← België

Arrest 160430 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.430 Rolnummer: A. 82940/VII-17946 Zaak: Arrest 160430 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 22:29 Fiche Arrest nr 160.430 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.430 van 22 juni 2006 in de zaak A. 82.940/VII-17.946 In zake : de b.v.b.a. CENTRUM VOOR MEDISCHE ANALYSE, die woonplaats kiest bij advocaten J. CRUYPLANTS en O. LOUPPE, kantoor houdende te BRUSSEL, Defacqzstraat 78-80 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. CENTRUM VOOR MEDISCHE ANALYSE op 15 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 2 december 1998 tot vaststelling van de waarde X voor het jaar 1992, in uitvoering van artikel 61 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; VII-17.946-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. KATZ, die, loco advocaat J. CRUYPLANTS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché P. MYLEMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat het juridisch kader van de zaak als volgt kan worden samengevat : Artikel 61, § 11, eerste lid, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet op de ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna ZIV-wet genoemd) bepaalt dat wanneer de uitgaven voor de klinische biologie voor een bepaald dienstjaar het voor dat dienstjaar vastgestelde globaal budget met ten minste 2 pct. overstijgen, de laboratoria aan het R.I.Z.I.V. een ristorno verschuldigd zijn waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 61, § 12, van de ZIV- wet. Artikel 61, § 11, tweede lid, van de ZIV-wet bepaalt dat de laboratoria op dit ristorno trimestriële voorschotten betalen waarvan het bedrag wordt berekend overeenkomstig artikel 61, §§ 14 en 15. De betaling is dus georganiseerd in twee stappen :

  1. a)een trimestriële, voorlopige en provisionele betaling op basis van de facturen uitgegeven door het R.I.Z.I.V. met toepassing van de waarde Z vastgesteld door de Koning voor ieder afzonderlijk trimester in functie van het voor dat trimester te recupereren verschil tussen de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie voor het betrokken trimester, en het overeenkomstig de bepalingen van § 13, eerste lid, voor het betrokken trimester vastgestelde bedrag (artikel 61, § 14, vierde lid, van de ZIV-wet);
  2. b)een definitieve betaling op basis van de facturen uitgegeven door het R.I.Z.I.V. met toepassing van de waarde van X voor ieder dienstjaar afzonderlijk vastgesteld, in functie van het voor dat dienstjaar te recupereren verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget; VII-17.946-2/12 2. Overwegende dat het feitelijk kader zich als volgt aandient : 2.1. Op 22 september 1997 adviseert het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging positief over een ontwerp van koninklijk besluit ?tot vaststelling van de definitieve recuperatie inzake ambulante klinische biologie voor 1992", maar maakt het ?de tijdens de vergadering gemaakte opmerkingen mee over aan de toeziende overheid, meer bepaald met betrekking tot een eventuele lagere X-waarde van 6,46 die overeenkomt met het bedrag van de reeds verstuurde facturen”. Het Verzekeringscomité wil in elk geval vermijden dat de correct handelende laboratoria gesanctioneerd worden. Aan dit advies ging een gedachtewisseling vooraf waarin o.m. een lid meent dat de onrechtvaardigheid van het ristornosysteem wordt verstrekt door de X-waarde op 7,71 vast te leggen en ervoor pleit om de X-waarde maximaal vast te leggen op 6,46, "zijnde de waarde die overeenstemt met het bedrag aan reeds verzonden facturen". 2.2. Op 29 september 1997 adviseert de Algemene raad van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het R.I.Z.I.V. gunstig over het voormelde ontwerp van koninklijk besluit opgesteld op grond van een nota nr. 97/91, van 26 augustus 1991, van de bevoegde dienst, waarin voor het jaar 1992, de waarde X wordt vastgesteld op 7,71. 