← België

Arrest 160428 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:A

voerdatum: 2006-07-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 22:28 Fiche Arrest nr 160.428 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.428 van 22 juni 2006

de zaak A. 82.187/VII-17.710

zake : Luc VANHOOREN die woonplaats kiest bij advocaat C. VERELLEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 38-40 tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VANHOOREN op 26 januari 1999 heeft

gediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 november 1998 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waarbij slechts gedeeltelijke ontheffing werd verleend voor aangerekende bijdrageopslagen en geen kwijtschelding of vermindering van

tresten werd toegestaan; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 31 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; VII-17.710-1/12 Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 16 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VERHELLE, die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoeker baat een handelszaak uit, met name "Vleeswaren Vanhooren", die eertijds bestond uit een afdeling beenhouwerij en een afdeling patéfabricatie; er waren tevens twee beenhouwerijen

eigen beheer : één te Diksmuide en één te Oostende. Deze werden verhuurd op zelfstandige basis vanaf 1 april 1996. Als gevolg van het faillissement, bij vonnis van 20 maart 1996, van de n.v. DEBOTEC en de n.v. ALINOX -vennootschappen waarvan de verzoeker gedelegeerd bestuurder was en waarin hij beweert veel geld te hebben geïnvesteerd- kwam er een reorganisatie.

gevolge zijn persoonlijke borgstelling voor deze vennootschappen werd de verzoeker aangesproken tot betaling van de verbintenissen van de betrokken vennootschappen. De achterstallige R.S.Z.-bijdragen beliepen op dat ogenblik meer dan 5 miljoen frank. 1.2. Op 12 oktober 1998 richt het accountantskantoor E. SEYS en Co namens de verzoeker de volgende brief aan de verwerende partij : VII-17.710-2/12 "Geachte Heer, Betreft : Vanhooren Luc, Woumenweg 166, 8600 Diksmuide Uw kenmerk B142/1.500.854-80/AVA/M 13 VERZOEKSCHRIFT TOT KWIJTSCHELDING/TERUGGAVE BIJDRAGE-OPSLAGEN &

TRESTEN Deze week wordt het laatste openstaande bedrag aan RSZ, zijnde 192.755,-fr. op Uw rekening gestort. Met dit schrijven richt ik mij tot U om teruggave/kwijtschelding te verkrijgen van de aangerekende bijdrage-opslagen en

tresten. Ik hoop dat U aan mijn verzoek zou willen voldoen om volgende redenen. Sedert begin 1998 behartig ik de boekhoudkundige, bedrijfseconomische en fiscale belangen van de familie Vanhooren. Op het ogenblik dat ik het dossier overnam, was de financiële toestand rampzalig. Ik heb enorm veel moeten

praten op de familie Vanhooren opdat zij niet alle moed zouden verliezen en het faillissement zouden aanvragen. Vanaf de 'overname' geloofde ik

het dossier omdat het product dewelke zij produceren veel toekomstperspectieven biedt. Ik voorzie op heden nog belangrijke uitbreidingen. Personeelsaangroei, aanwerving langdurig werklozen of laaggeschoolden, mag vooropgesteld worden, wat een zegen zou zijn voor onze streek. Hoe kunnen zij nu dergelijke zware problemen/schulden hebben opgebouwd? Het antwoord is eenvoudig : 'schoenmaker blijf bij je leest'

dertijd was de familie Vanhooren financieel zeer sterk. Ondoordachte

vesteringen

zaken waar men geen verstand van had werden doorgevoerd. Die

vesteringen resulteerden

2 faillissementen m.n. Debotec en Alinox. Beide zaken werden 'gespijsd' door privé-

brengen van de familie Vanhooren waardoor de éénmanszaak

zware problemen kwam. Op 31.12.1997 vertoont de R/C Vanhooren

de éénmanszaak een debetsaldo van 18.706.776,-fr. (zie bijlage) Dit een definitief verloren som ... (sic) De zaken Debotec, Alinox en de 1-manszaak werden niet-stipt en goed opgevolgd door de vorige boekhouder die jaren een strijd gevoerd heeft tegen kanker en

het voorjaar overleden is. De familie Vanhooren wou die persoon geen kwaad aandoen en bleef bij hem als raadsman ... Door voormelde feiten kon hun boekhouder zowel fysisch als geestelijk de zaken niet meer aan. Dit is absoluut geen verwijt doch omstandigheden lieten een 'stipte' en 'kort op de man'- te nemen beslissingen niet toe. Een overname van Debotec/Alinox (vóór faillissement) is misgelopen doordat hun raadsman geen balansgegevens kon voorleggen

