← België

Arrest 160426 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.426 Rolnummer: A. 79448/VII-16903 Zaak: Arrest 160426 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 22:28 Fiche Arrest nr 160.426 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.426 van 22 juni 2006 in de zaak A. 79.448/VII-16.

  1. In zake :
  2. de n.v. EIKENAAR,
  3. Theophiel EIKENAAR, die woonplaats kiezen bij advocaat J. GHIJSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. EIKENAAR en Theophiel EIKENAAR op 20 juli 1998 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van artikel 2,2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1998 houdende vaststelling van de lijst van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest in de loop van 1998 zal worden begonnen of voortgezet; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 6 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-16.903-1/16 Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. ROELANDT die, loco advocaat J. GHIJSELS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat Y. LOIX die, loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Rechtspleging Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord doen gelden dat de memorie van antwoord van de verwerende partij onontvankelijk is en uit de debatten moet worden geweerd; dat zij ter terechtzitting afstand doen van deze exceptie;
  6. Feiten Overwegende dat de voor de oplossing van dit geschil relevante feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.
  7. De verzoekende partijen zijn eigenaar van de terreinen in Bocholt en Meeuwen-Gruitrode waarop eertijds de arseenfabriek van de n.v. METALLUR- GIE HOBOKEN-OVERPELT was gevestigd en die sterk vervuild blijken te zijn. Tussen de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) en de eigenaars van de kwestieuze percelen bestaat er betwisting over de omvang en de implicaties van de noodzakelijke saneringswerken. 2.
  8. Na jaren van overlegpogingen mét, en aanmaningen en ingebrekes- tellingen van de eigenaars, neemt de Vlaamse Executieve op 30 juli 1992 een besluit waarbij aan OVAM formeel opdracht wordt gegeven over te gaan tot de onmiddellij- ke ambtshalve sanering van de terreinen van de voormalige arseenfabriek. OVAM VII-16.903-2/16 wordt tevens gemachtigd om tot de onteigening van de terreinen over te gaan en om een beroep te doen op de rijkswacht om zich toegang tot de terreinen te verschaffen. 2.
  9. Daags nadien, op 31 juli 1992, neemt de Gemeenschapsminister van Leefmilieu en Huisvesting een besluit waarbij OVAM gemachtigd wordt over te gaan tot onmiddellijke verwerving, bij wege van onteigening, van de volle eigendom en de ondergrondse inname van de te saneren percelen, tot nut van het algemeen. 2.
  10. De annulatieberoepen die de eerste verzoekende partij had ingediend tegen, onder meer, de voormelde besluiten van 30 en 31 juli 1992 worden verworpen bij ‘s Raads arrest nr. 65.039 van 6 maart
  11. 2.
  12. Met het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1998 houdende vaststelling van de lijst van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door OVAM in de loop van 1998 zal worden begonnen of voortgezet, worden onder artikel 2,2/ de voormelde gronden van de verzoekende partijen aangewezen. Voordien reeds, met name met de besluiten van de Vlaamse regering van 17 januari 1996 en 17 juni 1997, werden de zelfde verontreinigde gronden aangewezen als gronden waarvoor de uitvoering van de bodemsanering door OVAM in 1996 respectievelijk 1997 ambtshalve zal worden voortgezet Ook na het indienen van onderhavige beroep neemt de Vlaamse regering opeenvolgende, gelijkaardige besluiten waarin telkenmale de kwestieuze gronden zijn opgenomen op de lijst van gronden waarvoor de uitvoering van de bodemsanering door OVAM ambtshalve zal worden voortgezet;
  13. Ontvankelijkheid van het beroep 3.
  14. Standpunten van de partijen Overwegende dat de standpunten van de partijen aangaande de ontvankelijkheid van het beroep als volgt kunnen worden weergegeven : 3.1.
  15. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de onontvankelijkheid van het beroep op om de volgende redenen : "III.
  16. Belang? VII-16.903-3/16 Verzoekende partijen hebben zich nooit verzet tegen de opname door de Vlaamse Regering bij besluiten genomen in 1996 en 1997, van hun litigieuze terreinen in de lijst van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet teneinde aldus de activiteiten van de OVAM te plannen. Zij hebben hun belang daardoor verloren. Bovendien hebben zij geen enkel nadeel. Het belang is immers het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van het nadeel dat voor hem is ontstaan uit het bestreden besluit, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging. Ten onrechte zoals hierna zal worden aangetoond, evenals in alle middelen afzonderlijk, wordt gesteld dat de plaatsing op de aangevochten lijst overeenkomstig art. 46 van het bodemsaneringsde- creet, een nadeel veroorzaakt. Dat nadeel kan niet voortvloeien uit dat besluit, gezien, zoals hierna wordt aangetoond, de sanering niet gebaseerd is op het bodemsaneringsdecreet. De vernietiging kan dan ook tot geen enkel voordeel leiden. III.
  17. Heeft het aangevochten besluit rechtsgevolgen ?
  18. De vordering tot vernietiging is niet ontvankelijk bij gebrek aan nadeel en belang in hoofde van verzoekende partijen, aangezien de bestreden beslissing geen rechtsgevolgen heeft, alleszins niet voor verzoekende partijen. Het is in casu louter een ‘planningsbesluit’. Het gaat niet om een besluit in het kader van een uitvoering op grond van het bodemsaneringsdecreet.
