id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.425 Rolnummer: A. 80081/VII-17071 Zaak: Arrest 160425 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 22:27 Fiche Arrest nr 160.425 van 22 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.425 van 22 juni 2006 in de zaak A. 80.081/VII-17.
- In zake : de b.v.b.a. VAN AERT-DISTRI, gevestigd te HOOGSTRATEN, Luxemburgstraat 3 tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. VAN AERT-DISTRI op 31 augustus 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van het BEHEERSCOMITE VAN DE RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, waarvan verzoekster bij brief gedateerd op 29.06.1998 (door haar ontvangen op 03.07.1998) kennis werd gegeven"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 1 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2006; VII-17.071-1/12 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CORNILLE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feitenuiteenzetting Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Met een brief van 2 december 1997 dient de b.v.b.a. VAN AERT- DISTRI bij de verwerende partij een verzoek "tot kwijtschelding / vermindering van de opgelopen bijdrage-opslagen en intresten" in. Dit verzoek is als volgt geformuleerd : "Geachte, Betreft : B134 / 1.631.382-85 / MLD / 013 Hierbij zijn wij zo vrij te verwijzen naar het administratief akkoord d.d. 5 juni 1996 welk ons werd toegekend tengevolge van de opgelopen achterstanden op vermeld aansluitingsnummer bij uw diensten. Ondertussen werden alle voorziene aflossingen betaald alsook de sindsdien gevorderde bijdragen over de lopende kwartalen. Bij deze verzoeken wij u beleefd over te willen gaan tot kwijtschelding/vermindering van de opgelopen bijdrage-opslagen en intresten, overeenkomstig art. 55 paragrafen 2 en 3 van het KB van 28 november
- Vermeld artikel laat dit verzoek toe indien de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijn aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, dan wel het gevolg is van dwingende billijkheidsredenen en overmacht. In ons geval zijn de achterstanden terug te brengen naar de sluiting van de binnengrenzen van de EG begin
- In datzelfde jaar werd 'Van Aert Distri Bvba' opgericht mits splitsing van de 'Bvba oud-douaneagentschap Van Aert' in twee nieuwe vennootschappen, nl. enerzijds 'Van Aert Douaneagentschap Bvba' en anderzijds huidige vennootschap 'Van Aert Distri Bvba'. Tengevolge van de sluiting van deze binnengrenzen en de enorme impact hiervan op ons bedrijf werd ons toen door het Ministerie van Economische Zaken het statuut van 'bedrijf in moeilijkheden' afgeleverd. Kopij hiervan vindt u in bijlage. VII-17.071-2/12 Door de sluiting van de grenzen vielen het gros van onze inkomsten weg, doch dienden wij door opzegging van het personeel nog enorme sociale lasten ten laste te nemen. Wij durven veronderstellen dat u het nodige begrip zal kunnen opbrengen voor onze situatie, en verblijven met de meeste hoogachting". Als bijlage voegt de verzoekende partij bij het verzoek een brief van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid waaruit blijkt dat zij kan worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden. 1.