2.3. Op 2 december 1998 wordt het bestreden besluit genomen en wordt de waarde X voor het jaar 1992 vastgesteld op 6,46; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1. Eerste middel 3.1.1. Standpunten van de partijen 3.1.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij het eerste middel in het verzoekschrift als volgt uiteenzet : "Het middel is afgeleid uit de schending van de algemene rechtsbeginselen, onder meer de schending van het vertrouwensbeginsel, evenals van het rechtszekerheidsbeginsel, inzonderheid uit de niet eerbiediging van de redelijke termijn en bijgevolg uit de onbevoegdheid van de auteur van het betrokken besluit en uit machtsoverschrijding. VII-17.946-3/12 Doordat de Koning bij wege van een besluit van 2 december 1998, de waarde van X voor het jaar 1992 heeft vastgesteld, in uitvoering van artikel 61 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. En doordat van zodra het RIZIV kennis heeft genomen van de waarde van X zij de 'definitieve' facturen moet opstellen m.b.t. de 'ristorno's' verschuldigd door de laboratoria voor klinische biologie, in functie van het voor het betreffend dienstjaar terug te vorderen verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget. Terwijl de Koning reeds een zekere tijd over het bedrag der reële uitgaven voor klinische biologie van de betrokken laboratoria beschikt zodat de wiskundige waarde van X onmiddellijk had moeten worden vastgesteld. En terwijl de Koning, door de redelijke termijn te negeren, het totaal onmogelijk heeft gemaakt, voor de betrokken laboratoria, om hun boekhouding voor het jaar 1992 nog te herzien. Zodat door de waarde van X voor het jaar 1992 pas op 2 december 1998 vast te stellen, de Koning de redelijke termijn kennelijk heeft overschreden en bijgevolg door dit feit, het bestreden besluit heeft genomen op een ogenblik waarop (Hij) elke bevoegdheid ten dien einde had verloren, hetgeen in zijn hoofde machtsoverschrijding uitmaakt"; 3.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, o.m. betoogt wat volgt : In hoofdorde geldt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, vermits een vernietiging zal meebrengen dat de uiteindelijke afrekening door middel van een definitieve factuur nog langer zal uitgesteld worden. Een vernietiging zou meebrengen dat het zelfs onmogelijk wordt nog een nieuw koninklijk besluit te nemen, vermits dit nog later zou zijn dan het thans bestreden koninklijk besluit. Artikel 61 van de ZIV-wet zou dan onmogelijk kunnen uitgevoerd worden, hetgeen een schending zou inhouden van artikel 108 van de Grondwet, overeenkomstig hetwelk de Koning de verordeningen maakt en de besluiten neemt die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. In ondergeschikte orde geldt dat de Koning niet binnen een onredelijke termijn gehandeld heeft. De werkelijke uitgaven voor de klinische biologie zijn, gelet op de verjaringstermijn neergelegd in artikel 174 van de ZIV-wet, slechts gekend in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van de verstrekkingen. Soms zijn er interne factureringsproblemen bij de laboratoria of andere vergissingen die een nieuwe berekening vergen. Al deze gegevens dienen geverifieerd en het eindresultaat dient opgemaakt. Daarna begint de procedure voor de opmaak van het eigenlijke koninklijk besluit. Vanaf het moment dat het R.I.Z.I.V. in het bezit was van de gegevens werd tot de vaststelling van de waarde X overgegaan, maar gelet op de uit te brengen adviezen gaat aan een dergelijk koninklijk besluit veel vooraf. Eens de voorbereidende werkzaamheden achter de rug verliep de totstandkomingsprocedure VII-17.946-4/12 vlot en nam zij slechts zestien maanden in beslag, waarvan acht maanden voor het uitbrengen van het advies van de Raad van State. De verzoekende partij liet na de verwerende partij in gebreke te stellen op basis van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verwijzing naar de boekhouding van 1992 is niet relevant. De Koning werd niet onbevoegd omdat volgens de verzoekende partij de opstelling van het bestreden besluit te lang aansleepte. Het rechtszekerheidsbeginsel is niet geschonden, nu de verzoekende partij er perfect van op de hoogte was dat de waarde van X zou worden vastgesteld voor de desbetreffende periode; 3.1.