat
- VII-19.463-2/16 Cliënte overhandigt mij het rekeninguittreksel dd. 24.12.98 waaruit blijkt dat zij op 07.12.98 nog een bedrag van 450.221 fr. diende te vereffenen, bestaande uit bijdrageopslagen 426.133 fr. en intrest 24.088 fr. Deze opslagen en intresten zijn het gevolg van laattijdige betalingen van de kwartaalbijdragen 1/98 en 2/
- De betaling van de eerste kwartaalbijdrage (1.929.457 fr.) werd een zevental dagen te laat gestort, nl. op 07.05.98, zodat een bijdrageopslag van 192.945 fr. werd aangerekend, meer een intrest ten bedrage van 2.626 fr. De tweede kwartaalbijdrage (2.441.534 fr.) werd door middel van drie betalingen dd. 10.09.98, 17.09.98 en 21.09.98 vereffend, hetzij een tien- tot twintigtal dagen laattijdig. Hierdoor werd automatisch een bijdrageopslag van 240.731 fr. aangerekend, meer intresten ten bedrage van 21.462 fr. Ondertussen heeft cliënte het gevorderd bedrag van 450.221 fr. zelf ook reeds voldaan, bij overschrijving dd. 21.01.
- In naam van cliënte wordt thans om toepassing van artikel 55 van het KB van 28.11.69 verzocht, waarbij kan worden afgezien van de toepassing van opslagen en intresten, hetzij deze minstens te verminderen gezien cliënte duidelijk blijk heeft gegeven van haar goede trouw inzake. Cliënte heeft de desbetreffende bijdragen slechts enkele dagen laattijdig betaald, enkel en alleen omwille van het feit dat zij in die periode van 1998 belangrijke werken uitvoerde voor het IJzerbedevaartcomité, instantie die toelagen diende te verkrijgen vanwege de Provincie West-Vlaanderen, slechts goedgekeurd bij beslissing dd. 14.07.
- (zie bijlage 1) Voor cliënte betroffen dit werken begroot op dd. 30.04.98 ten bedrage van 5.535.815 fr. en dd. 30.07.98 ten bedrage van 6.836.019 fr. (bijlage 2). Het is enkel door toedoen van de niet tijdige ontvangst der gelden uit deze werf dat de betalingen van de sociale zekerheidsbijdragen enkele dagen laattijdig zijn uitgevoerd. Cliënte is voor het overige steeds stipt geweest in de betalingen en heeft haar goede trouw inzake aangetoond door zelfs reeds de bijdrageopslagen en intrest te voldoen alvorens huidige kwijtschelding, minstens belangrijke vermindering aan te vragen overeenkomstig art. 55 van het KB van 28.11.69, dit in al haar geledingen overeenkomstig §1 tot en met §
- In acht genomen deze omstandigheden ben ik dan ook zo vrij namens cliënte de kwijtschelding/vermindering, gevolgd door terugbetaling te verzoeken, dit in acht genomen hogervernoemde omstandigheden. U bij voorbaat dankend voor het positief gevolg dat U zal willen verlenen aan huidig schrijven, verblijf ik inmiddels, geachte Heer Voorzitter, geachte Heren leden van de Commissie, met voorname hoogachting". Bij de brief zijn twee bijlagen gevoegd : - een brief van het IJzerbedevaartcomité, waarin wordt verklaard dat de verzoekende partij werken had uitgevoerd en dat de toelagen, nodig voor het betalen van deze werken, op 10 juli 1998 voor een bedrag van 7,5 miljoen fr. bij de provincie West-Vlaanderen werden opgevraagd en door de Vlaamse gemeenschap op 14 juli 1998 voor een bedrag van 9,2 miljoen fr. werden goedgekeurd; - een besluit van 14 juli 1998 van de Vlaamse regering waarmee een subsidie van 9,2 miljoen fr. wordt toegekend aan de v.z.w. Bedevaarten naar de Graven aan de IJzer. VII-19.463-3/16 1.
