← België

Arrest 160431 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.431 Rolnummer: A. 82944/VII-17947 Zaak: Arrest 160431 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 22:29 Fiche Arrest nr 160.431 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.431 van 22 juni 2006 in de zaak A. 82.944/VII-17.947. In zake : de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING DER GE NE E S HE RE N- S P E CI ALI S T E N I N ME DI S CHE BIOPATHOLOGIE, die woonplaats kiest bij advocaten X. LEURQUIN en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING DER GENEESHEREN-SPECIALISTEN IN MEDISCHE BIOPATHOLOGIE op 15 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 2 december 1998 tot vaststelling van de waarde X voor het jaar 1992, in uitvoering van artikel 61 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2006; VII-17.947-1/12 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DE MAEYER, die, in eigen naam en loco advocaten X. LEURQUIN en W. GONTHIER, verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché P. MYLEMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat het juridisch kader van de zaak als volgt kan worden samengevat : Artikel 61, § 11, eerste lid, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet op de ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna ZIV-wet genoemd) bepaalt dat wanneer de uitgaven voor de klinische biologie voor een bepaald dienstjaar het voor dat dienstjaar vastgestelde globaal budget met ten minste 2 pct. overstijgen, de laboratoria aan het R.I.Z.I.V. een ristorno verschuldigd zijn waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 61, § 12, van de ZIV- wet. Artikel 61, § 11, tweede lid, van de ZIV-wet bepaalt dat de laboratoria op dit ristorno trimestriële voorschotten betalen waarvan het bedrag wordt berekend overeenkomstig artikel 61, §§ 14 en 15. De betaling is dus georganiseerd in twee stappen :

  1. a)een trimestriële, voorlopige en provisionele betaling op basis van de facturen uitgegeven door het R.I.Z.I.V. met toepassing van de waarde Z vastgesteld door de Koning voor ieder afzonderlijk trimester in functie van het voor dat trimester te recupereren verschil tussen de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie voor het betrokken trimester, en het overeenkomstig de bepalingen van § 13, eerste lid, voor het betrokken trimester vastgestelde bedrag (artikel 61, § 14, vierde lid, van de ZIV-wet);
  2. b)een definitieve betaling op basis van de facturen uitgegeven door het R.I.Z.I.V. met toepassing van de waarde van X voor ieder dienstjaar afzonderlijk vastgesteld, in functie van het voor dat dienstjaar te recupereren verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget; VII-17.947-2/12 2. Overwegende dat het feitelijk kader zich als volgt aandient : 2.1. Op 22 september 1997 adviseert het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging positief over een ontwerp van koninklijk besluit ?tot vaststelling van de definitieve recuperatie inzake ambulante klinische biologie voor 1992", maar maakt het ?de tijdens de vergadering gemaakte opmerkingen mee over aan de toeziende overheid, meer bepaald met betrekking tot een eventuele lagere X-waarde van 6,46 die overeenkomt met het bedrag van de reeds verstuurde facturen". Het Verzekeringscomité zegt in elk geval te willen vermijden dat de correct handelende laboratoria worden gesanctioneerd. Aan dit advies ging een gedachtewisseling vooraf waarin o.m. een lid meent dat de onrechtvaardigheid van het ristornosysteem wordt verstrekt door de X-waarde op 7,71 vast te leggen en ervoor pleit om de X-waarde maximaal vast te leggen op 6,46, "zijnde de waarde die overeenstemt met het bedrag aan reeds verzonden facturen". 2.2. Op 29 september 1997 adviseert de Algemene raad van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het R.I.Z.I.V. gunstig over het voormelde ontwerp van koninklijk besluit opgesteld op grond van een nota nr. 97/91, van 26 augustus 1997, van de bevoegde dienst, waarin voor het jaar 1992, de waarde X wordt vastgesteld op 7,71. 2.3. Op 2 december 1998 wordt het bestreden besluit genomen en wordt de waarde X voor het jaar 1992 vastgesteld op 6,46; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1. Eerste middel 3.1.1. Standpunten van de partijen 3.1.