  19. Op voorstel van OVAM stelt de Vlaamse regering, overeenkomstig artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet, elk jaar een lijst vast van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door OVAM in de loop van het volgende jaar zal worden begonnen of voortgezet. Deze lijst betreft geen individuele rechtshandeling die beoogt rechtsgevolgen te creëren voor derden, doch een louter plannings- en financieringsinstrument in hoofde van de Vlaamse regering en OVAM. Artikel 46 behelst een louter planningsinstrument, nu de middelen van OVAM beperkt zijn, en derhalve alle ambtshalve saneringen niet gelijktijdig door OVAM kunnen worden aangevat. De lijst van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet beoogt uitsluitend de materiële en financiële organisatie van de saneringswerken optimaal te laten verlopen, zonder dat de opname op de lijst een conditie sine qua non is voor de uitvoering van saneringswerken. In de rechtsleer wordt door D. RYCKBOST aangaande artikel 46 overwogen : 'Teneinde de materiële en financiële organisatie van de werkzaamheden optimaal te laten verlopen, bepaalt artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet dat elk jaar een lijst wordt vastgesteld van de saneringen die in de loop van het volgende jaar door OVAM ambtshalve zullen worden uitgevoerd. Deze lijst bevat een prioriteitenstelling maar is enkel richtinggevend'. (...) Aangezien de lijst van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet slechts als een richtinggevend planningsinstrument kan worden beschouwd, vloeien hieruit geen rechtstreekse rechtsgevolgen voor verzoekende partijen. Alleen uitvoerbare rechtshandelingen zijn nochtans vatbaar voor schorsing of voor vernietiging door Uw Raad. Het beroep waarbij een handeling zonder rechtsgevolgen wordt aangevochten, is niet ontvankelijk. Een voor de Raad van State aangevochten beslissing moet uitvoerbaar zijn, waarmee wordt bedoeld dat ze rechtsgevolgen moet doen ontstaan. Het besluit (van) de Vlaamse regering van 24 maart 1998 houdende vaststelling van de lijst van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door de OVAM in de loop van 1998 zal worden voortgezet, is geen uitvoerbare rechtshandeling met rechtsgevolgen, zodat de annulatievordering wegens onontvankelijkheid dient te worden verworpen. Niet alleen is de bestreden beslissing geen uitvoerbare rechtshandeling met rechtsgevolgen, bovendien was de opname van de percelen van verzoekende VII-16.903-4/16 partijen geenszins vereist voor de voortzetting van de saneringswerken Verwerende partij licht haar stelling nader toe. De sanering van de litigieuze percelen geschiedt niet op grond van de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet, doch op grond van oud artikel 21 § 2, c van het Afvalstoffendecreet zoals ingevoerd door artikel 54, 5/ van het Decreet Bestuurlijk Beleid van 12 december
  20. Dit artikel werd weliswaar opgeheven door het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, doch in artikel 14 van dit decreet werd in een overgangsbepaling voorzien. De volledige tekst van voormeld artikel 14 luidt als volgt : 'De maatregelen tot ambtshalve sanering van verontreinigde bodems en buiten gebruik gestelde industriële installaties op grond van artikel 21, §2, C van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, waarvan de uitvoering is aangevangen vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden voltooid en de kosten ervan verhaald overeenkom- stig de regels die golden voor de inwerkingtreding van dit decreet'. Onderhavige casus valt binnen het toepassingsgebied van deze in artikel 14 opgenomen hypothese. Verzoekende partijen werden overeenkomstig (oud) artikel 21, §2, C van het decreet betreffende het beheer van afvalstoffen, na een voorafgaand bodemonderzoek dd. 1 december 1986, dd. 4 maart 1987 tot sanering aangemaand. Op 20 december 1989 hechtte de Vlaamse Executieve haar goedkeuring aan de ontwerp-overeenkomst tussen OVAM en de n.v. Belgroma betreffende een studieopdracht en het opmaken van een aanbeste- dingsdossier met het oog op de ambtshalve sanering. Bij brief dd. 15 februari 1990 deelde OVAM mede dat de werkzaamheden in verband met deze opdracht een aanvang zouden nemen op 15 februari
  21. Op 25 februari 1992 werden verzoekende partijen nogmaals gewezen op de aanmaning dd. 4 maart 1987, en deelde OVAM mede dat overeenkomstig artikel 21, §2, C van het Afvalstoffen- decreet tot de ambtshalve sanering zou worden overgegaan. Op 13 maart 1992 werd door de gemachtigde ambtenaar een bouwvergunning verleend, strekkende tot het saneren van de voormalige arseenfabriek. Bij schrijven dd. 25 maart 1992 werd vervolgens door OVAM de tijdelijke vereniging n.v. Soils, nv. Dapemo en n.v. Dredging International ervan in kennis gesteld dat ze met de uitvoering van de saneringswerken werden belast, en waarin werd vastgelegd : 'De aanvang der werken wordt in overleg met OVAM vastgesteld op de eerste coördinatieverga- dering, te houden binnen een maand'. Vervolgens verhinderden verzoekende partijen de tijdelijke vereniging toegang tot de te saneren percelen. Op 24 april belegde de OVAM daarop een vergadering te Bocholt met o.m. afgevaardigden van het gemeentebestuur, de aannemers en de eigenaars van de terreinen en hun raadslieden en verzoekende partijen, dewelke evenwel de toegang bleven weigeren. Bij gebreke aan enige reactie heeft de Vlaamse Executieve alsdan dd. 30 juli 1992 formeel aan OVAM de opdracht gegeven over te gaan tot de onmiddellijke ambtshalve sanering van de litigieuze terreinen van verzoekende partijen, waarbij ze tevens werd gemachtigd om tot de onteigening van de terreinen over te gaan, en om een beroep te doen op de rijkswacht om zich een gedwongen toegang te verschaffen. Nu uit het voorgaande met zekerheid blijkt dat verzoekende partijen niet enkel in gebreke werden gesteld vóór de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, doch eveneens de formele beslissing tot de onmiddellijke ambtshalve sanering' dd. 30 juli 1992, en