- Op 22 februari 1999 stuurt de R.S.Z. aan de raadsvrouw van de verzoekende partij een overzicht van de verschillende mogelijkheden tot ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten. 1.
- Met een brief van 26 februari 1999, gericht aan de R.S.Z., betoogt de raadsvrouw van de verzoekende partij nog dat zij bemerkt dat een bepaald model moet worden gevoegd bij de aanvraag indien beroep wordt gedaan op de reden dat haar cliënte nog gelden tegoed had op een overheidsinstelling of instelling van openbaar nut. Aangezien haar cliënte zich beroept op die vrijstellingsmogelijkheid, zou zij graag een dergelijk model ontvangen teneinde het verzoek te vervolledigen. Zij wijst er op dat haar cliënte bij haar verzoek een door de instelling ondertekende verklaring voegde, en dat zij, mocht dit niet voldoende zijn, uiteraard bereid is de juiste formulieren bij ontvangst te laten tekenen. 1.
- Met een brief van 12 april 1999 herinnert de raadsvrouw van de verzoekende partij de R.S.Z. aan haar brief van 16 februari
- 1.
- Met een brief van 2 juni 1999 informeert de verzoekende partij naar de stand van het onderzoek. 1.
- Met een brief van 7 juli 1999 wordt de thans bestreden beslissing meegedeeld aan de raadsvrouw van de verzoekende partij. Deze beslissing luidt als volgt : "Betreft : BVBA AQUASTRA GEVELREINIGING te 8560 WEVELGEM uw aanvraag om ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten Meester, Ingevolge uw verzoek om ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten deelt de administratie u mede dat zij van oordeel is dat de door u ingeroepen redenen niet beantwoorden aan het begrip overmacht. Overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak terzake verstaat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid namelijk onder overmacht, het overkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk, en die het hem volstrekt onmogelijk maakt zijn verplichtingen binnen de opgelegde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, hebben voorbereid of vergezeld. Vorderingen op klanten, de goede trouw van de vennootschap en de beweerde stiptheid in betaling voor het verleden, kunnen evenwel niet aanzien worden als zijnde vreemd aan de vennootschap. Vorderingen op klanten behoren tot het bedrijfsrisico van zodra de vennootschap met deze klanten contracteert. VII-19.463-4/16 Derhalve zal de administratie uw huidige aanvraag niet aan het Beheerscomité van de Rijksdienst voorleggen. Indien u alsnog meent te kunnen bewijzen dat de door u aangevoerde feiten wel degelijk een situatie tot stand brachten die beantwoordt aan het hierboven uiteengezette begrip van overmacht, kan u ons een nieuw verzoekschrift laten geworden. In dit verzoekschrift dient u aan te tonen dat de door u aangehaalde feiten beantwoorden aan ieder facet van de hierboven vermelde definitie. Tevens deel ik u mede dat het IJzerbedevaartcomité geen overheidsinstelling is zoals bedoeld bij artikel 55, § 3, 1/ van het Koninklijk besluit van 28.11.