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij het eerste middel in het verzoekschrift als volgt uiteenzet : "Het middel is afgeleid : • uit de schending van het vertrouwensbeginsel, en meer bepaald de miskenning van het gewettigd vertrouwen dat de rechtsonderhorige koestert t.a.v. het Bestuur, • uit de schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, VII-17.947-3/12 • uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel, en meer bepaald de miskenning van de redelijke termijn, • uit de onbevoegdheid van de auteur van de akte, • en uit machtsoverschrijding. Doordat de Koning met het aangevochten besluit pas op 2 december 1998 de waarde van X vaststelt voor het jaar 1992 en dit in uitvoering van artikel 61 van de Wet betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, gecoördineerd op 14 juli 1994. Terwijl de Koning de verplichting heeft om voor elk dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast te stellen van zodra het voor dat dienstjaar te recupereren verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget bekend is. Terwijl de Koning, die minstens reeds sinds 31 december 1994 kennis had van het werkelijk bedrag dat de laboratoria voor klinische biologie hadden uitgegeven voor het dienstjaar 1992, onmiddellijk de wiskundige waarde van X voor dat dienstjaar had dienen vast te stellen en niet 4 jaar later. En terwijl het overschrijden van de redelijke termijn de Koning onbevoegd ratione temporis heeft gemaakt om nog zijn bevoegdheid uit te oefenen. Zodat, door op 2 december 1998 de waarde van X voor het jaar 1992 vast te stellen, de Koning de in het middel aangehaalde algemene rechtsbeginselen heeft geschonden en, door het niet-eerbiedigen van de redelijke termijn, het aangevochten besluit heeft getroffen op een ogenblik dat Hij daartoe onbevoegd was geworden, wat aldus machtsoverschrijding uitmaakt"; Overwegende dat zij in de toelichting, samengevat, doet gelden wat volgt : Uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat de R.I.Z.I.V.- adviezen pas in september 1997 werden uitgebracht. Het besluit werd op 2 december 1998 genomen en werd op 14 januari 1999 gepubliceerd om op dezelfde dag in werking te treden. Gelet op de geldende verjaringstermijn had de Koning vanaf 1 januari 1995 een besluit moeten treffen voor het vaststellen van de waarde X voor 1992. De Koning oefende zijn bevoegdheid uit met een vertraging van vier jaar of 47 maanden, wat een manifeste overschrijding is van de redelijke termijn, zodat Hij op definitieve wijze onbevoegd ratione temporis werd. De rechtsleer en rechtspraak in verband met de redelijke termijn leert dat het redelijk of onredelijk karakter van een termijn in concreto wordt beoordeeld, waarbij doorgaans drie elementen in overweging worden genomen : de aard van de zaak, het gedrag van de rechtsonderhorige, en het gedrag van de administratie. Wat betreft de aard van de zaak, geldt dat het voortbestaan van de klinische labo's op het spel stond, nu de terug te betalen sommen tot 180 % van het omzetcijfer van het labo kunnen bedragen. Wat betreft het gedrag van de rechtsonderhorige, geldt dat het administratief verloop van de procedure niet door haar gedrag werd beïnvloed. VII-17.947-4/12 Wat betreft het gedrag van de administratie ten slotte : de Koning diende initiatieven te nemen en snel tussenbeide te komen rekening houdend met de aard van de zaak; 3.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, o.m. betoogt wat volgt : In hoofdorde geldt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, vermits een vernietiging zal meebrengen dat de uiteindelijke afrekening door middel van een definitieve factuur nog langer zal uitgesteld worden. Een vernietiging zou meebrengen dat het zelfs onmogelijk wordt nog een nieuw koninklijk besluit te nemen, vermits dit nog later zou zijn dan het thans bestreden koninklijk besluit. Artikel 61 van de ZIV-wet zou dan onmogelijk kunnen worden uitgevoerd, hetgeen een schending zou inhouden van artikel 108 van de Grondwet, overeenkomstig hetwelk de Koning de verordeningen maakt en de besluiten neemt die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. In ondergeschikte orde geldt dat de Koning niet binnen een onredelijke termijn gehandeld heeft. De werkelijke uitgaven voor de klinische biologie zijn, gelet op de verjaringstermijn neergelegd in artikel 174 van de ZIV-wet, slechts gekend in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van de verstrekkingen. Soms zijn er interne factureringsproblemen bij de laboratoria of andere vergissingen die een nieuwe berekening vergen. Al deze gegevens dienen geverifieerd en het eindresultaat dient opgemaakt. Daarna begint de procedure voor de opmaak van het eigenlijke koninklijk besluit. Vanaf het moment dat het R.I.Z.I.V. in het bezit was van de gegevens werd tot de vaststelling van de waarde X overgegaan, maar gelet op de uit te brengen adviezen gaat aan een dergelijk koninklijk besluit veel vooraf. Eens de voorbereidende werkzaamheden achter de rug verliep de totstandkomingsprocedure vlot en nam zij slechts zestien maanden in beslag, waarvan acht maanden voor het uitbrengen van het advies van de Raad van State. De verzoekende partij liet na de verwerende partij in gebreke te stellen op basis van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verwijzing naar de boekhouding van 1992 is niet relevant. De Koning werd niet onbevoegd omdat volgens de verzoekende partij de opstelling van het bestreden besluit te lang aansleepte. Evenmin is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, nu de verzoekende partij er perfect van op de hoogte was dat de waarde van X zou worden vastgesteld voor de desbetreffende periode; VII-17.947-5/12 3.1.