een tijdsbestek van ± 6 maanden ... Na de rechtzettingen van de boekhouding heb ik met diverse

stanties moeten onderhandelen om het voortbestaan veilig te stellen. Dit was een uiterst moeilijke klus dewelke op heden zijn vruchten begint af te werpen. Uiteindelijk is er geen faillissement, is het huidig personeel verder

dienst, hebben de kinderen van dhr. & mevr. Vanhooren opnieuw een toekomst en kan er aan uitbreiding gedacht worden wat voor iedereen van de gemeenschap positief is. De zaak wordt nu nauwlettend opgevolgd. Een planning op zich is niet voldoende. Voortdurende bijsturing is veel belangrijker. De nare ervaringen uit het verleden

dachtig MOET de zaak op die manier geleid worden. Buiten de tegenslag van 2 faillissementen (Debotec/Alinox) werd de familie Vanhooren ook geconfronteerd met andere tegenspoed m.n. gezondheidsproble- men, een onteigening van een handelszaak

Oostende dewelke nog steeds niet afgehandeld is, en uiteindelijk werd de zaak

Woumen op 16.05.1998 getroffen door een brand .... een ongeluk komt zelden alleen. Meester J.P. Devlamynck uit Veurne, de juridische raadsman en de kantoordirecteur van de Kredietbank K. Stuijk, huisbankier, van de familie VII-17.710-3/12 Vanhooren kennen de zaak veel langer dan ik en voegen hierbij verdere toelichtingen bij dit verzoekschrift. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat U dit verzoekschrift maximaal zal

willigen. Uw bereidwillige tussenkomst zou een beloning zijn voor de ongelooflijke wilskracht, moed en eerlijkheid van de familie Vanhooren. Zij werden door zeer veel mensen

de steek gelaten ... Uw

stelling werd betaald tot op de laatste frank wat zij trouwens altijd beloofd hebben. Aanhoor onze bede.

afwachting van een spoedige regularisatie verblijf ik, (...)". Als bijlage wordt onder meer een brief van de kredietbank bijgevoegd, waarin de financiële historiek wordt geschetst. 1.3.

een brief van 14 oktober 1998, gericht aan het accountantskan- toor Seys en Co, schrijft de verwerende partij wat volgt : "Geachte heren, Wij ontvingen uw brief d.d. 4.10.1998. Een recapitulatieve staat met vermelding per rekeninguittreksel met vermelding van alle betalingen evenals een overzicht van alle toegepaste bijdrageopslagen en

tresten zal u eerstdaags worden toegestuurd door onze

ningdienst.

aansluiting met uw

rand vermeld schrijven delen wij u mede dat wij, voorlopig althans geen gunstig gevolg kunnen verlenen aan het verzoekschrift tot ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en

tresten volgens artikel 55 van het Koninklijk besluit van 28 november 1969. Wij vragen u ons een meer gemotiveerd rekwest voor te leggen waaruit duidelijk de precieze redenen blijken die het uw cliënt belet hebben de verschul- digde bijdragen voor de gesanctioneerde perioden binnen de wettelijke termijnen te betalen. Voor wat betreft uw verzoek om kwijtschelding van de aangerekende

tresten delen wij u mede dat de Rijksdienst geen vermindering van de

tresten toestaat aangezien de verhouding van de

tresten berekend op de socialezeker- heidsbijdragen en de

tresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat

gaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de socialezekerheidsbijdragen. Uitzondering wordt gemaakt

het geval van overmacht, en

het geval van toepassing van artikel 55, § 3, 1/ van het Koninklijk besluit van 28.11.1969 (d.w.z. zo de werkgever, op het ogenblik dat de socialezekerheidsbijdragen eisbaar werden, een vaste en eisbare schuldvordering bezat op een overheidsinstelling zoals bedoeld

dit artikel en hiervan het bewijs werd geleverd), mits de werkgever bewijst dat hij zijn socialezekerheidsbijdragen betaald heeft binnen de maand volgend op de betaling van de schuldvordering door de betrokken overheidsdienst(en).

dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20 %) van de aangerekende

tresten. Het tijdig doorstorten dient bewezen te worden aan de hand van kopieën van bank en/of postrekeninguittreksels. Na ontvangst van de aldus vereiste gegevens zal het dossier opnieuw onderzocht worden en zal u de beslissing terzake worden medegedeeld. Kwijtschelding van gerechtskosten wordt door de wetgever niet voorzien. VII-17.710-4/12 Voor wat betreft de mogelijkheden tot ontheffing van aangerekende bijdrageopslagen en

tresten verwijzen wij u naar het overzicht

bijlage".