- De vorderingen op deze organisatie komen niet in aanmerking voor volledige ontheffing (100 %) van de aangerekende bijdrageopslagen. De aangehaalde omstandigheden worden evenwel aanzien als zijnde uitzonderlijk, zodat op basis van artikel 55, § 2 van hetzelfde koninklijk besluit gedeeltelijke ontheffing (50 %) verleend (wordt) van de aangerekende bijdrageopslagen voor : - het eerste en tweede kwartaal
- De nieuwe stand van de rekening, in uitvoering van deze beslissing, zal uw cliënte worden medegedeeld. Indien hieruit een debetsaldo blijkt, verzoeken wij u het nog verschuldigde bedrag binnen de maand te willen storten op postrekening nr. 679-0261811-08 met vermelding op de betaalstrook van het inschrijvingsnummer. Voor wat betreft het verzoek om kwijtschelding van de aangerekende intresten deel ik u mede dat de Rijksdienst geen vermindering van de intresten toestaat aangezien de verhouding van de intresten berekend op de socialezekerheidsbijdragen en de intresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat ingaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de socialezekerheidsbijdragen. Uitzondering wordt gemaakt in het geval van overmacht, (doch deze wordt voorlopig niet weerhouden - zie hoger) en in het geval van toepassing van artikel 55, § 3, 1/ van het koninklijk besluit van 28.11.1969 (d.w.z. zo de werkgever, op het ogenblik dat de socialezekerheidsbijdragen eisbaar werden, een vaste en eisbare schuldvordering bezat op een overheidsinstelling zoals bedoeld in dit artikel en hiervan het bewijs werd geleverd), mits de werkgever bewijst dat hij zijn socialezekerheidsbijdragen betaald heeft binnen de maand volgend op de betaling van de schuldvordering door de betrokken overheidsdienst(en). In dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20 %) van de aangerekende intresten. Aangezien artikel 55, § 3, 1/ evenmin van toepassing is (zie hoger) kan ook op deze basis ontheffing van intresten niet toegestaan worden. Voor wat betreft een eventuele toepassing van artikel 55, § 3, 2/ van het Koninklijk besluit dd. 28.11.1969 verzoek ik u de dwingende billijkheidsredenen en/of de dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang die verzoekster wenst in te roepen te expliciteren. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. (...)". 1.
- Artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, luidde ten tijde van de bestreden beslissing als volgt : VII-19.463-5/16 "Art.
- §
- De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld bij artikel 54, tweede lid, wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben. Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties, bedoeld bij de voorgaande leden, wanneer de werkgever aantoont dat hij, wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijnen. §
- Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. §
- De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 pct. worden gebracht: 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang bij wijze van uitzondering, verantwoord is";
- Ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij ter zitting afstand doet van haar exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State; VII-19.463-6/16
- Ten gronde 3.
- Eerste middel 3.1.
- Standpunt van de partijen 3.1.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift het eerste middel als volgt uiteenzet : "eerste middel, afgeleid uit het gebrek aan motivering en onjuiste toepassing van het artikel 55, § 1 van het Koninklijk Besluit dd. 28.11.69 tot uitvoering van de wet van 27.06.69 tot herziening van de besluitwet van 28.12.44 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 05.12.69, err. 22.12.69), machtsoverschrijding DOORDAT de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder andere enkel stelt dat vorderingen op klanten niet vreemd zijn aan verzoekster en derwijze niet onder de noemer 'overmacht' kan worden geplaatst. TERWIJL de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geen weerleggend motief verleent om het aangebrachte feit van late betaling door de klant enkel en alleen veroorzaakt door de noodzakelijke goedkeuring van subsidies door de Vlaamse Regering als overmacht ten aanzien van verzoekster te beschouwen"; 3.1.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, samengevat, wat volgt betoogt : Het bewijs van overmacht berust bij de werkgever. In haar brief van 16 februari 1999 maakt de verzoekende partij melding van de laattijdige betaling, "enkel en alleen omwille van het feit dat zij in die periode van 1998 belangrijke werken uitvoerde voor het IJzerbedevaartcomité, instantie die toelagen diende te verkrijgen vanwege de Provincie West-Vlaanderen slechts goedgekeurd bij beslissing dd. 14.07.98". Er werd echter geenszins aangetoond waarom dit overmacht zou uitmaken. Bovendien had de verzoekende partij niet zozeer de toepassing van artikel 55, § 1 van het "bewuste" koninklijk besluit op het oog, maar wel van artikel 55, §3, 1/ van dat koninklijk besluit, dat betrekking heeft op het geval van tegoeden die de werkgever nog heeft bij een overheidsinstelling. Hoewel de verzoekende partij ertoe werd uitgenodigd nader aan te tonen dat het een geval van overmacht betrof, is zij niet op deze suggestie ingegaan. Door haar stilzitten heeft de verzoekende partij geen belang bij het middel; 3.1.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, samengevat, het volgende doet gelden : VII-19.463-7/16 Het niet indienen van een nieuw verzoek bij de R.S.Z. noopt niet tot de conclusie dat het middel onontvankelijk is. In haar enig verzoekschrift aan de R.S.Z. heeft de verzoekende partij uiteengezet waarom het een situatie van overmacht betrof. Het is volledig vreemd aan en volkomen onafhankelijk van de wil van de verzoekende partij dat het IJzerbedevaartcomité de goedkeuring diende te bekomen van de Vlaamse regering en dat zijzelf, noodgedwongen, tot zolang diende te wachten. Het is aan de verwerende partij om uit te leggen waarom zij "het feit van toelagen mits goedkeuring vanwege de Vlaamse regering" niet aanziet als overmacht. Terzake stelt zelfs de verwerende partij in haar weerlegging van het derde middel dat de niet-tijdige ontvangst van de gelden uit de werf niet toerekenbaar is aan de verzoekende partij, m.a.w. volledig vreemd aan haarzelf. Een tweede verzoekschrift aan de R.S.Z. was overbodig als zij in het eerste verzoekschrift al geen overmacht zag; 3.1.