de aanstelling, en bijeenkomsten van de aannemers reeds werden gerealiseerd , staat onomwonden vast dat de sanering is aangevat overeenkomstig de hypothese van artikel 14 van het decreet. De aanvang der werken vóór 7 mei 1994 impliceert overeenkomstig artikel 14 dat de 'saneringswerken worden voltooid en de kosten ervan verhaald VII-16.903-5/16 overeenkomstig de regels die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet'. In de rechtsleer wordt dienaangaande eveneens overwogen : 'Alle historische verontreiniging vastgesteld voor 7 mei 1994 en waarvan de sanering reeds ambtshalve is aangevat door OVAM vóór 7 mei 1994, ressorteert nog onder het toepassingsgebied (overgangsregeling) van artikel 21, §2, C'. Voorgaande vaststelling houdt in dat voor de ambtshalve sanering van de litigieuze terreinen niet de regels van het Bodemsaneringsdecreet dienen te worden gevolgd, doch uitsluitend deze van het oude Afvalstoffendecreet, en in het bijzonder artikel 21, §2, C. Aangezien de bepalingen van het Bodemsaneringsdecreet geen toepassing vinden op de sanering van de litigieuze terreinen, was verwerende partij geenszins gehouden deze terreinen te weerhouden in de lijst van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet. De opname op deze lijst was immers geen voorwaarde om overeenkomstig oud artikel 21, §2, C tot ambtshalve sanering te kunnen overgaan. Het enige motief van verwerende partij tot opname van de terreinen op de bestreden lijst heeft betrekking op de planning en begroting van verwerende partij en OVAM. Uit wat voorafgaat blijkt dat de sanering van terreinen van verzoekende partij volstrekt mogelijk is zonder de opname ervan in de bestreden lijst, zodat uit de bestreden beslissing geen enkel nadeel vloeit voor verzoekende partijen. Opdat een schorsingsvordering (sic) nochtans ontvankelijk zou worden verklaard, dient de aangevochten handeling een effectief nadeel toe te brengen aan de verzoekende partijen. Deze laatste zal immers slechts een voldoende belang hebben bij de vernietiging indien de bestreden beslissing voor hem griefhoudende gevolgen kent, m.a.w. hem schaadt. Beroepen gericht tegen beslissingen die geen enkel nadeel toebrengen aan de verzoekende partijen zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Bij gebrek aan enig effectief nadeel is de vordering van verzoekende partijen onontvankelijk bij gebrek aan belang. Het verzoekschrift tot nietigverklaring vanwege verzoekende partijen is KENNELIJK niet ontvankelijk"; 3.1.
  22. De verzoekende partijen repliceren in hun memorie van wederantwoord als volgt : "
  23. Artikel 21, §2, c) werd opgeheven bij artikel 14 van het Decreet van 20 april 1994 (B.S., 29 april 1994) tot wijziging van het Decreet van 2 juni 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen. Deze opheffing heeft, ingevolge artikel 15 van het decreet van 20 april 1994, haar uitwerking vanaf 7 mei
  24. Artikel 14, derde lid van het Decreet van 20 april 1994 luidt als volgt : '... De maatregelen tot ambtshalve sanering van verontreinigde bodems en buiten gebruik gestelde industriële installaties op grond van artikel 21, § 2, c van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, waarvan de uitvoering is aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden voltooid en de kosten ervan verhaald overeenkomstig de regels die golden voor de inwerkingtreding van dit decreet'. (...) Uit de parlementaire werkzaamheden volgt dat men met de opheffing van artikel 21, §2, c) een punt wou zetten achter al hetgeen tot nu toe inzake bodemsanering gebeurd was.
  25. In deze werden de saneringswerken niet aangevangen vóór 7 mei 1994 en konden zij voor die datum ook niet worden aangevangen. Saneringswerken kunnen uiteraard enkel worden aangevangen op grond van een wettige beslissing. De Raad heeft geoordeeld dat de aangetekende brief van VII-16.903-6/16 OVAM dd. 25 februari 1992, die verwijst naar de aangetekende brief van 4 maart 1987 geen wettige beslissing is. Sterker nog de Raad heeft geoordeeld dat het gaat om een niet bestaande beslissing. (...) Ook het besluit van de Vlaamse Executieve van 30 juli 1992 (B.S., 14 augustus 1992), waarbij opdracht wordt gegeven om tot ambtshalve sanering over te gaan, kan een wettige aanvang van de uitvoering niet schragen. Dit besluit werd op zijn beurt door de Raad van State geschorst, eerst voorlopig bij arrest nr. 40.115 van 25 augustus 1992, later bevestigd bij arrest nr. 40.480 van 24 september
  26. Het besluit van de Gemeenschapsminister van Leefmilieu en Huisvesting dd. 31 juli 1992, waarbij OVAM wordt gemachtigd om over te gaan tot onmiddellijke verwerving, bij wege van onteigening, van de volle eigendom en de ondergrondse inname van de te saneren percelen, en waarbij deze verwervingen tot nut van het algemeen worden verklaard en waarbij eveneens beslist wordt dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming van de percelen vordert, kan evenmin een wettige aanvang van de uitvoering van saneringswerken voor datum van 7 mei 1994 motiveren, en dit om meerdere redenen. Eerst en vooral heeft dit besluit zelf geen betrekking op de uitvoering van saneringswerken. Het laat geen dergelijke werken toe. Mocht men, per impossibile, toch in dit besluit willen lezen dat daarbij saneringswerken worden bevolen en of toegelaten, dan belette het arrest nr. 41.125 van 23 november 1992, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit beveelt, in ieder geval dat op grond van dit besluit wettig konden worden aangevangen met de voorgenomen saneringswerken. Men kan ook moeilijk staande houden dat de saneringswerken voor datum van 7 mei 1994 wettig zouden aangevangen zijn, zonder dat men daarbij in rechte zou erkennen dat het gezag van gewijsde geschonden is van de vonnissen van de Vrederechter van het Kanton Bree dd. 18 juni 1992 en 21 augustus