- Tijdens zijn vergadering van 26 juni 1998 beslist het beheerscomité van de R.S.Z. m.b.t. de aanvraag van de verzoekende partij : "BVBA Van Aert Distri - 2321 HOOGSTRATEN - Nr. 1.631.382-85 Bij de behandeling van het document BC21.779/B neemt het Beheerscomité kennis van de door de BVBA Van Aert Distri in Hoogstraten aangevoerde redenen om op grond van overmacht of dwingende billijkheidsredenen de totale kwijtschelding te verkrijgen van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten voor het 2de, het 3de en het 4de kwartaal 1993, de 1ste wijziging betreffende het 4de kwartaal 1993, de jaarlijkse vakantiebijdrage van het dienstjaar 1993, de eerste wijziging betreffende de jaarlijkse vakantiebijdrage van het dienstjaar 1993, het dienstjaar 1994, de 1ste wijziging betreffende het 2de kwartaal 1994, de 1ste wijziging betreffende het 4de kwartaal 1994, de jaarlijkse vakantiebijdrage van het dienstjaar 1994, het 1ste, het 2de en het 4de kwartaal 1995, de jaarlijkse vakantiebijdrage van het dienstjaar 1995 en het 1ste kwartaal
- De BVBA voert aan dat de laattijdige betaling van de bijdragen toe te schrijven is aan het wegvallen van de grenzen binnen de Europese Gemeenschap begin
- Door de grote weerslag van deze maatregel op de onderneming, heeft de Minister van economische Zaken haar het statuut toegekend van 'bedrijf in moeilijkheid'. Een lid-werkgever vraagt zich af of dit dossier een alleenstaand geval vertegenwoordigt. Hij meent inderdaad dat vele ondernemingen met dit soort van problemen te maken krijgen. Vooraleer zijn akkoord over dit dossier te geven, meent hij dat de onderneming moet gevraagd worden naar de specifiekere omstandigheden van haar moeilijkheden en dat er moet worden nagegaan bij de Administratie of andere ondernemingen dezelfde redenen zouden kunnen aanvoeren en of er andere dossiers van hetzelfde type reeds onderzocht werden. Na beraadslaging beslist het Beheerscomité dat de aangevoerde reden, nl. het wegvallen van de grenzen binnen de Europese Gemeenschap de BVBA niet in een situatie van overmacht brengt, vermits ze verband houdt met de uitgeoefende activiteit en dus deel uitmaakt van het ondernemingsrisico. Aangezien de situatie voorspelbaar was en dat er niet kan worden aangetoond dat ze de onderneming in de absolute onmogelijkheid bracht om de sociale zekerheidsbijdragen binnen de wettelijke termijn te vereffenen, beslist het Beheerscomité dat de aangevoerde reden geen dwingende billijkheidsreden uitmaakt die de aangevraagde kwijtschelding rechtvaardigt. Het Beheerscomité stelt voor dat de Administratie de verzoeker op de hoogte brengt van de mogelijkheid die hij heeft om zijn dossier opnieuw voor te leggen vanuit het oogpunt van redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang en verzoekt hem in dat geval om nauwkeuriger inlichtingen te verstrekken over zijn specifieke situatie en over de moeilijkheden die hij kende". VII-17.071-3/12 1.
- Met een brief van 29 juni 1998 deelt de verwerende partij de bestreden beslissing mee aan de verzoekende partij. Deze brief luidt als volgt : " Brussel, 29.06.1998 Uw brief van / 2.12.19975 (...) Betreft : uw aanvraag om ontheffing van aangerekende bijdrageopslagen en intresten Geachte heer, Ingevolge uw verzoek deel ik u mede dat het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de aanvraag tot volledige vrijstelling van de bijdrageopslagen en intresten tijdens zijn zitting van 29 mei 1998 heeft onderzocht. Het beheerscomité oordeelde dat de door u ingeroepen redenen niet kunnen worden aanzien als een geval van overmacht. Overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak terzake, verstaat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder overmacht het overkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk en die het hem volstrekt onmogelijk maakt zijn verplichting binnen de opgelegde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen die het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, hebben voorbereid of vergezeld. De sluiting van de EG-binnengrenzen, is de BVBA evenwel niet volledig vreemd aangezien zij verband houdt met de uitgeoefende activiteit en aldus behoort tot het bedrijfsrisico. Daarenboven was de situatie te voorzien en werd niet aangetoond dat zij het de BVBA volstrekt onmogelijk maakte om de socialezekerheidsbijdragen tijdig te voldoen. Derhalve wordt geen toepassing gemaakt van de beschikkingen van artikel 55, § 1, lid 3 van het Koninklijk besluit van 28 november
- Tevens besliste het Beheerscomité dat de gevolgen van de aangehaalde feiten niet kunnen worden aanzien als zijnde dwingende billijkheidsredenen zodat op deze basis evenmin toepassing wordt gemaakt van artikel 55, § 3, 2/ van het Koninklijk besluit van 28 november
- Het Beheerscomité wenst evenwel uw aanvraag verder te onderzoeken teneinde na te gaan of dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang kunnen worden weerhouden. Daartoe dient u eerst en vooral inlichtingen te verstrekken betreffende de personeelsbezetting vanaf het eerste kwartaal
- In bijlage vindt u daaromtrent een tabel met betrekking tot de tewerkstelling in de vennootschap opgesteld op basis van de gegevens die bij middel van de statistiekramen van de aangifteformulieren voor hogervermelde periode werden verstrekt. Per kwartaal en per categorie (arbeiders/bedienden) dient medegedeeld om hoeveel voltijds en deeltijds tewerkgestelden het gaat. Tevens verwacht het Beheerscomité voor wat betreft de deeltijds tewerkgestelden dat het percentage van de tewerkstelling t.a.v. een voltijds werknemer wordt aangeduid. Gelieve de tabel tevens te vervolledigen met de gegevens voor het eerste kwartaal
- Daarenboven verzoek ik u, in hetzelfde kader, om aanvullende gegevens omtrent de financiële situatie van de vennootschap in de jaren 1993, 1994, 1995, 1996 en
- Daartoe verwacht ik de gedetailleerde resultatenrekeningen met betrekking tot deze jaren, alsmede alle andere nuttige documenten of elementen die de financiële toestand van uw bedrijf nader kunnen toelichten. VII-17.071-4/12 Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. (...)";
- Ten gronde 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar enig middel de schending aanvoert van "de motiveringsplicht opgelegd aan elk bestuur", en dit met de volgende bewoordingen : "3.