  1. Met een aangetekende brief van 28 oktober 1998 aan de verwerende partij deelt het accountantskantoor Seys en Co het volgende mee : "Geachte heer, Betreft : Vanhooren Luc, Woumenweg 166, 8600 Diksmuide Uw kenmerk B 142/1.500.854-80/AVA/M 13 Verzoekschrift tot kwijtschelding / Teruggave bijdrage - opslagen &

tresten Aansluitend op mijn aangetekend schrijven d.d. 12/10/1998 wens ik U nog het volgende te melden. Het is voor mij en de familie Vanhooren enorm moeilijk om materiële bewijsstukken van de schuldhistoriek vanaf 1992 aan U over te maken omwille van het feit dat hun vroegere accountant-raadsman

het voorjaar 1998 overleden is. Dit is een bijkomende tegenslag. Dhr. A. Sarazijn behartigde de boekhouding van de éénmanszaak, Alinox en Debotec. Ik ben niet

het bezit van alle boekhoudstukken. Daarenboven is de volledige boekhouding van Alinox en Debotec

het bezit van de curator. Toch wil ik een poging ondernemen, en dit op basis van de

mijn bezit zijnde gegevens en op basis van de verklaringen van de familie Vanhooren, om u een beter

zicht te geven

de lijdensweg van de belanghebbende. Pas sedert begin 1998 verzorg ik de boekhouding en de bedrijfsopvolging van de zaak. Ik bezit geen enkel stuk van Alinox en Debotec !

bijlage vindt U :

(1)Fotocopie brief vorige accountant d.d. 28.06.1991 aan Uw diensten gericht.
(2)Fotocopie Activa & passiva balans 1991, 1992, 1993, 1994, 1995 & 1996. U zal merken dat de heer Vanhooren zeer belangrijke sommen uit de eenmanszaak opgenomen heeft om Alinox en Debotec te financieren. (te redden van een faillissement ... spijtig genoeg is hij daarin niet geslaagd)
(3)Levensverzekeringen werden afgekocht om o.a. RSZ-schulden te betalen.
(4)Persoonlijke borgstelling voor Alinox.
(5)Onroerend goed werd verkocht om o.a. RSZ-Schulden te betalen.
(6)Hetgene sedert jaren aan pensioensparen werd betaald werd teruggevraagd om o.a. RSZ te kunnen betalen.
(7)Fotocopie aangiften schuldvordering t.o.v. Debotec en Alinox. Die tegoeden zijn definitief verloren. M.a.w. de familie Vanhooren heeft meer geld

die zaken gestoken dan er uitgehaald Ik kan de heer A. Sarazijn onmogelijk uit zijn graf halen ... ik hoop dat U de situatie begrijpt. Kwade wil van de familie Vanhooren kan zeker niet aangehaald worden. Ik hoop dat U de familie Vanhooren een nieuwe kans zal geven en hen het maximum aan bijdrage-opslagen en

tresten 1992 zal terugbetalen". De brief bevat verscheidene bijlagen. VII-17.710-5/12 1.5. Met een brief van 27 november 1998 wordt de thans bestreden beslissing aan het accountantskantoor Seys en Co betekend. De brief luidt als volgt : "Betreft : VANHOOREN Luc - Woumenweg 166- 8.600 DIKSMU1DE kwijtschelding van de aangerekende bijdrageopslagen en

tresten Geachte heren, Wij brengen u hiermede ter kennis dat,

gevolge redenen aangehaald

uw verzoekschrift en steunend op artikel 55, paragraaf 2 van het Koninklijk besluit van 28 november 1969 gedeeltelijke ontheffing (50 %) werd verleend van de aangerekende bijdrageopslagen voor : - het tweede, derde en vierde kwartaal 1992; - het debetbericht jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1992; - de eerste wijziging betreffende het eerste kwartaal 1993; - het tweede kwartaal 1993; - de eerste wijziging betreffende het tweede kwartaal 1993; - het derde en vierde kwartaal 1993; - de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1993; - het eerste en tweede kwartaal 1994; - de eerste wijziging betreffende het tweede kwartaal 1994; - het derde kwartaal 1994; - de eerste wijziging betreffende het derde kwartaal 1994; - het vierde kwartaal 1994: - de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1994; - het eerste kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende het eerste kwartaal 1995; - het tweede kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende het tweede kwartaal 1995; - het derde kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende het derde kwartaal 1995; - het vierde kwartaal 1995: - de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1995; - het dienstjaar 1996 (