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij, in haar memorie van wederantwoord, samengevat, nog het volgende doet gelden : Het middel wordt door de verwerende partij niet weerlegd in zoverre het duidelijk de overschrijding van de redelijke termijn bij de vaststelling van de waarde X voor het jaar 1992 "in het daglicht brengt". De verwerende partij voert geen enkele bijzondere omstandigheid aan die van aard zou zijn om een termijn van zes jaar te rechtvaardigen die noodzakelijk was voor de vaststelling van deze waarden. Bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn dient men het koninklijk besluit van 22 maart 1989 te weerhouden als aanvangspunt. Voor wat het jaar 1989 betreft is de Koning erin geslaagd om de waarde van X te bepalen bij koninklijk besluit van 25 oktober 1993, hetzij bijna twee jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn. Een termijn van vier jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn is dus overdreven. De termijnen voor het inwinnen van de vereiste adviezen kunnen een dergelijke vertraging onmogelijk rechtvaardigen, aangezien de eerste adviezen pas in augustus 1997 werden verkregen. De verwerende partij diende de administratieve procedure met de nodige ijver te voeren. De overschrijding van de redelijke termijn heeft belangrijke gevolgen voor de verzoekende partij, nu zij jaren nadat zij de verstrekkingen heeft verricht nog steeds de omvang niet kent van de ristorno's die door de openbare overheid zullen worden teruggevorderd, voor honoraria die op volstrekt regelmatige en wettige wijze werden geïnd bij de verzekeringsinstellingen, voor analyses die op volstrekt regelmatige en wettelijke wijze werden bevolen in 1992 door de voorschrijvende geneesheren en uitgevoerd werden voor rekening van patiënten aangesloten bij de mutualiteiten. Het vaststellen van de voorschotten op de ristorno's en naderhand van de definitieve ristorno’s voor ieder individueel laboratorium nam VII-17.946-5/12 verscheidene jaren in beslag. Op die manier wordt het beheren van een klinisch labo een onvoorspelbare zaak. De labo's moeten het stellen met een systeem van voorlopige terugvordering dat ondertussen reeds negen jaar duurt. De bevoegdheid van de Koning gegrond op het artikel 108 van de Grondwet sluit de verplichting om binnen een redelijke termijn te handelen geenszins uit. Dat het onmogelijk zou zijn om een nieuw besluit te nemen kan niet betrokken worden bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit. Bij gebreke aan definitieve ristorno's waarvoor de labo's trimestriële aan te rekenen voorschotten hebben betaald, zouden deze voorschotten immers onverschuldigd zijn zodat het R.I.Z.I.V. ze niet zou kunnen bijhouden. In zoverre deze bedragen niet kunnen worden aangerekend op een onbestaand voorschot moeten zij binnen de dertig dagen na het verzoek hierom door het R.I.Z.I.V. worden teruggestort, overeenkomstig artikel 61, §7 en §16 van de ZIV- wet; 3.1.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij wat de gegrondheid van het middel betreft in haar laatste memorie, als antwoord op het auditoraatsverslag, er op wijst dat de Raad van State, met het arrest 82.934, van 18 oktober 1999, zijn eerdere rechtspraak heeft bevestigd, volgens dewelke de Koning zijn macht overschrijdt wanneer Hij nalaat een wet uit te voeren "hors de tout délai raisonnable", zelfs wanneer deze geen enkele termijn vaststelt voor de uitvoering ervan; 3.1.1.5. Overwegende dat de laatste memorie van de verwerende partij niets toevoegt aan de argumentatie m.b.t. de gegrondheid van het middel; 3.1.2. Bespreking Overwegende dat de verzoekende partij niet concreet aannemelijk maakt dat het loutere feit dat de bedoelde