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij, in haar memorie van wederantwoord, samengevat, nog het volgende doet gelden : Door een vernietiging wegens schending van de redelijke termijn wordt de Koning onbevoegd ratione temporis. De bevoegdheid die de Koning ontleent aan artikel 108 van de Grondwet doet geen afbreuk aan de verplichting binnen een redelijke termijn te handelen. De onmogelijkheid voor de Koning om de bestreden akte te hernemen zou aan alle labo's die ten onrechte voorlopige voorschotten betaald hebben, het recht geven om er de terugbetaling van te vragen voor de burgerlijke rechter, waardoor het belang van de verzoekende partij bij het middel is aangetoond. Bij gebreke van het vaststellen van de definitieve facturen voor het jaar 1992, zouden de voorlopige facturen opgesteld in afwachting van de definitieve facturen geen reden van bestaan meer hebben en zouden de betaalde bedragen op basis van deze facturen moeten worden terugbetaald. Wat de gegrondheid van het middel betreft : Met de programmawet van 30 december 1988 werd het systeem van terugvorderingen in de sector klinische biologie ingevoerd. Bij koninklijk besluit van 22 maart 1989 werden nadere uitvoeringscriteria bepaald, en dit koninklijk besluit werd, nadat het eerst al gewijzigd was, vervangen door een koninklijk besluit van 5 maart 1992. De reglementering werd retroactief gevalideerd met een wet van 26 juni 1992. Vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad op 30 juni 1992 van deze wet van 26 juni 1992, bevond de verwerende partij zich bijgevolg voor een definitief bij wet geregeld regime met betrekking tot de jaren 1990, 1991 en 1992. De verwerende partij moest de definitieve bedragen kennen inzake de uitgaven voor de verstrekkingen van klinische biologie van de betrokken labo's en wel op 1 januari 1995 voor het dienstjaar 1992. In rechte moet worden vastgesteld dat de eis inzake de redelijke termijn geldt ten overstaan van heel verschillende soorten besluiten, ook reglementaire. Mede gelet op het feit dat de ZIV-wet de openbare orde raakt, dienen de uitvoeringsbepalingen ervan binnen een redelijke termijn te worden genomen. Uit de rechtsleer en de rechtspraak van de Raad van State blijkt duidelijk dat het bestuur onderworpen is aan de vereiste inzake de redelijke termijn. Van zodra is aangetoond dat de verwerende partij de redelijke termijn overschreed, leidt dit tot een onbevoegdheid van de auteur van de akte om nog een beslissing te treffen buiten deze termijn. Ingevolge de aangevochten akte weten de labo's slechts vanaf 14 januari 1999 welke de definitieve impact zal zijn van de aan het R.I.Z.I.V. te verrichten terugbetalingen voor prestaties die werden verstrekt en op rechtmatige wijze werden betaald in 1992. De balansen van de betrokken labo’s werden voor het jaar 1992 definitief opgesteld en kunnen niet meer worden herzien. De overschrijding van de VII-17.947-6/12 redelijke termijn maakt het de betrokken labo's onmogelijk om de terugbetaling of het ristorno nog te verhalen op de rechthebbenden van de prestaties die door deze ristorno's worden geviseerd. Toegespitst op het onderhavige geval geldt dat de verjaringstermijn van twee jaar juist werd voorzien om het R.I.Z.I.V. toe te laten alle controles, verificaties en noodzakelijke en gebeurlijke correcties van alle bedragen door te voeren. De verwerende partij heeft geen enkele verklaring om de inertie na 1 januari 1995 te trachten rechtvaardigen. De abnormale lengte van de termijn moet gezien worden in het perspectief van de zwaarte van het nadeel dat wordt gecreëerd bij de klinische labo's. Uit vaststaande rechtsleer en rechtspraak blijkt dat de overheid onbevoegd ratione temporis wordt wanneer zij de redelijke termijn heeft overschreden. Wat betreft de schending van het vertrouwensbeginsel geldt dat de labo’s tien jaar in het ongewisse zijn gelaten over de uiteindelijk verschuldigde bedragen. Wat betreft het rechtszekerheidsbeginsel geldt dat er geen enkele voorzienbaarheid was in de tussenkomst van de Koning om de coëfficiënt van X voor het jaar 1992 vast te stellen; 3.1.