clusief de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1996); - het dienstjaar 1997 (

clusief de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1997); - het eerste kwartaal 1998. De nieuwe stand van de rekening.

uitvoering van deze beslissing, zal voornoemde werkgever worden medegedeeld.

dien hieruit een debetsaldo blijkt, verzoeken wij u het nog verschuldigde bedrag binnen de maand te willen storten (...) met vermelding op de betaalstrook van het

schrijvingsnummer. Voor wat betreft het verzoek om kwijtschelding van de aangerekende

tresten delen wij u mede dat de Rijksdienst geen vermindering van de

tresten toestaat aangezien de verhouding van de

tresten berekend op de socialezeker- heidsbijdragen en de

tresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat

gaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de socialezekerheidsbijdragen. Uitzondering wordt gemaakt

het geval van overmacht, en

het geval van toepassing van artikel 55, § 3, 1/ van het Koninklijk besluit van 28.11.1969 (d.w.z. zo de werkgever, op het ogenblik dat de socialezekerheidsbijdrage eisbaar werden, een vaste en eisbare schuldvordering bezat op een overheidsinstelling zoals bedoeld

dit artikel en hiervan het bewijs werd geleverd), mits de werkgever bewijst dat hij zijn socialezekerheidsbijdragen betaald heeft binnen de maand volgend op de betaling van de schuldvordering door de betrokken overheidsdienst(en).

dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20 %) van de aangerekende

tresten, Het tijdig doorstorten dient bewezen te worden aan de hand van kopieën van bank en/of postrekeninguittreksels. VII-17.710-6/12

geval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou

houden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State"; 2. De ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de verwerende partij

haar laatste memorie afstand doet van haar exceptie van niet-

schrijving van de verzoeker

het handelsregister, vermits deze laatste het desbetreffende nummer

middels heeft medegedeeld; dat de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, dewelke oplegt het ondernemingsnummer te vermelden slechts

werking is getreden op 1 juli 2003, en derhalve nog niet toepasselijk was op het ogenblik van het

dienen van het

leidend verzoekschrift, zodat de exceptie van niet ontvankelijkheid van "het verzoek" bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer niet opgaat; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat de verzoeker

het verzoekschrift het enig middel als volgt uiteenzet : "ENIG MIDDEL : schending van artikel 55 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 meer van de wet van 29 juli 1991 en van het ongeschreven grondrecht dat elke administratieve rechtshandeling moet worden voorgedragen door rechtens en feitelijke aanvaardbare motieven. DOORDAT de verwerende partij bij ongemotiveerde beslissing slechts een gedeeltelijke ontheffing heeft verleend op de aangerekende bijdrageopslagen en geen vermindering van de

tresten. TERWIJL verwerende partij wegens dwingende billijkheidsredenen overeenkomstig artikel 55 van het Koninklijk Besluit van 28.11.1969 mag afzien van de toepassing van de burgerlijke sancties bedoeld bij artikel 54 eerste lid wanneer de werkgever zelf het bewijs levert dat hij wegens uitzonderlijke omstandigheden en behoorlijke bewezen overmacht onmogelijk zijn verplichting- en heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijn. ZODAT de verwerende partij een onjuiste toepassing heeft gemaakt van artikel 55 van het Koninklijk Besluit van 28.11.1969 welke bovendien

strijd is met de wet van 29 juli 1991 van het ongeschreven grondrecht dat elke administratieve rechtshandeling moet worden voorgedragen door rechtens en feitelijk aanvaardbare motieven. (Part. Bescheiden Senaat, 2, 1981 - 1982, 33 nr. 2). Toelichting De problemen met de achterstallige RSZ-betalingen werd veroorzaakt door de financiële problemen bij de vennootschappen van verzoekende partij die uiteindelijk hebben geresulteerd