X-waarde zeer laat werd vastgesteld een toestand van onduldbare rechtsonzekerheid heeft doen ontstaan in haren hoofde; dat zij moest verwachten, gelet op de wettelijke regeling geschetst onder nr. 1 (juridisch kader), dat de Koning die waarde zou vaststellen; dat zij niet aantoont dat het feit dat zij slechts vanaf 14 januari 1999 de definitieve impact van de betrokken regeling kent, haar normale zaakvoering daadwerkelijk in het gedrang heeft gebracht, in aanmerking nemend dat de uiteindelijk vastgestelde waarde niet tot terugvorderingen te haren laste aanleiding gaf ; dat het wettelijk systeem hoe dan ook voor gevolg heeft dat de X- waarden pas na enige tijd kunnen worden vastgesteld ; dat het zaak is van de betrokken labo’s daarmee rekening te houden bij de wijze van het voeren van hun boekhouding, en de eventuele moeilijkheden die daarmee verband houden op de VII-17.946-6/12 eerste plaats een gevolg zijn van de wettelijke regeling; dat het bestreden besluit uitvoering geeft aan een wettelijke regeling die een belangrijke impact heeft op de inkomsten van het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering; dat de uiteindelijk vastgestelde waarde precies in het belang van de klinische laboratoria zodanig werd bepaald dat deze laatste bovenop de reeds voorgeschoten ristorno’s jaren later geen bijkomende betalingen meer dienden te verrichten; dat in acht genomen die gegevens de Koning, ondanks de ruime reeds verstreken termijn, nog over de bevoegdheid beschikte de X-waarde vast te stellen op de wijze zoals Hij heeft gedaan; dat het middel niet gegrond is; 3.2. Tweede middel 3.2.1. Standpunten van de partijen 3.2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift het tweede middel als volgt uiteenzet : "Het middel is afgeleid uit de schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen alsook uit de schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten. Doordat het bestreden besluit door geen enkele uitdrukkelijke motivering wordt voorafgegaan. Terwijl de vaststelling van de waarde van X een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking is die uitgaat van een bestuur en die rechtsgevolgen beoogt te hebben voor één of meer bestuurden. En terwijl dergelijke rechtshandelingen het voorwerp moeten uitmaken van een uitdrukkelijke motivering, die in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zodat door een eenzijdige rechtshandeling te stellen met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor verschillende bestuurden, zonder dat deze rechtshandeling uitdrukkelijk en afdoende werd gemotiveerd, de Koning de in het middel vermelde wettelijke bepalingen en de daarin opgenomen substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen heeft geschonden"; 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, samengevat, betoogt dat de formele motiveringswet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op besluiten waarbij de waarde X wordt vastgesteld, vermits deze reglementair van aard zijn en op een onbepaald aantal gevallen, toepasselijk zijn; 3.2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij, in haar memorie van wederantwoord, samengevat, het volgende laat gelden : VII-17.946-7/12 In het huidige systeem gegrond op de wet van 26 juni 1992 zijn de koninklijke besluiten houdende vaststelling van de waarden van X, zonder meer bijzondere toepassingsregelen van deze wet, d.w.z. administratieve akten met een individuele strekking. In zoverre het bestreden besluit zich beperkt tot het bepalen van de waarde van X, omvat het geen enkele rechtsregel. De bestreden akte is slechts een bijzondere toepassingsregel van de wet, de toepassing van een algemene regel op een concreet geval, dus op één of meerdere bepaalde personen m.b.t. een nauwkeurig omschreven situatie : de labo's voor klinische biologie, erkend door het ministerie van sociale voorzorg, die tijdens het dienstjaar 1992 en 1991 verstrekkingen hebben verricht voor de niet-gehospitaliseerde