- Aangezien de beslissing van het Beheerscomité van de R.S.Z., waarvan verzoekster bij brief gedateerd op 29.06.1998 kennis werd gegeven op 03.07.1998, de motiveringsplicht schendt die aan elk bestuur wordt opgelegd; Dat deze beslissing niet gemotiveerd is overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (BS., 12 september 1991); Dat de verplichting tot motiveren uiteraard impliceert dat de beslissingen op een deugdelijke en wettelijke manier worden gemotiveerd, d.w.z. op juiste juridische en feitelijke gronden; Dat de bestreden beslissing gemotiveerd is als volgt : 'Overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak terzake, verstaat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder overmacht het overkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk en die het hem volstrekt onmogelijk maakt zijn verplichting binnen de opgelegde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen die het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, hebben voorbereid of vergezeld. De sluiting van de EG-binnengrenzen, is de BVBA evenwel niet volledig vreemd aangezien zij verband houdt met de uitgeoefende activiteit en aldus behoort tot het bedrijfsrisico. Daarenboven was de situatie te voorzien en werd niet aangetoond dat zij het de BVBA volstrekt onmogelijk maakte om de sociale zekerheidsbijdragen tijdig te voldoen. Derhalve wordt geen toepassing gemaakt van de beschikkingen van artikel 55, § 1, lid 3 van het Koninklijk Besluit van 28 november
- Tevens besliste het Beheerscomité dat de gevolgen van de aangehaalde feiten niet kunnen worden aanzien als zijnde dwingende billijkheidsredenen zodat op deze basis evenmin toepassing wordt gemaakt van artikel 55, § 3, 2/ van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969'. 3.
- Dat verzoekster zich in haar schrijven dd. 02.12.1997 enkel beroepen had op de bepalingen van artikel 55 § 2 en 3; Dat deze bepalingen als volgt luiden : '§
- Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid het bedrag van de bijdrage-opslagen met ten hoogste 50 % en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met VII-17.071-5/12 ten hoogste 25 % verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. §
- De vermindering van het bedrag van de bijdrage-opslagen met 50 % kan door de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid op 100 % worden gebracht. 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het Koninklijk Besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang, bij wijze van uitzondering, verantwoord is'. 3.
- Dat de motivering van het Beheerscomité uitsluitend betrekking heeft op het al dan niet bestaan van overmacht in hoofde van verzoekster, waarvan sprake in artikel 55, § 1 van het aangehaalde Koninklijk Besluit; Dat verzoekster zich hier echter niet op beroepen heeft; Dat de motivering hieromtrent dan ook niet terzake dienend is; 3.
- Dat de bestreden beslissing van het Beheerscomité van de R.S.Z. met geen woord rept over de door verzoekster ingeroepen uitzonderlijke omstandigheden (zie artikel 55 § 2); Dat de motiveringsplicht op dit punt dan ook totaal met de voeten getreden wordt; 3.