een faling op 20 maart 1996. Verzoekende partij stond privé - borg voor deze vennootschappen zowel bij de KREDIETBANK als bij de BACOB en BBL. VII-17.710-7/12

gevolge de eisbaarheid werd verzoekende partij onmiddellijk aangesproken als borgsteller met alle gevolgen vandien. De betalingsproblemen uit het verleden zijn dus zeker niet het gevolg van moedwil maar van 'overmacht' en 'uitzonderlijke omstandigheden'. Wat meer is : Bij gemotiveerde beslissing kan het beheerscomité immers overeenkomstig artikel 55 besluiten tot vermindering van de bijdrageopslagen en

tresten met 100 pct wegens 'dwingende billijkheidsredenen'. Verzoekende partij is van oordeel dat hij zich bevindt

deze voorwaarden op grond van de redenen uiteengezet

zijn verzoekschrift van 12 en 28 oktober 1998. Dat geen enkele administratieve rechtshandeling willekeurig mag worden genomen. Dat deze beslissing aldus

strijd is met de materiële en formele motiverings- plicht. Dat verzoekende partij ten bewijze van de gestelde feiten de genummerde en gebundelde stukken overlegt waarvan hieronder de

ventaris wordt opgegeven"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij

de memorie van antwoord als exceptie opwerpt dat de verzoeker

het middel verwijst naar de redenen uiteengezet

de verzoekschriften van 12 en 28 oktober 1998, met name de brieven van de accountant van de verzoeker, terwijl de middelen

het verzoekschrift zelf dienen te worden uiteengezet en een middel niet door verwijzing naar een ander stuk, laat staan een schrijven van de accountant, kan worden geadstrueerd, zodat, bij gemis aan uiteenzetting van het middel, de vordering onontvankelijk is. 3.1.3. Overwegende dat de verzoeker

zijn memorie van wederantwoord, wat de ontvankelijkheid betreft, doet gelden dat het middel duidelijk is omschreven en dat het door verwijzing naar een geïnventorieerd verwijzingsstuk, dat bovendien tot het administratief dossier behoort, kan worden geadstrueerd; 3.1.4. Overwegende dat de verwerende partij

haar laatste memorie nog het volgende toevoegt : "Als tweede exceptie is opgemerkt dat er geen middel kan worden geadstrueerd door een verwijzing naar andere stukken. Een vage verwijzing naar schrijvens van de accountant, ook al behoren deze tot het administratief dossier, volstaat niet om een middel te adstrueren. Daaromtrent kan er effectief ook verwezen worden naar de bevindingen

het auditoraatsverslag. Er wordt door de verzoekende partij klaarblijkelijk op enige wijze een beroep gedaan op art. 55 van het K.B. van 28 november 1969 maar de diverse noties en diverse hypotheses worden op een hoopje gegooid. Overmacht, uitzonderlijke omstandigheden en dwingende billijkheidsredenen, daartussen wordt geen onderscheid gemaakt. VII-17.710-8/12 Een verhaal

leiden voor de Raad van State impliceert dat van de verzoekende partij mag gevraagd worden dat

duidelijkheid wordt aangegeven waarover de rechtsstrijd gaat. Er mag van de verzoekende partij verwacht worden dat

duidelijkheid wordt aangegeven welke rechtsregel er zou overtreden zijn en dat wordt uiteengezet waarom deze rechtsregel zou overtreden zijn. Bij lezing van het verzoekschrift is dit niet mogelijk, zeker niet als de eisende partij verwacht dat naast het verzoekschrift ook de stukken van de accountant zouden moeten gelezen worden om het middel zelf te adstrueren. Er mag uiteraard

een verzoekschrift naar een stuk verwezen worden maar dan zou het de verzoekende partij toekomen om aan te geven op welke wijze de verwerende partij met precisie aangeduide gegevens

de schrijvens van de accountant, op een verkeerde wijze zou hebben verwerkt. Daar is geen sprake van. Wat meer is,

de memorie van wederantwoord vergenoegt de verzoekende partij zich ertoe om grotendeels de volkomen onduidelijke stellingen uit het verzoekschrift te hernemen en te poneren dat dit duidelijk omschreven zou zijn. Zeker met betrekking tot een dergelijke exceptie, die er anders gezegd ook op neer komt dat de verwerende partij aangeeft dat het niet aan de verwerende partij toekomt om het verzoekschrift te herschrijven en dat dit al evenmin toekomt aan het auditoraat of aan de zetel, zou er mogen verwacht worden van de verzoekende partij dat de verzoekende partij