rechthebbende. De Koning kan de waarde van X bepalen precies omdat hij kennis heeft van de uitgaven voor klinische biologie die door ieder labo individueel werden verricht. Het bestreden besluit is van aard om gevolgen te hebben ten aanzien van individueel aangewezen labo's in zoverre het een regularisatie-effect heeft voor het verleden. Het bestreden besluit is niet vatbaar voor herhaalde toepassingen. Het bestreden besluit wordt niet voorafgegaan door een uitdrukkelijke en formele motivering; 3.2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij, in haar laatste memorie, samengevat, nog betoogt dat de vaststelling van de waarde X geen reglementair karakter heeft, maar de eenvoudige vaststelling is, a posteriori, van een mathematische coëfficiënt om toe te laten de wet in werking te stellen, en dat de bestreden rechtshandeling wel degelijk een collectieve individuele rechtshandeling is, "d.w.z. een opsomming van verschillende individuele rechtshandelingen die voor de gemakkelijkheid door de Koning worden geviseerd in één enkele materiële rechtshandeling, die slechts de verschillende situaties uit het verleden herbekijkt in de tijd, en gericht wordt aan de bepaalde laboratoria m.b.t. welbepaalde prestaties waarvan de belangrijkheid en de kost reeds gekend zijn op het ogenblik waarop de coëfficiënt X wordt vastgesteld", zodat het om een rechtshandeling van individuele aard gaat, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991dienen te worden toegepast; 3.2.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat de rechtspraak en de rechtsleer terzake verdeeld zijn; VII-17.946-8/12 3.2.2. Bespreking Overwegende dat het bestreden besluit geen individuele strekking heeft, en derhalve krachtens artikel 1, juncto artikel 2, van de Formele motiveringswet van 29 juli 1991 niet aan die wet onderworpen is; dat het immers niet gaat om het toepassen, in een concreet geval, van een rechtsregel op een bepaalde persoon of een bepaalde zaak; dat het daarentegen een besluit betreft dat zelf een rechtsregel formuleert en een algemene draagwijdte heeft, en bestemd is om in principe op een onbepaald aantal gevallen te worden toegepast, ook al zijn deze gevallen in casu bepaalbaar; dat het middel ongegrond is; 3.3. Derde middel Overwegende dat de verzoekende partij, in haar laatste memorie, afstand doet van het "vierde middel"; dat hiermee kennelijk het derde middel wordt bedoeld; 3.4. Vierde middel 3.4.1. Standpunten van de partijen 3.4.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift het vierde middel als volgt uiteenzet : "Het middel is afgeleid uit de schending van het artikel 61, § 12 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, uit de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, uit de afwezigheid of ten minste het tekort schieten van de interne motivering van de bestreden akte en uit de kennelijke beoordelingsfout en de machtsoverschrijding. Doordat het betrokken besluit de waarde van X voor het jaar 1992 op 6,46 vaststelt voor het jaar 1992. En doordat de waarde van Z berekend moest worden op grond van de uitgaven voor klinische biologie (die) door de betrokken laboratoria werden gefactureerd voor de gecumuleerde trimesters van hetzelfde dienstjaar. Terwijl de waarde van X dient te worden berekend op basis van de werkelijke uitgaven voor klinische biologie van de betrokken laboratoria. En terwijl, inzoverre het hier gaat om de vaststelling van het bedrag van een definitief ristorno, de vast te stellen waarde slechts de uitdrukking kan zijn van het wiskundig verschil tussen het bedrag van het jaarlijks budget voor de uitgaven voor ambulatoire klinische biologie zoals vastgesteld door de Minister en het bedrag van de uitgaven die daadwerkelijk werden gemaakt tijdens het betrokken dienstjaar. VII-17.946-9/12 En terwijl de Koning gehouden is de waarde van X op deze wiskundige waarde vast te stellen zonder dat het echter 10 mag overschrijden, en zonder dat er hem in dit verband enige discretionaire bevoegdheid toekomt. Zodat door de waarde van X niet op deze wiskundige waarde vast te stellen, de Koning het wettelijk voorschrift, alsook de beginselen aangehaald in het middel, heeft geschonden en zijn machten heeft overschreden"; 3.4.1.