- Dat er geen motivering betreffende de dwingende billijkheidsredenen (zie artikel 55 § 3) is, doch het Beheerscomité van de R.S.Z. zich er mee vergenoegt te zeggen dat deze niet aanwezig zijn; Dat niet wordt aangegeven waarom de gevolgen van de aangehaalde feiten in concreto niet als dwingende billijkheidsredenen kunnen beschouwd worden; Dat verzoekster in haar schrijven dd. 02.12.1997 aangaf dat de achterstanden terug te brengen zijn naar de sluiting van de binnengrenzen van de EG begin 1993; Dat in datzelfde jaar 'Van Aert Distri BVBA' werd opgericht, mits splitsing van de 'BVBA Oud-Douaneagentschap Van Aert' in twee nieuwe vennootschappen, namelijk enerzijds 'Van Aert Douaneagentschap BVBA' en anderzijds 'Van Aert Distri BVBA'; Dat tengevolge van de sluiting van de binnengrenzen en de enorme impact ervan op het bedrijf van verzoekster, verzoekster het statuut van 'bedrijf in moeilijkheden' verkreeg; Dat door de sluiting van de grenzen het overgrote deel van de inkomsten van verzoekster wegvielen, en bovendien door de opzegging van een gedeelte van het personeel nog enorme sociale lasten gedragen dienden te worden; 3.
- Dat verzoekster dan ook voldoende aantoonde dat er in haren hoofde wel degelijk uitzonderlijke omstandigheden, dan wel dwingende billijkheidsredenen aanwezig waren; VII-17.071-6/12 Dat de betwiste beslissing derhalve niet wordt gesteund op rechtmatige en juridisch verantwoorde overwegingen, waardoor de motiveringsplicht geschonden werd"; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert : "
- In een eerste onderdeel van dit middel beweert de verzoekende partij dat de bestreden beslissing niet gemotiveerd is conform de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; meer bepaald dat de beslissing van 29 juni 1998 niet op de juiste juridische en feitelijke gronden steunt. De verzoekende partij steunt deze stelling op het feit dat zij zich in haar schrijven van 2 december 1997 enkel en alleen beroept op de bepalingen van artikel 55 § 2 en 3 van het K.B. van 28 november
- Uit de lezing van de voormelde brief van 2 december 1997 blijkt nochtans uitdrukkelijk dat verzoekster eveneens melding maakt van overmacht (al.3, ltst. woord). De verwerende partij heeft bijgevolg terecht de aanvraag van de verzoekende partij getoetst aan het bepaalde van artikel 55, § 1 van het K.B. van 28 november 1969 (tot uitvoering van de wet van 27 juni 1961 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - B.S., 5 december 1969, err., B.S., 22 december 1970).
- In een tweede onderdeel beroept verzoekster zich op het feit dat de verwerende partij met geen woord rept over de door haar ingeroepen uitzonderlijke omstandigheden (art. 55, § 2). Deze uitzonderlijke omstandigheden zijn volgens de verzoekende partij 'de sluiting van de binnengrenzen van de EG', waardoor het gros van haar inkomsten wegviel. Voor het overige worden deze omstandigheden niet gespecifieerd. De verzoekende partij gaat met deze bewering voorbij aan het feit dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing als volgt heeft uitgesproken over deze omstandigheden : 'De sluiting van de EG-binnengrenzen, is de BVBA evenwel niet volledig vreemd aangezien zij verband houdt met de uitgeoefende activiteit en aldus behoort tot het bedrijfsrisico (nvdr. : dus niet uitzonderlijk). Daarenboven was de situatie te voorzien (nvdr. : en dus niet uitzonderlijk) ...' De verwerende partij stelt aldus dat de nakende sluiting van de EG- binnengrenzen reeds jaren een feit was, waarop de verzoekende partij als betrokken partij - gelet op haar professionele bezigheden - op een bedrijfseconomische gepaste wijze diende in te spelen. Derhalve was deze situatie in haren hoofde perfect voorzienbaar en niet uitzonderlijk. Het feit dat verzoekster van het Ministerie van Economische Zaken het statuut kreeg van 'bedrijf in moeilijkheden' is hieraan volledig vreemd.