- Beoordeling Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : Zoals reeds gewezen in het arrest v.z.w. KONINKLIJK INSTITUUT SPERMALIE, nr. 35.062, van 7 juni 1990, beschouwen de algemene onderrichtingen van de R.S.Z. terecht als overmacht "het overkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk, en die het hem volstrekt onmogelijk maakt zijn verplichting binnen de opgelegde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, hebben voorbereid of vergezeld". Dit is precies de definitie die ook in de thans bestreden beslissing wordt gehanteerd. In casu heeft de raadsvrouw van de verzoekende partij zich in haar brief van 16 februari 1999 niet expliciet op overmacht beroepen. Zij wees er evenwel op dat haar cliënte niet tijdig de gelden had ontvangen voor werken die zij uitvoerde voor het IJzerbedevaartcomité, dat op zijn beurt blijkbaar op toelagen had moeten wachten. In de bestreden beslissing wordt terecht geargumenteerd dat er geen sprake is van overmacht. In casu stelt de verwerende partij terecht dat vorderingen op klanten behoren tot het bedrijfsrisico. Men moet er inderdaad van uit gaan dat er VII-19.463-8/16 steeds een kans bestaat dat facturen niet of laattijdig betaald worden, en het komt er op aan de nodige voorzorgen en schikkingen te treffen om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten daarvan ondervangen worden. Men kan inderdaad niet zonder meer aannemen dat de laattijdige betaling van een factuur door een cliënt het voor de verzoekende partij volstrekt onmogelijk maakte om tijdig de betalingen aan de R.S.Z. te doen. Overigens toont de verzoekende partij in de brief van 16 februari 1999 absoluut niet aan dat zij door de laattijdige betaling vanwege het IJzerbedevaartcomité in de onmogelijkheid verkeerde om tijdig te betalen aan de R.S.Z. De brief zegt niets over de globale financiële situatie van de verzoekende partij, en inzonderheid over de financiële reserves waarover zij beschikte. In de brief van 7 juli 1999 wordt de verzoekende partij er toe uitgenodigd te bewijzen dat de aangevoerde feiten een situatie van overmacht tot stand brachten, doch uit niets blijkt dat zij op deze uitnodiging is ingegaan. Het eerste middel is niet gegrond; 3.
- Tweede middel 3.2.