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord van de verwerende partij o.m. wordt gerepliceerd dat vernietiging op grond van dit middel tot gevolg zou hebben dat nieuwe waarden zouden moeten worden vastgesteld, zoals in het ontworpen besluit, die ongunstig zijn voor de verzoekende partij, en deze laatste partij daarbij geen belang heeft; 3.4.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord o.m. doet gelden : "Door deze waarde op 6,46 terug te brengen voor het jaar 1992, daar waar het duidelijk blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat, volgens de berekeningen van het RIZIV, deze waarde op 7,71 had moeten worden vastgesteld, heeft de Koning de wettelijke bepalingen vermeld in het middel geschonden en zijn machten overschreden. (...) Verzoekster heeft een manifest belang bij het bestrijden van de wettelijkheid van het koninklijk besluit en met het nastreven van de annulatie van deze akte om zodoende vrijgesteld te worden van de betaling van de aanvullende ristorno's, naast de ristorno's die, voorlopig, door het RIZIV worden gevorderd. Tegenpartij kan zich onmogelijk uitspreken over het herstel van de akte die desgevallend zal worden nietigverklaard, en kan derhalve niet beweren dat het geannuleerde koninklijk besluit noodzakelijk door een nieuw besluit zou worden vervangen waarbij de vastgestelde waarde voor X minder voordelig zou zijn voor verzoekster. Hierbij negeert tegenpartij het eerste middel dat in het kader van dit beroep werd opgeworpen"; 3.4.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij, in haar laatste memorie, m.b.t. tot haar belang nog toevoegt : "Het is ten onrechte dat het auditoraatsverslag dit middel als onontvankelijk beschouwt omwille van het feit dat als gevolg van een vernietiging gegrond op onderhavig middel de verwerende partij noodzakelijkerwijze een coëfficiënt X zou moeten vaststellen met een waarde die superieur is aan diegene die thans door de bestreden akte wordt weerhouden. Men mag niet vergeten dat de Raad van State oordeelt in het kader van zijn objectief contentieux dat een verzoekende partij steeds van een rechtens vereist belang moet doen blijken om de onwettige akte te laten vernietigen, die haar werd tegengesteld. Hetgeen de verwerende partij al dan niet logischerwijze zal kunnen doen als gevolg van een vernietigingsarrest heeft dus geen enkele invloed op de uitoefening van de bevoegdheid van de Raad van State en kan derhalve geen deel uitmaken van de beoordeling van een middel"; 3.4.2. Bespreking VII-17.946-10/12 Overwegende dat uit het totstandkomingsproces van het bestreden besluit blijkt dat van de oorspronkelijk door de bevoegde diensten berekende X- waarde werd afgezien, en deze inderdaad werd verlaagd tot de Z-waarde, om terugvorderingen ten laste van de laboratoria voor klinische biologie te voorkomen; dat de verzoekende partij niet stelt dat de berekeningen die tot de oorspronkelijke hogere X-waarde hebben geleid, en die voor de klinische laboratoria ongunstig waren, vermits ze tot aanzienlijke terugvorderingen zouden aanleiding geven, daar waar dit niet het geval is wanneer de X-factor gelijkgesteld wordt met de Z-factor, niet correct waren; dat de verzoekende partij bijgevolg geen belang heeft bij het gegrond bevinden van dit middel, vermits dit logischerwijze moet leiden tot het vaststellen van een hogere en voor haar niet gunstige X-waarde; dat bovendien hierboven is gebleken dat het gegrond bevinden van het middel logischerwijze precies tot een verhoging van de X-waarde moet leiden; dat het middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-17.946-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.946-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.