- In een derde onderdeel van het middel beweert de verzoekende partij 'dat er geen motivering betreffende de dwingende billijkheidsredenen is, doch het Beheerscomité van de R.S.Z. zich er mee vergenoegt te zeggen dat deze niet aanwezig zijn'. Dit staat niet te lezen in de bestreden beslissing, die stelt : 'Tevens besliste het Beheerscomité dat de gevolgen van de aangehaalde feiten niet kunnen worden aanzien als zijnde dwingende billijkheidsredenen, zodat op deze basis evenmin toepassing kan worden gemaakt van artikel 55, § 3, 2/ van het Koninklijk besluit van 28 november 1969'. De aangehaalde feiten zijn in de bestreden beslissing : 'De sluiting van de EG- binnengrenzen, is de BVBA evenwel niet volledig vreemd aangezien zij verband houdt met de uitgeoefende activiteit en aldus behoort tot het bedrijfsrisico. VII-17.071-7/12 Daarenboven was de situatie te voorzien en werd niet aangetoond dat zij het de BVBA volstrekt onmogelijk maakte om de socialezekerheidsbijdragen tijdig te voldoen'. Bijgevolg gebood de rechtvaardigheid niet aan de verwerende partij om de op deze gronden de gevorderde ontheffing te verlenen (R.v.St., 7 juni 1990). De bestreden beslissing is bijgevolg uitdrukkelijk en op een afdoende wijze gemotiveerd. Hierbij kan nog worden onderstreept dat het Beheerscomité in de bestreden beslissing de wens uitdrukte om de aanvraag verder te onderzoeken teneinde na te gaan of dringende redenen van gewestelijke en/of nationaal economisch belang kunnen worden weerhouden (eveneens art. 55, § 3, 2). Het middel is bijgevolg in al haar onderdelen ongegrond"; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, samengevat, het volgende betoogt : De interpretatie die de verwerende partij in haar memorie van antwoord geeft aan de overweging vermeld in haar beslissing van 29 juni 1998, houdt een ontoelaatbare uitbreiding in van de beslissing van het beheerscomité en maakt duidelijk een interpretatie post factum uit. De motivering moet af te leiden zijn uit de tekst van de beslissing zelf. Op de argumentatie inzake de uitzonderlijke omstandigheden werd gewoon niet geantwoord. Motieven die voor het eerst worden naar voor geschoven tijdens een procedure voor de Raad van State kunnen niet worden aanvaard. Voorts geeft het beheerscomité niet aan waarom de gevolgen van de feiten in concreto niet als dwingende billijkheidsredenen kunnen worden beschouwd. Er is een onvoldoende draagkracht van de motivering voortvloeiend uit een gebrekkige binding tussen de beslissing en de feiten die als grondslag dienen voor de beslissing. In casu werd niet ingegaan op de vragen die door een lid (werkgever) van de beheerraad werden gesteld, met name of de situatie van de verzoekende partij een alleenstaand geval uitmaakt en of anderen zich in een soortgelijke situatie bevinden. In haar brief van 2 december 1997 gaf de verzoekende partij aan dat de achterstanden in de betaling van R.S.Z.-bijdragen zijn ontstaan na de sluiting van de binnengrenzen op 1 januari 1993 en de afschaffing van de douaneactiviteiten, waardoor abrupt een einde werd gemaakt aan de activiteiten van de b.v.b.a. VAN AERT DOUANE-AGENTSCHAP, hetgeen leidde tot een gedwongen meervoudig ontslag met een "explosie aan verschuldigde sociale bijdragen". Het was voor de b.v.b.a. VAN AERT DOUANE-AGENTSCHAP onmogelijk hierop te anticiperen. VII-17.071-8/12 De tijdelijke achterstand in de betaling van de R.S.Z.-bijdragen is derhalve het gevolg van een overheidsbeslissing die volgens de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 55, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 teneinde kwijtschelding/vermindering van de bijdrageopslagen en intresten te bekomen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog het volgende toevoegt : "Vooreerst wenst de verwerende partij een algemene opmerking te formuleren op de vraag van de verzoekende partij tot het verlenen van de kwijtschelding/vermindering van de bijdrageopslagen en de intresten. Er dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partij zelf vaag is in haar aanvraag over de respectieve hypothesen van het afzien van de toepassing van bijdrageopslagen en intresten of het enkel verminderen ervan. De verzoekende partij zelf beperkt zich tot het vermelden van de 3 'kapstokken' en het in algemene bewoordingen uitwerken van haar feitelijke situatie. Bij de aanvraag wordt geen bewijs gevoegd van betaling van alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen (voorzien in § 2 van het artikel 55 van het KB van 28.11.1969) of wordt de aanwezigheid van 'overmacht' of