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij wat de gegrondheid van het middel betreft in haar laatste memorie , als antwoord op het auditoraatsverslag, er op wijst dat de Raad van State, met het arrest 82.934, van 18 oktober 1999, zijn eerdere rechtspraak heeft bevestigd, volgens dewelke de Koning zijn macht overschrijdt wanneer Hij nalaat een wet uit te voeren "hors de tout délai raisonnable", zelfs wanneer deze geen enkele termijn vaststelt voor de uitvoering ervan; 3.1.1.5. Overwegende dat de laatste memorie van de verwerende partij niets toevoegt aan de argumentatie m.b.t. de gegrondheid van het middel; 3.1.2. Bespreking Overwegende dat de verzoekende partij niet concreet aannemelijk maakt dat het loutere feit dat de bedoelde X-waarde zeer laat werd vastgesteld een toestand van onduldbare rechtsonzekerheid heeft doen ontstaan in haren hoofde; dat zij moest verwachten, gelet op de wettelijke regeling geschetst onder nr. 1 (juridisch kader), dat de Koning die waarde zou vaststellen; dat zij niet aantoont dat het feit dat zij slechts vanaf 14 januari 1999 de definitieve impact van de betrokken regeling kent, VII-17.947-7/12 haar normale zaakvoering daadwerkelijk in het gedrang heeft gebracht, in aanmerking nemend dat de uiteindelijk vastgestelde waarde niet tot terugvorderingen te haren laste aanleiding gaf ; dat het wettelijk systeem hoe dan ook voor gevolg heeft dat de X- waarden pas na enige tijd kunnen worden vastgesteld ; dat het zaak is van de betrokken labo’s daarmee rekening te houden bij de wijze van het voeren van hun boekhouding, en de eventuele moeilijkheden die daarmee verband houden op de eerste plaats een gevolg zijn van de wettelijke regeling; dat het bestreden besluit uitvoering geeft aan een wettelijke regeling die een belangrijke impact heeft op de inkomsten van het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering; dat de uiteindelijk vastgestelde waarde precies in het belang van de klinische laboratoria zodanig werd bepaald dat deze laatste bovenop de reeds voorgeschoten ristorno’s jaren later geen bijkomende betalingen meer dienden te verrichten; dat in acht genomen die gegevens de Koning, ondanks de ruime reeds verstreken termijn, nog over de bevoegdheid beschikte de X-waarde vast te stellen op de wijze zoals Hij heeft gedaan; dat het middel niet gegrond is; 3.2. Tweede middel 3.2.1. Standpunten van de partijen 3.2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij het tweede middel in het verzoekschrift als volgt uiteenzet : "Het middel is afgeleid . uit de schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, . en uit de schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften, Doordat het aangevochten besluit geen enkele uitdrukkelijke motivering bevat. Terwijl de vaststelling van de waarde van X een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking is die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden, En terwijl zulke rechtshandelingen het voorwerp moeten uitmaken van een uitdrukkelijke motivering, die in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en die afdoende moet zijn, Zodat door een eenzijdige rechtshandeling te treffen met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor verschillende bestuurden, zonder dat deze rechtshandeling uitdrukkelijk en afdoende werd gemotiveerd, de Koning de in het middel geviseerde wettelijke bepalingen en de daarin opgenomen substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, heeft geschonden"; dat zij ter adstructie van het middel verwijst naar bepaalde rechtspraak; VII-17.947-8/12 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, samengevat, betoogt dat de formele motiveringswet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op besluiten waarbij de waarde X wordt vastgesteld, vermits deze reglementair van aard zijn en op een onbepaald aantal gevallen, toepasselijk zijn; 3.2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, samengevat, doet gelden dat de besluiten met individuele strekking kunnen worden onderverdeeld in deze die rechtsgevolgen hebben voor één individu, en deze die een collectiviteit van bestuurden viseren, dat de waarde X a posteriori wordt bepaald, voor een evoluerende situatie, wanneer al de uitgaven die door de betrokken laboratoria werden gedaan voor de ambulante rechthebbende, bekend zijn, en uitsluitend van toepassing is op een bepaald of minstens op een bepaalbaar aantal laboratoria in de klinische biologie, dat de akte geenszins het permanent karakter heeft dat vereist is voor een reglementair besluit, en dat de gevolgen van de akte zullen uitdoven door de toepassing ervan; dat zij uit een en