de haar ter beschikking stellende procedurestukken, toch nog poogt eventuele zwakkere elementen uit het eigen verzoekschrift, te 'repareren'. Dit is niet gebeurd

de memorie van wederantwoord en dit is ook niet gebeurd

de laatste memorie. Ook

de laatste memorie, ondanks de duidelijke bevraging

het auditoraatsverslag, beperkt de verzoekende partij zich tot de slogan dat haar enig middel niets aan duidelijkheid te wensen zou overlaten. De verwerende partij, en het auditoraat hebben gewezen op, overigens verschillende, punten die enkel en alleen impliceren dat het verzoek volstrekt onduidelijk is en dat volstrekt onduidelijk is binnen weke limieten de rechtsstrijd moet worden gevoerd. Het puur poneren dat één en ander niets aan duidelijkheid zou overlaten, wat dan zou impliceren dat de verwerende partij en het auditoraat er klaarblijkelijk niet veel van begrepen hebben, is weinig ernstig. Uit de eigen proceshouding van de verzoekende partij vloeit voort dat hoe dan ook de onontvankelijkheid niet meer

vraag kan worden gesteld"; 3.1.

  1. Beoordeling Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : Artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing wat volgt : "Art.
  2. §
  3. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de VII-17.710-9/12 vergoeding, bedoeld bij artikel 54, tweede lid, wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen

gediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben. Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties, bedoeld bij de voorgaande leden, wanneer de werkgever aantoont dat hij, wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijnen. §

  1. Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. §
  2. De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 % worden gebracht: 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare

stelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of

tercommunale openbare

stelling of een

stelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige

stellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet,

gevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang, bij wijze van uitzondering, verantwoord is";

§1

van het voormelde artikel 55 is sprake van overmacht, die tot een volledige kwijtschelding van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten kan leiden.

§2

gaat het om uitzonderlijke omstandigheden, die tot een vermindering met 50 % van de bijdrageopslagen en een vermindering met 25 % van de

tresten kunnen leiden.

§3ten slotte, gaat het om een vaste en eisbare schuldvordering t.o.v.

bepaalde overheden, om dwingende billijkheidsredenen en om dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang. Met toepassing van deze § 3 kan een vermindering tot 100 % van de bijdrageopslagen worden toegestaan. Er dient dus een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de verschillende hypothesen (overmacht, uitzonderlijk omstandigheden, een vaste en eisbare schuldvordering t.o.v. bepaalde overheden, dwingende billijkheidsredenen, dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang) en anderzijds de verschillende gunstmaatregelen (kwijtschelding of vermindering van bijdrageopslagen en/of

tresten). Met de bestreden beslissing werd een gedeeltelijke ontheffing (50 %) verleend voor de bijdrageopslagen. De verzoeker wil blijkbaar een volledige kwijtschelding van de bijdrageopslagen. Wat betreft de

tresten geeft het verzoekschrift niet duidelijk aan of er een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding wordt VII-17.710-10/12 nagestreefd.

het verzoekschrift wordt bovendien geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende hypothesen: er blijkt niet of de verzoeker zich beroept op overmacht, op uitzonderlijke omstandigheden, op dwingende billijkheidsredenen of op alles tegelijk. De verzoeker geeft ook niet duidelijk aan waarin de overmacht, de uitzonderlijke omstandigheden of de dwingende billijkheidsredenen precies gelegen zijn. Zijn verwijzing naar brieven die op 12 en 28 oktober 1998 naar de tegenpartij werden verstuurd, levert evenmin verduidelijking op, daargelaten dan nog de vraag of bij de ontwikkeling van een middel kan worden volstaan met een verwijzing naar stukken. Ook

die brieven wordt immers geenszins verduidelijkt waarop de verzoeker zich precies beroept. Aan de verwerende partij kan niet worden verweten dat zij op niet gemotiveerde wijze tot de bestreden beslissing zou zijn gekomen. Uit het voorgaande blijkt ook dat

het middel absoluut niet wordt verduidelijkt of en waarom de verwerende partij de noties "overmacht", "uitzonderlijke omstandigheden" en "dwingende billijkheidsredenen" niet correct zou hebben toegepast. Het enig middel kan dan ook, voor zover het al ontvankelijk zou zijn, niet worden aangenomen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. VII-17.710-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken

openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.710-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.