  27. Bij vonnis van 18 juni 1992 (rep. 452 en 455), heeft de Vrederechter van het Kanton Bree de vordering in onteigening van OVAM dd. 5 juni 1992 niet toelaatbaar verklaard en gezegd voor recht dat er geen aanleiding bestaat om de onteigeningsprocedure verder te zetten. Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep aangetekend. Op de bezitsvordering van EIKENAAR heeft de Vrederechter van het Kanton Bree bij vonnis van 21 augustus 1992 aan OVAM en het VLAAMS GEWEST, bij toepassing van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, verboden om, al dan niet met bijstand van de Rijkswacht, bezit te nemen van de terreinen van de N.V. EIKENAAR of deze terreinen te betreden of er enige werkzaamheid op uit te oefenen. Dit vonnis van de Vrederechter werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren bij vonnis van 6 september 1993 in hoger beroep bevestigd (zie Rb. Tongeren, 6 september 1993, R.W., 1994-95, 196, met noot van VUYE, H., 'Bezitsvorderingen en milieurecht : over oude en nieuwe procedures.') Het louter nemen van beslissingen met het oog op later uit te voeren ambtshalve saneringswerken, kan niet gelden als een uitvoering, aangevangen vóór 7 mei
  28. Artikel 14 vereist uitdrukkelijk een 'begin van uitvoering'. Welnu, dit is in casu niet voorhanden. Er zijn immers geen materiële daden van uitvoering gesteld. Loutere voorafgaande juridische beslissingen, die geen werken zijn, kunnen niet beschouwd worden als een begin van uitvoering (vgl. de rechtspraak van de Raad van State inzake het verval van de bouwvergunning). Onderzoeken die OVAM heeft laten doen om zich te documenteren over de noodzaak van een sanering zijn evenmin een aanvang van de saneringswerken. Dergelijk onderzoek houdt immers op zich geen machtiging in om saneringswerken uit te voeren, zodat louter en alleen op grond van een dergelijk onderzoek niet met de werken kan worden aangevangen. Ook plaatsbezoeken VII-16.903-7/16 en gesprekken met de partijen, om zich te documenteren, houden geen uitvoering van bodemsaneringswerken in. Deze onderzoeken, gesprekken en plaatsbezoeken dateren immers allen van vóór dat er sprake kan zijn van een saneringsbesluit, zoals vereist door het arrest nr. 39.715 van 12 juni
  29. Al hetgeen dateert van vóór de saneringsbeslissing kan niet als uitvoering van de saneringswerken worden beschouwd. Er is dan ook geen aanvang van saneringswerken, zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 20 april
  30. Dit wordt met zoveel woorden bevestigd door het vonnis dd. 28 januari 1999 van de heer Vrederechter van het kanton Bree, waarbij deze uitspraak heeft gedaan over de bezitsvordering van EIKENAAR.
  31. Wat zijn nu de gevolgen van de vaststelling dat er geen aanvang van de saneringswerken is, zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 20 april 1994? Dit houdt in de praktijk in dat, wanneer OVAM op de betrokken terreinen toch één of andere sanering wil uitvoeren, zij na 29 oktober 1995 de sanering dient verder te zetten overeenkomstig het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (zie B.S., 29 april 1995) (zie overweging nr. 2.
  32. in het arrest nr. 65.039 van 6 maart 1998). Uiteraard brengt dit mee dat OVAM slechts tot ambtshalve sanering kan overgaan, behoudens de wettelijk voorziene uitzonderingen, indien het perceel is opgenomen op de lijst bedoeld in artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet (cfr. infra II.2). II.
  33. Het bestreden besluit heeft wel degelijk rechtsgevolgen
  34. Ten onrechte voert de verwerende partij aan dat het bestreden besluit geen uitvoerbare rechtshandeling met rechtsgevolgen zou zijn. Zo zou volgens de verwerende partij het bestreden besluit een louter plannings- en financieringsinstrument in hoofde van de Vlaamse regering en OVAM uitmaken, en geen individuele rechtshandeling die beoogt rechtsgevolgen voor derden te creëren. De opname op de lijst zou zelfs volgens de verwerende partij geen conditio sine qua non uitmaken voor de uitvoering van de saneringswerken.
  35. Het standpunt van de verwerende partij vindt geen enkele steun in de voorbereidende parlementaire werken. In de toelichting bij het ontwerp van decreet werd het volgende gesteld : 'Deze prioriteitenlijst is richtinggevend maar niet absoluut bindend. De meest belangrijke gevallen zullen uiteraard onder controle moeten worden gebracht in de loop van de planperiode. OVAM kan evenwel bij uitzonderlijke gevallen van ernstige bodemverontreiniging afwijken van de lijst en dit zowel wanneer veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn bij onmiddellijk gevaar als bij het optreden bij in gebreke blijven van de saneringsplichtige'. (Mem.v.Toel, Gedr.St., Vl.R., zitting 1993-94, stuk 587, nr. 1, 43). De lijst, waarvan sprake in artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet, slaat op de ambtshalve te saneren (historisch) verontreinigde bodems. Het gaat om een prioriteitenlijst, die wel degelijk, hoewel niet absoluut, bindend is. Dit blijkt des te meer uit de redactie van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet. Artikel 46, § 1 van het Bodemsaneringsdecreet bepaalt dat de Vlaamse regering op voorstel van OVAM elk jaar een lijst van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door OVAM zal worden begonnen of voortgezet, vaststelt. De uitvoering van de prioritreitenlijst is het principe. Het gaat om een lijst die in de loop van het jaar zeker zal dienen te worden uitgevoerd (DE NIJS, W. en VAN DYCK, E., 'Decreet betreffende de bodemsanering', niet gepubliceerd, 15). Artikel 46, § 2 van het Bodemsaneringsdecreet laat immers slechts toe aan OVAM om af te wijken van deze lijst

(1)bij het nemen van veiligheidsmaatregelen overeenkomstig artikel VII-16.903-8/16 45, § 3 en
(2)indien OVAM ambtshalve moet optreden omdat een exploitant of eigenaar of gebruiker van verontreinigde gronden zijn verplichtingen in het kader van dit decreet niet of niet volledig uitvoert (zie ook RYCKBOST, D., 'Bodemsanering in Vlaanderen', in Recht en praktijk nr. 26, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen België, 1997, 210-211). Op OVAM rust derhalve de verplichting de op de lijst voorkomende sites ambtshalve te saneren.