- Standpunt van de partijen 3.2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift het tweede middel als volgt uiteenzet : "Tweede middel, afgeleid uit de schending van de wet van het artikel 55, § 3, 2/ van het Koninklijk Besluit dd. 28.11.69 tot uitvoering van de wet van 27.06.69 tot herziening van de besluitwet van 28.12.44 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 05.12.69, err. 22.12.69). DOORDAT de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van meet af aan weigert het verzoek voor te leggen aan het Beheerscomité om reden dat de noodzakelijke dwingende billijkheidsredenen en/of de dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang zouden moeten worden geëxpliciteerd TERWIJL verzoekster op zeer gemotiveerde basis aangaande dwingende billijkheidsredenen (nl. enkele dagen laattijdige betaling van de bijdragen wegens uitvoering van belangrijke openbare aanbestedingswerken aan een nationaal monument, waarbij door de klant slechts werd betaald na ontvangst van subsidies, waarna verzoekster onmiddellijk de bijdragen vereffende zodat de rechtvaardigheid, billijkheid gebiedt de bijdrageopslag niet aan te rekenen) om toepassing van het artikel 55 van het eerder vermeld K.B. verzocht, waarin wordt gesteld dat de vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen van 50% op 100% kan worden gebracht door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid getroffen gemotiveerde VII-19.463-9/16 beslissing aanvaardt dat zulke vermindering o.a. wegens dwingende billijkheidsredenen bij wijze van uitzondering verantwoord is"; 3.2.1.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij heeft nagelaten de dwingende billijkheidsredenen en/of de dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang te expliciteren, hoewel ze daartoe in de bestreden beslissing was opgeroepen; 3.2.1.
- Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij opmerkt dat in de brief van 16 februari 1999 voldoende elementen van dwingende billijkheidsredenen werden opgegeven; 3.2.
- Beoordeling Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : Zoals de Raad van State reeds wees in het reeds vermelde arrest inzake de v.z.w. KONINKLIJK INSTITUUT SPERMALIE, nr. 35.062, van 7 juni 1990, zijn dwingende billijkheidsredenen "redenen (...) die gegrond zijn op de premisse dat het niet-nakomen van de verplichting wel aan de schuldenaar kan toegerekend worden, doch dat de rechtvaardigheid gebiedt hem de schuld niet aan te rekenen". In de brief van 16 februari 1999 beroept de verzoekende partij zich niet expliciet op dwingende billijkheidsredenen. Zij wijst er wel op dat zij te goeder trouw is, dat de betaling vanwege het IJzerbedevaartcomité uitbleef, en dat zij steeds stipt betaalde, doch zij geeft niet aan waarom dit dwingende billijkheidsredenen zouden zijn. Met die redenen is nog niet aangetoond of onderbouwd waarom de rechtvaardigheid zou gebieden om de bijdrageopslagen of verwijlintresten volledig kwijt te schelden. Daarbij komt dat aan de verzoekende partij uitdrukkelijk werd gevraagd om de dwingende billijkheidsredenen te expliciteren, doch uit niets blijkt dat zij op die vraag is ingegaan. Het tweede middel is niet gegrond; VII-19.463-10/16 3.
- Derde middel 3.3.
- Standpunt van de partijen 3.3.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift de verzoekende partij het derde middel als volgt uiteenzet : "derde middel, afgeleid uit de schending van de wet van het artikel 55, § 3, 2/ van het Koninklijk Besluit dd. 28.11.69 tot uitvoering van de wet van 27.06.69 tot herziening van de besluitwet van 28.12.44 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 05.12.69, err. 22.12.69), al dan niet in samenhang met de volkomen miskenning van het evenredigheidsbeginsel tussen de fout en de straf. DOORDAT de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zonder enige motivering enkel stelt dat de aangehaalde omstandigheden enkel worden aanvaard als uitzonderlijk om tot een ontheffing van 50 % van de bijdrageopslagen te besluiten. TERWIJL de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in feite had moeten beslissen dat er in hoofde van verzoekster dwingende billijkheidsredenen aanwezig waren, om vervolgens het verzoek voor te leggen aan zijn beheerscomité, die tot een ontheffing van 100 % kan beslissen"; 3.3.1.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij in haar schrijven van 16 februari 1999 uiteenzet dat de laattijdige betaling te wijten is aan de niet tijdige ontvangst der gelden uit een werf, m.a.w. niet toerekenbaar is aan haarzelf, terwijl blijkens de rechtspraak van de Raad van State dwingende billijkheidsredenen gegrond zijn op de premisse dat het niet-nakomen van de verplichting tot betalen van de bijdragen wèl aan de schuldenaar kan worden toegerekend; 3.3.1.
- Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij o.m. doet gelden dat, zo er geen overmacht zou kunnen worden weerhouden, er dan zeker sprake is van dwingende billijkheidsredenen, gezien de niet-betaling dan voor rekening en door toedoen van de verzoekende partij moet worden beschouwd; 3.3.
- Beoordeling Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : Het middel valt tot op grote hoogte samen met het tweede middel, waar de verzoekende partij ook al stelde dat er op grond van dwingende VII-19.463-11/16 billijkheidsredenen een volledige kwijtschelding van de bijdrageopslagen diende te gebeuren. Om dezelfde reden als het tweede middel, is ook het derde middel niet gegrond. De verzoekende partij stelt dat er een volkomen miskenning van het evenredigheidsbeginsel tussen de fout en de straf zou zijn, doch de bestreden beslissing legt geen straf op, maar strekt er juist toe de nadelige gevolgen van een opgelegde sanctie (bijdrageopslagen) te verminderen. Het derde middel is niet gegrond; 3.
- Vierde middel 3.4.
- Standpunt van de partijen 3.4.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift de verzoekende partij het vierde middel als volgt uiteenzet : "vierde middel, afgeleid uit de schending van art. 55 § 2 van het Koninklijk Besluit dd. 28.11.69 tot uitvoering van de wet van 27.06.69 tot herziening van de besluitwet van 28.12.44 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 05.12.69, err. 22.12.69) DOORDAT de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt dat geen vermindering van intresten wordt toegestaan, aangezien de verhouding van de intresten berekend op de sociale zekerheidsbijdragen en de intresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat ingaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de bijdragen, en derwijze in feite nooit vermindering wordt toegestaan TERWIJL art. 55 § 2 van het desbetreffend K.B. uitdrukkelijk stelt dat wanneer de omstandigheden uitzonderlijk zijn (en dit werd aanvaard) de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25% kan verminderen, waarbij geen rekening moet worden gehouden met vergelijking van de intresten met de banksector"; 3.4.1.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij er op wijst dat in de bestreden beslissing wordt aangenomen dat er uitzonderlijke omstandigheden bestaan en een vermindering van de bijdrageopslagen met 50% wordt toegekend, wat evenwel niet betekent dat de verwerende partij op grond van een gebonden bevoegdheid ook een vermindering van de verwijlintresten moest toestaan; dat zij stelt dat het integendeel een discretionaire bevoegdheid betreft die slechts marginaal getoetst kan worden en uit niets blijkt dat de verwerende partij artikel 55, § 2 kennelijk schendt wanneer zij rekening houdt met de intrestvoeten die gehanteerd worden in de banksector; VII-19.463-12/16 3.4.1.
- Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij o.m. doet gelden dat de verwerende partij geen concrete motivering aangeeft waarom zij geen rentevermindering toepast en dat de verwerende partij ten onrechte voorwaarden, nl. rentevoeten op de markt, toevoegt aan de wetsbepaling; 3.4.2 Beoordeling Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : In casu worden in de bestreden beslissing de door de verzoekende partij aangehaalde omstandigheden beschouwd als uitzonderlijk, zodat op basis van artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, een gedeeltelijke ontheffing (50%) van de aangerekende bijdrageopslagen wordt verleend. Wat betreft de intresten wordt geen vermindering toegestaan "aangezien de verhouding van de intresten berekend op de sociale zekerheidsbijdragen en de intresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat ingaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de socialezekerheidsbijdragen". De verzoekende partij verkreeg voor wat betreft de bijdrageopslagen het maximum van wat op basis van het voormelde artikel 55, § 2, kan worden bekomen. Voor de verwijlintresten kreeg zij geen gedeeltelijke vermindering, hoewel aanvaard wordt dat uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn. Het is evenwel niet omdat een vermindering van de bijdrageopslagen wordt toegestaan dat noodzakelijk ook een vermindering van de verwijlintresten moet worden toegestaan. In beide gevallen "kan" immers een vermindering worden toegestaan, hetgeen wijst op een discretionaire bevoegdheid. In casu motiveert de verwerende partij haar weigering om een vermindering (tot max. 25%) van de verwijlintresten toe te staan op grond van de intrestvoeten in de banksector. Dit motief is niet kennelijk onredelijk. Het vierde middel is niet gegrond; 3.