van 'dwingende billijkheidsredenen' niet pertinent en uitvoerig gemotiveerd. Men kan het de verwerende partij bijgevolg niet kwalijk nemen dat in de bestreden beslissing haar standpunt kort maar afdoende wordt uitgewerkt. In aansluiting met de memorie van antwoord merkt de verwerende partij op dat de verzoekende partij in haar brief van 02.12.1997 expliciet melding heeft gemaakt van de hypothese van 'overmacht'. De verwerende partij heeft bijgevolg de aanvraag getoetst aan het bepaalde van artikel 55, § 1 van het KB van 28.11.1969 (tot uitvoering van de Wet van 27.06.1961 tot herziening van de Besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). In de bestreden beslissing wordt uiteengezet waarom er geen sprake kan zijn van overmacht. De verwerende partij is van oordeel dat ze ook de hypothese van 'uitzonderlijke omstandigheden', voorzien in artikel 55, § 2 van het KB van 28.11.1969, wel degelijk heeft beantwoord. In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij zich als volgt uitgesproken over deze omstandigheden : '(...) De sluiting van de EG-binnengrenzen, is de BVBA evenwel niet volledig vreemd aangezien zij verband houdt met de uitgeoefende activiteit en aldus behoort tot het bedrijfsrisico (n.v.d.r. : dus geen uitzonderlijke omstandigheid). Daarenboven was de situatie te voorzien (n.v.d.r. dus geen uitzonderlijke omstandigheid). (...)'. In de bestreden beslissing wordt ten slotte vastgesteld dat de aangehaalde feiten niet aanzien kunnen worden als zijnde 'dwingende billijkheidsredenen'"; 2.2.
- Overwegende dat artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : VII-17.071-9/12 "Art.
- §
- De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld bij artikel 54, tweede lid, wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben. Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties, bedoeld bij de voorgaande leden, wanneer de werkgever aantoont dat hij, wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijnen. §
- Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. §
- De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 pct. worden gebracht: 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang bij wijze van uitzondering, verantwoord is"; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij, in haar brief van 2 december 1997, melding maakt van "uitzonderlijke omstandigheden, dwingende billijkheidsredenen" en "overmacht", hypothesen die respectievelijk zijn voorzien in § 2, § 3, 2/ en § 1 van het voormelde artikel 55; Overwegende dat de verwerende partij in de bestreden beslissing stelt dat de ingeroepen reden, namelijk het wegvallen van de grenzen binnen de Europese Gemeenschap, niet als overmacht kan worden aangezien, vermits zij verband houdt met de uitgeoefende activiteit en dus deel uitmaakt van het ondernemingsrisico; dat zij haar beslissing op dat punt naar recht verantwoordt, temeer die grenzen niet plots en onverwacht zijn weggevallen; VII-17.071-10/12 Overwegende dat de verwerende partij in haar beslissing van 29 juni 1998 echter geenszins ingaat op de hypothese dat de aangevoerde redenen als uitzonderlijke omstandigheden zouden kunnen worden gekwalificeerd, niettegenstaande de verzoekende partij in haar brief van 2 december 1997 uitdrukkelijk melding had gemaakt van "uitzonderlijke omstandigheden" als mogelijke grond voor de kwijtschelding of vermindering van bijdrageopslagen of intresten; dat de verwerende partij bovendien in die beslissing wel stelt dat de gevolgen van de aangehaalde feiten niet als dwingende billijkheidsredenen kunnen worden aangezien, doch niet in het minst motiveert waarom dit zo is; dat de omstandigheid dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de aanvraag verder zou kunnen worden onderzocht vanuit het oogpunt van "dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang", mits bepaalde bijkomende gegevens worden bijgebracht, evenmin als de omstandigheid dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een nadere motivering probeert te verschaffen, kunnen verhinderen dat de bestreden beslissing in beide opzichten gebrekkig is gemotiveerd; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betreffende de aanvraag van de b.v.b.a. VAN AERT-DISTRI om ontheffing van aangerekende bijdrageopslagen en intresten, meegedeeld bij brief van 29 juni
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-17.071-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.071-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.425 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.