  1. In dit verband kan gewezen worden op de lijst bedoeld in artikel 30 van het Bodemsaneringsdecreet. Op deze lijst wijst de Vlaamse regering op voorstel van OVAM de historisch verontreinigde bodems aan waar bodemsanering moet plaatsvinden. Blijkens de memorie van toelichting dient ook deze lijst als een indicatieve prioriteitenlijst beschouwd te worden. Deze regeling werd ingegeven door de omvang en de beperktheid van de financiële middelen van de overheid (Mem.v.Toel, Gedr.St., Vl.R., zitting 1993-94, stuk 587, nr. 1, 33). Deze lijst is derhalve te vergelijken met deze bedoeld in artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet. Welnu, de Raad van State heeft in zijn arrest nr. 73.647 van 14 mei 1998 geoordeeld dat de aanwijzing door de Vlaamse regering van de historisch verontreinigde bodems in het kader van artikel 30, § 2 van het Bodemsaneringsdecreet geen louter declaratief karakter heeft.(...) Ook in onderhavig geval is het vereist dat de overheid iedere verontreinigde site op een individuele wijze dient te evalueren (zie tweede en derde middel van het verzoekschrift). Dat dergelijke evaluatie vereist is blijkt uit de verwijzing in de aanhef van het besluit naar niet nader gespecifieerde studies waarin de aard van de verontreiniging en de ernstige bedreiging van bodem- en grondwater zou zijn vastgesteld, op grond waarvan de keuze van de verontreinigde bodems zou gemotiveerd zijn. Ook in het geval van artikel 46, § 1 van het Bodemsaneringsdecreet kan de Vlaamse regering op voorstel van OVAM optreden. Er is derhalve blijkbaar geen verplichting in hoofde van de Vlaamse regering. Indien de gronden niet worden opgenomen op de lijst van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet, dan kan OVAM enkel tot ambtshalve sanering overgaan indien er zich een situatie bedoeld in artikel 46, § 2 van het Bodemsaneringsdecreet voordoet. (...)'. Ook in onderhavig geval heeft het bestreden besluit rechtsgevolgen voor verzoekende partijen, nu op grond van dit besluit de ambtshalve sanering, althans in de visie van de verwerende partij, zou kunnen voortgezet worden. In tegenstelling met wat de verwerende partij voorhoudt maakt de opname op de lijst wel degelijk een noodzakelijke voorwaarde uit om de ambtshalve sanering te kunnen voortzetten. Verzoekende partijen hebben immers aangetoond dat de verdere uitvoering van de sanering dient te gebeuren volgens de regels van het Bodemsaneringsdecreet. De verwerende partij kan dan ook niet gevolgd worden waar zij ervan uitgaat dat, zelfs zonder opname op de lijst, de arnbtshalve sanering zou kunnen voortgezet worden volgens de regels van artikel 21, § 2, c van het oude Afvalstoffendecreet.
  2. De omstandigheid dat verzoekende partijen de besluiten uit 1996 en 1997 van de Vlaamse regering genomen in uitvoering van artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet niet hebben aangevochten, belet niet dat zij wel de degelijk belang hebben om het thans bestreden besluit aan te vechten. Het betreft hier een jaarlijks op te stellen lijst. OVAM kon op grond van deze besluiten niet overgaan tot ambtshalve sanering, nu op dat ogenblik een betredingsverbod, opgelegd door de heer Vrederechter van Bree bij vonnis dd. 21 augustus 1992, in hoofde van OVAM bestond. Na het tussengekomen arrest nr. 65.039 van 6 maart 1997 heeft OVAM het geding voor de heer Vrederechter te Bree slechts geactiveerd eind 1997, zodat VII-16.903-9/16 verzoekende partijen er geen belang bij hadden om de betrokken besluiten van 1996 en 1997 aan te vechten. OVAM kon immers zolang het vonnis dd. 21 augustus 1992 van de heer Vrederechter te Bree hen verbood om de terreinen te betreden, (...) geen aanvang nemen met de uitvoering van de sanering.
  3. Gelet op het bovenstaande, is het duidelijk dat het annulatieberoep ontvankelijk is. Verzoekende partijen doen blijken van het rechtens vereiste belang en het bestreden besluit heeft wel degelijk rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partijen"; 3.1.
  4. De verzoekende partijen gaan in hun laatste memorie als volgt in op de conclusies van het auditoraatsverslag, waarin het standpunt dat het beroep niet ontvankelijk is wordt bijgetreden : "
  5. In het auditoraatsverslag wordt aan een heel belangrijk gegeven voorbij gegaan. De kernvraag is immers of met de uitvoering van de maatregelen tot ambtshalve sanering waartoe besloten werd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juli 1992 en die volgens het arrest nr. 65.039 van 6 maart 1997 hun rechtsgrond blijven vinden in artikel 21, § 2, c), van het decreet van 2 juni 1981 effectief werd aangevangen voor de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 1994? Uit artikel 15 van het decreet van 20 april 1994 volgt dat dit decreet in werking getreden is op 7 mei
  6. Er dient dus aangetoond te worden dat met de uitvoering van de maatregelen tot ambtshalve sanering effectief werd aangevangen vóór 7 mei
  7. In het auditoraatsverslag wordt geen enkel feit aangeduid dat een effectieve aanvang van de maatregelen tot ambtshalve sanering vóór 7 mei 1994 staaft. In de memorie van antwoord (blz. 5) wordt zondermeer gesteld dat de saneringswerken aangevat zijn. Deze blote bewering wordt niet verder gestaafd door feiten of stukken. Evenmin wordt aangetoond of maar beweerd dat de aanvatting gebeurde vóór 7 mei
  8. Op blz. 6 en 9 van de memorie van antwoord beroept de tegenpartij zich op een aantal elementen. In de eerste plaats beroept de tegenpartij zich het aangetekend schrijven van 25 februari 1992(sic). Deze brief kan bezwaarlijk als een aanvang van de maatregelen tot ambtshalve sanering waartoe besloten werd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juli 1992 (sic). Een brief die dateert van vóór de beslissing tot ambtshalve sanering kan er onmogelijk de uitvoering van zijn. In het arrest nr. 39.715 van 12 juni 1992 heeft de Raad bovendien geoordeeld dat deze brief geen beslissing inhoudt. De tegenpartij beroept zich ook op een brief van 25 maart 1992 waarbij de gunning van de werken werd meegedeeld aan de T.V. Soils-Dapemo-Dredging. Weerom is dat een brief die het besluit van 30 juli 1992 vooraf gaat, zodat dit onmogelijk een uitvoering kan zijn van dat besluit. Hetzelfde geldt voor de brief van de Ovam van 21 april 1992 waarbij aan de T.V. SoilsnDapemo-Dredging het bevel werd gegeven om de werken aan te vangen op 18 mei