- Vijfde middel 3.5.
- Standpunt van de partijen 3.5.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift de verzoekende partij het vijfde middel als volgt uiteenzet : VII-19.463-13/16 "vijfde middel, afgeleid uit de schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, rechtszekerheidsbeginsel DOORDAT de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als rijksdienst bijdrageopslagen opvordert ten aanzien van verzoekster die gelden dient te innen van een klant, op zijn beurt afhankelijk van subsidies, uit te keren door de Vlaamse Regering zonder rekening te houden met deze wijze van ontstaan van de achterstallige betalingen en de gepaste maatregelen te treffen de sancties teniet te doen. TERWIJL het beginsel van behoorlijk bestuur erin bestaat dat een rijksdienst zich niet kan onthouden de eerder drastische sanctiemaatregelen te ontheffen als deze het gevolg van de werking van een andere rijks-, gewest- of gemeenschapsdienst (zijn)"; 3.5.1.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij o.m. repliceert dat de niet-betaling van de bijdrageopslagen in casu niet in een rechtstreeks oorzakelijk verband staat met de subsidieregeling voor de v.z.w. Bedevaarten naar de graven aan de IJzer, aangezien de v.z.w. voldoende liquide middelen had moeten voorzien om de schuldvorderingen van de verzoekende partij te voldoen; dat zij eraan toevoegt dat de verzoekende partij bovendien niet zelf over een schuldvordering bij de Vlaamse overheid beschikt, in welk geval artikel 55, § 3, 1/, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 toepasselijk zou zijn geweest, zoals uitdrukkelijk in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd; 3.5.1.
- Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij nog benadrukt dat de late goedkeuring vanwege de Vlaamse regering de enige oorzaak is van de laattijdige betaling, dat er dus wel degelijk een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de niet-betaling en de subsidieregeling, en dat het zeer onrechtmatig over komt drastische boetes op te leggen omwille van de trage werking van een of andere administratie; 3.5.
- Bespreking Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : Uit artikel 55 van het voormelde koninklijk besluit van 28 november 1969 blijkt dat er kwijtschelding of vermindering van de burgerlijke sancties mag worden verleend in geval van overmacht (§1), uitzonderlijke omstandigheden (§2), een eisbare schuld t.o.v. een overheid (§3, 1/), en dwingende billijkheidsredenen (§3, 2/). Er werd reeds aangegeven dat er geen sprake is van overmacht of dwingende billijkheidsredenen, minstens dat de verzoekende partij dit niet aantoont. VII-19.463-14/16 Het blijkt ook niet dat de verzoekende partij een vaste en opeisbare schuldvordering had t.o.v. een overheidsinstantie, want de bestreden beslissing stelt terecht "dat het IJzerbedevaartcomité geen overheidsinstelling is zoals bedoeld bij artikel 55, §3, 1/ van het koninklijk besluit van 28.11.1969". De verzoekende partij geeft trouwens niet aan waarom deze v.z.w. een dergelijke overheidsinstelling zou zijn. De enige grond die nog in aanmerking kwam om een vermindering toe te staan is het voorhanden zijn van "uitzonderlijke omstandigheden", en de verwerende partij nam deze grond in aanmerking. Die grond laat evenwel niet toe een volledige kwijtschelding van de bijdrageopslagen en de intresten toe te staan. Het getuigt niet van onbehoorlijk bestuur om geen volledige kwijtschelding toe te staan waar de regelgeving dit in casu niet mogelijk maakte. Het vijfde middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-19.463-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.463-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.