  9. Ook de navolgende feiten of stukken kunnen om dezelfde reden niet beschouwd worden als een effectieve aanvang van de maatregelen tot ambtshalve sanering waartoe besloten werd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juli1992 : - het bodemonderzoek van 1 december 1986; - de aanmaning van 4 maart 1987; VII-16.903-10/16 - de goedkeuring door de Vlaamse regering op 20 december 1989 van de ontwerp-overeenkomst tussen de Ovam en de NV. Belgroma betreffende een studieopdracht en het opmaken van een aanbestedingsdossier; - de brief van Ovam van 15 februari 1990; - de bouwvergunning die op 13 maart 1992 werd verleend; - het plaatsbezoek van 24 april
  10. Het besluit van 30 juli 1992 is geen aanvang van de saneringswerken die erin worden vastgesteld. Dit besluit werd bij dringende noodzakelijkheid door het arrest nr. 40.115 van 25 augustus 1992 geschorst. De schorsing werd bevestigd bij arrest nr. 40.480 van 24 september
  11. Deze schorsing is blijven bestaan tot het arrest nr. 65.039 van 6 maart
  12. De arresten nrs. 40.115 en 40.480 verhinderden dat effectief de uitvoering van de maatregelen tot ambtshalve sanering waartoe besloten werd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juli 1992 wettig aanving vóór 7 mei
  13. Op dit verweer dat al ontwikkeld was in de memorie van wederantwoord (blz. 3 tot 7), gaat het verslag niet in. Het verweer is enkel gedupliceerd op de blz. 13 tot 17 van het verslag. Het gevolg is dat om uitvoering te geven aan de maatregelen tot ambtshalve bodemsanering na 7 mei 1994, in casu na 6 maart 1997 men zich diende te gedragen naar de regels van het decreet van 22 februari
  14. Dit houdt ondermeer in dat om ambtshalve op te treden de werken dienen te worden opgenomen op de in artikel 46, § 1 BSD bedoelde lijst. Dat heeft men niet gedaan en dat wordt op de blz. 10 van de memorie van antwoord met zoveel toegegeven. Verder was het nodig om vast te stellen of de verzoekende partij overeenkomstig het Bodemsaneringsdecreet verplicht was om over te gaan tot bodemsanering. Ook dat heeft men niet gedaan. Verzoekster betwist dat zij op grond van het BSD gehouden is tot sanering. Wanneer men van oordeel zou geweest zijn dat verzoekende partij wel saneringsplichtig was, doch niet of onvoldoende optrad, dan moest haar overeenkomstig artikel 45 BSD een aanmaning gestuurd worden met een termijnbepaling. Ook dat is niet gebeurd. Er is ook niet vastgesteld dat de eigenaar of gebruiker niet verplicht was om tot sanering over te gaan, zodat Ovam ambtshalve kon optreden op grond van artikel 45, § 2 BSD. Op blz. 24 van het verslag wordt zondermeer aangenomen dat het ten deze ging om de voltooiing van saneringsmaatregelen. Dat is onjuist. Dit standpunt vereist dat de auditeur aanneemt dat er een wettige aanvang van de werken was vóór 7 mei 1994, wat hij niet doet. Het ging om de voltooiing maar om de aanvang van de werken (sic). Als men aanneemt dat de aanvang van de werken na 6 maart 1997 enkel en alleen kan op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 30 juli 1992, zonder rekening te houden met het Bodemsaneringsdecreet, dan schendt men artikel 14 van het decreet van 20 april
  15. De aanvang van de uitvoering van de beslissing van 30 juli 1992 vereist de opname op de lijst van artikel 46, § 1 BSD.
  16. In het auditoraatsverslag wordt niet uitgelegd waarom de lijst van artikel 46, § 1 BSD louter declaratief van aard is en deze van artikel 30, § 2 niet louter declaratief is. In het arrest nr. 81.065 van 17 juni 1999, N.V. Belgaarde heeft de Raad geoordeeld dat de lijst van artikel 30, § 2 BSD niet louter declaratief van aard is. In de memorie van wederantwoord heeft de verzoekende partij al gewezen op het arrest nr. 73.
  17. In de memorie van wederantwoord heeft de verzoekende partij er op gewezen dat de leer van deze arresten van overeenkomstige toepassing is m.b.t. artikel 46, § 1 BSD. In het verslag wordt daartegen geen argument ingebracht. Een vergelijking van de beide decreetbepalingen verduidelijkt de zaken nog. VII-16.903-11/16 Artikel 30, § 2 BSD luidt als volgt : 'De Vlaamse regering wijst op voorstel van OVAM die historisch verontreinigde gronden aan, waar bodemsanering moet plaatsvinden'. Artikel 46, § 1 BSD bepaalt : 'Op voorstel van OVAM stelt de Vlaamse regering elk jaar de lijst vast van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door OVAM in de loop van het volgende jaar zal worden begonnen of voortgezet. Ze vermeldt de raming van de kosten die definitief ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur kunnen komen'. In beide gevallen treedt de regering op voorstel van Ovam op. Er kan maar sprake zijn van ambtshalve optreden in de gevallen van artikel 45 BSD. Artikel 45, § 1 bepaalt : 'Indien de persoon die krachtens dit decreet verplicht is over te gaan tot bodemsanering of tot andere maatregelen niet of in onvoldoende mate optreedt, wordt hij door Ovam aangemaand zijn verplichtingen na te leven binnen een bepaalde termijn. Geeft hij aan de aanmaning geen gevolg, dan kan OVAM ambtshalve in zijn plaats optreden'. En § 2 van artikel 45 stelt : ‘OVAM kan ambtshalve overgaan tot bodemsanering indien de eigenaar of gebruiker van de gronden waar de verontreiniging tot stand kwam niet gehouden is tot bodemsanering over te gaan krachtens de artikelen 10 of 31'. Uit deze bepalingen volgt dat er wel degelijk een individuele beoordeling nodig is.
  18. Daarbij moet opgemerkt worden dat de bepalingen van de artikelen 30 en 46 BSD cumulatief zijn, wanneer zoals ten deze het om een historische verontreiniging gaat. De Vlaamse regering moet beslissen dat de historisch verontreinigde grond moet gesaneerd worden. Wil de Ovam een historisch verontreinigde grond ambtshalve saneren, dan moet bovendien gehandeld worden overeenkomstig de artikelen 45 en 46 BSD. Men kan niet stellen dat het besluit van de Vlaamse regering van 30 juli 1992 zonder in de tijd de gronden aanwijst als ambtshalve te saneren (auditoraatsverslag blz. 25), wanneer men niet eerst vaststelt dat met de sanering werd aangevangen vóór 7 mei
  19. Aangezien niet met de maatregelen aangevangen is vóór 7 mei 1994 kan het besluit van 30 juli 1992 hoogstens beschouwd worden als een besluit in de zin van artikel 30, § 2 BSD, maar niet als een besluit in de zin van artikel 46, § 1 BSD"; 3.1.
  20. De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie als volgt : "De argumentatie in de laatste memorie met verzoek tot voorzetting van de procedure van de verzoekende partijen weerlegt het standpunt van verwerende partij in haar memorie van antwoord en van de auditeur in zijn verslag m.b.t. de onontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring niet. Vooreerst wordt in de laatste memorie bijzonder veel aandacht besteed aan de vraag of met de uitvoering van de maatregelen tot ambtshalve sanering effectief werd aangevangen vóór de inwerkingtreding van het decreet van 20 april
  21. Enerzijds heeft verwerende partij in haar memorie van antwoord omstandig uiteengezet waarom er wel degelijk sprake is van een aanvang vóór de inwerkingtreding van het decreet van 20 april
  22. Anderzijds moet worden opgemerkt dat, in het licht van de onontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring, deze kwestie, die door VII-16.903-12/16 verzoekende partijen als 'de kernvraag' wordt beschouwd, volstrekt irrelevant is. Zoals de auditeur op p. 21 van zijn verslag terecht opmerkt geeft de Vlaamse Executieve bij besluit van 30 juli 1992 aan OVAM formeel de opdracht om over te gaan tot de onmiddellijke ambtshalve sanering van de terreinen van de voormalige arseenfabriek en machtigt OVAM tevens om tot de onteigening van de terreinen over te gaan en een beroep te doen op de rijkswacht om zich toegang tot de terreinen te verschaffen. Bij arrest van Uw Raad van 6 maart 1997 (nr. 65.039), oordeelde Uw Raad dat deze beslissing rechtsgeldig is en als rechtsgrond art. 21, §2, c), van het decreet van 2 juli 1981 heeft en behoudt. Om deze reden alleen al kan hier reeds worden opgemerkt dat de redenering van verzoekende partijen op p. 5 (nr. 3) van hun laatste memorie, volstrekt irrelevant is. Het staat bovendien hierom alleen al onomstotelijk vast dat de bestreden beslissing louter declaratief van aard is. Immers, omdat tot de ambtshalve sanering reeds werd beslist bij besluit van 30 juli 1992, brengt de bestreden beslissing, in zoverre zij de gronden van verzoekende partijen als ambtshalve te saneren gronden aanwijzen, geen wijzigingen aan in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, noch belet het een dergelijke wijziging. Zelfs als het standpunt van de verzoekende partijen, dat er niet effectief werd aangevangen vóór de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 1994, quod non, dan nog heeft dit geen gevolgen m.b.t. de rechtsgeldigheid van het besluit van 30 juli 1992, het declaratief karakter van de bestreden beslissing en, a fortiori, m.b.t. de onontvankelijkheid van onderhavig verzoek tot nietigverklaring, zoals ook de auditeur terecht stelt. Het enige gevolg zou zijn dat de werken uitgevoerd en de ermee verband houdende kosten verhaald dienen te worden overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering. Maar geenszins dat de constitutieve beslissing van 30 juli 1992 geen rechtsgrond meer zou hebben. Ook het gegeven dat het besluit van 30 juli 1992 werd geschorst bij UDN en deze schorsing nadien werd bevestigd, doet hieraan geen afbreuk, temeer daar het verzoek tot vernietiging van de beslissing van 30 juli 1992 werd verworpen bij arrest van 6 maart 1997, nr. 65.
  23. Ten overvloede past het in dit kader overigens op te merken dat verzoekende partijen blijkbaar uit het oog verliezen dat een schorsingsarrest enkel tot gevolg heeft dat de tenuitvoerlegging van de geschorste beslissing wordt geschorst. De beslissing wordt als het ware tijdelijk van haar uitvoerbare kracht beroofd. Het is dus niet zo dat de geschorste handeling uit de juridische orde zou verdwijnen, zoals bij een arrest tot nietigverklaring. Daarenboven heeft een schorsingsarrest slechts uitwerking vanaf de betekening van het arrest. Het heeft dus enkel een uitwerking 'ex nunc', en niet 'ex tunc', zoals een vernietigingsarrest. Verder merken de verzoekende partijen op pp. 4-5 (nr. 2) van hun laatste memorie onterecht op dat in het auditoraatsverslag niet wordt uitgelegd waarom de lijst van artikel 46, § 1, van het Bodemsaneringsdecreet louter declaratief van aard is, en deze van artikel 30, §2, niet louter declaratief is. Verzoekende partijen suggereren onterecht dat er een parallel zou bestaan tussen de bestreden beslissing en de lijst op grond van artikel 30, §2, waarvan sprake in het arrest van Uw Raad van 17 juni 1999, nr. 81.
  24. Zoals reeds herhaaldelijk werd uiteengezet, werd tot de ambtshalve sanering reeds beslist bij besluit van 30 juli 1992, wat tot gevolg heeft dat de bestreden beslissing, in zoverre zij de gronden van verzoekende partijen als ambtshalve te saneren gronden aanwijzen, geen wijzigingen aanbrengt in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, noch een dergelijke wijziging belet, waardoor er sprake is van een declaratieve rechtshandeling. Daar in de casus van het arrest van Uw Raad van 17 juni 1999, nr. 81.065 er, in tegenstelling tot onderhavig geval, geen VII-16.903-13/16 voorgaande beslissing bestond waarin reeds werd beslist tot datgene waartoe met de in het arrest van 17 juni 1999 bestreden beslissing werd beslist, was er in dit arrest geen sprake van een declaratieve, doch wel van een constitutieve, rechtshandeling. Verzoekende partijen vergelijken m.a.w. twee ongelijke situaties"; 3.
  25. Beoordeling Overwegende dat de exceptie van de verwerende partij moet worden aangenomen om de volgende redenen : 3.2.
  26. Bij besluit van 30 juli 1992 heeft de Vlaamse Executieve OVAM formeel de opdracht gegeven om over te gaan tot de onmiddellijke ambtshalve sanering van de terreinen van de voormalige arseenfabriek en heeft zij OVAM tevens gemachtigd om tot de onteigening van de terreinen over te gaan en een beroep te doen op de rijkswacht om zich toegang tot de terreinen te verschaffen. Dit gebeurde op grond van artikel 21, § 2, c), van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, dat op dat ogenblik luidde als volgt : "De afvalstoffenmaatschappij kan ambtshalve de afvalstoffen van een onderneming verwijderen en de verontreinigde bodems en buiten gebruik gestelde industriële installaties, die een risico inhouden voor het leefmilieu en de volksgezondheid, saneren ingeval na behoorlijke ingebrekestelling door de afvalstoffenmaatschappij of door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de ingebrekegestelde heeft nagelaten de opgelegde maatregelen te treffen of de opgelegde werken uit te voeren binnen de opgelegde termijn. De ambtshalve verwijdering of sanering vindt plaats op kosten van de ingebrekeblijvende. De Vlaamse Executieve kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze bepalingen". 3.2.
  27. Bij artikel 15 van het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, in werking getreden op 7 mei 1994, wordt artikel 21, § 2, c) van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen opgeheven. Artikel 14, derde lid, van het eerstgenoemd decreet bepaalt het volgende : "De maatregelen tot ambtshalve sanering van verontreinigde bodems en buiten gebruik gestelde industriële installaties op grond van artikel 21, § 2, c), van het decreet van 2 juli 1991 betreffende het beheer van afvalstoffen waarvan de uitvoering is aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden voltooid en de kosten ervan verhaald overeenkomstig de regels die golden voor de inwerkingtreding van dit decreet". VII-16.903-14/16 3.2.
  28. Met het sub 2.4 vermelde arrest nr. 65.039 van 6 maart 1997 van de Raad van State is met gezag van gewijsde komen vast te staan dat het eerder geciteerde artikel 21, § 2, c), van het decreet van 2 juli 1981 "is opgeheven en niet ingetrokken, hetgeen betekent dat die bepaling geen toepassing meer heeft kunnen krijgen vanaf laatstgenoemde datum, maar niet dat zij geacht wordt nooit toepassing te hebben gekregen” en “dat dus de te dezen bestreden saneringsbeslissingen (bedoeld wordt onder meer het meervermelde besluit van 30 juli 1992) hun rechtsgrond niet hebben verloren door de voornoemde inwerkingtreding van het decreet van 20 april 1994, maar dat die inwerkingtreding enkel voor gevolg kan hebben dat, indien de stelling van de verzoekende partij aangaande het begin van de uitvoering der saneringswerken kan gevolgd worden, indien ze worden uitgevoerd en indien de ermee verband houdende kosten worden verhaald, dit zal gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de thans geldende regeling, te weten het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering"; 3.2.
  29. Artikel 46, § 1, van het decreet van de Vlaamse regering van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering bepaalt dat de Vlaamse regering elk jaar, op voorstel van OVAM, de lijst vaststelt van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door OVAM in de loop van het volgende jaar zal worden begonnen of voortgezet en dat deze lijst de raming vermeldt van de kosten die definitief ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur kunnen komen. Bij besluiten van de Vlaamse regering van 17 januari 1996, 17 juni 1997, 24 maart 1998 (dit is de bestreden beslissing), alsook van 8 juni 1999, 8 juni 2000, 24 november 2000, 22 juni 2001 en 22 februari 2002, worden de gronden die het voorwerp uitmaken van de beslissing tot ambtshalve sanering van de Vlaamse Executieve van 30 juli 1992, opgenomen op de lijst van de bodemsaneringen waarvan de uitvoering ambtshalve door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest in de onderscheiden jaren zal worden voortgezet. 3.2.
  30. Vermits tot de ambtshalve sanering van de kwestieuze gronden reeds eerder werd beslist, te weten bij besluit van de Vlaamse Executieve van 30 juli 1992, en vaststaat dat dit besluit zijn rechtsgrond vindt in artikel 21, § 2, c), van het decreet van 2 juli 1981, moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit van 24 maart 1998, in zoverre het de gronden van de verzoekende partijen als ambtshalve te saneren gronden aanwijst, geen rechtsgevolgen teweeg brengt voor die partijen en VII-16.903-15/16 geen administratieve rechtshandeling is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De stelling van de verzoekende partijen dat met de sanering van de kwestieuze gronden niet werd aangevangen vóór de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 1994, zodat de sanering diende te worden verdergezet overeenkomstig het Bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995 en OVAM slechts tot de ambtshalve sanering kon overgaan, behoudens de wettelijk voorziene uitzonderingen, indien het perceel was opgenomen op de lijst bedoeld in artikel 46 van het Bodemsaneringsdecreet, kan bijgevolg niet worden bijgetreden. Het beroep is bijgevolg niet ontvankelijk, BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.903-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.