ander afleidt dat het gaat om een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te ressorteren voor een collectiviteit van fysieke personen of van rechtspersonen die voor de dienstjaren 1990 en 1991 verstrekkingen hebben verricht voor ambulante rechthebbenden; 3.2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog, samengevat, betoogt dat de vaststelling van de waarde X geen reglementair karakter heeft, maar de eenvoudige vaststelling is, a posteriori, van een mathematische coëfficiënt om toe te laten de wet in werking te stellen, dat de bestreden rechtshandeling wel degelijk een collectieve individuele rechtshandeling is, "d.w.z. een opsomming van verschillende individuele rechtshandelingen die voor de gemakkelijkheid door de Koning worden geviseerd in één enkele materiële rechtshandeling, die slechts de verschillende situaties uit het verleden herbekijkt in de tijd, en gericht wordt aan de bepaalde laboratoria m.b.t. welbepaalde prestaties waarvan de belangrijkheid en de kost reeds gekend zijn op het ogenblik waarop de coëfficiënt X wordt vastgesteld", zodat het om een rechtshandeling van individuele aard gaat, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 dienen te worden toegepast; 3.2.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat de rechtspraak en de rechtsleer terzake verdeeld zijn; 3.2.2. Bespreking VII-17.947-9/12 Overwegende dat het bestreden besluit geen individuele strekking heeft, en derhalve krachtens artikel 1, juncto artikel 2, van de Formele motiveringswet van 29 juli 1991 niet aan die wet onderworpen is; dat het immers niet gaat om het toepassen, in een concreet geval, van een rechtsregel op een bepaalde persoon of een bepaalde zaak; dat het daarentegen een besluit betreft dat zelf een rechtsregel formuleert en een algemene draagwijdte heeft, en bestemd is om in principe op een onbepaald aantal gevallen te worden toegepast, ook al zijn deze gevallen in casu bepaalbaar; dat het middel ongegrond is; 3.3. Derde middel 3.3.1. Standpunten van de partijen 3.3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij het derde middel als volgt uiteenzet : "Het middel is afgeleid : • uit de schending van artikel 61, § 12, 3de alinea van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; • uit de afwezigheid of minstens de ontoereikendheid van de interne motivering, • uit een manifeste beoordelingsvergissing, • en uit machtsoverschrijding. Doordat het aangevochten besluit de waarde van X voor het jaar 1992 op 6,46 vastlegt. Terwijl de waarde van X mathematisch dient berekend te worden als zijnde het voor dat dienstjaar te recupereren verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget, En terwijl de waarde van X diende berekend te worden op basis van de reële uitgaven voor klinische biologie van de betrokken laboratoria en niet op basis van de door hen gefactureerde uitgaven, En terwijl de bestreden rechtshandeling niet duidelijk maakt welke feitelijke elementen de Koning als grondslag genomen heeft om voor X een waarde van 6,46 te weerhouden, Zodat door X niet op basis van zijn mathematische waarde vast te stellen, door de reële uitgaven voor klinische biologie van de betrokken laboratoria niet als grondslag te nemen voor de berekening van de waarde van X en door niet aan te tonen welke feitelijke elementen Hij als grondslag genomen heeft om voor X een waarde van 6,46 aan te nemen, de Koning de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen heeft geschonden, een manifeste beoordelingsvergissing heeft begaan en zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd hetgeen machtsoverschrijding uitmaakt"; 3.3.1.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord van de verwerende partij o.m. wordt gerepliceerd dat vernietiging op grond van dit middel tot gevolg zou hebben dat nieuwe waarden zouden moeten worden vastgesteld, zoals in het ontworpen besluit, die ongunstig zijn voor de verzoekende partij, en deze laatste partij daarbij geen belang heeft; VII-17.947-10/12 3.3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, t.a.v. haar belang, doet gelden dat, indien het bestreden besluit op basis van dit middel zou worden vernietigd, de Koning in geen geval een nieuwe beslissing tot vaststelling van de waarde X voor 1992 zou kunnen treffen, omdat de redelijke termijn is overschreden; 3.3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie m .b.t. tot haar belang nog toevoegt : "Het is ten onrechte dat het auditoraatsverslag dit middel als onontvankelijk beschouwt omwille van het feit dat als gevolg van een vernietiging gegrond op onderhavig middel de verwerende partij noodzakelijkerwijze een coëfficiënt X zou moeten vaststellen met een waarde die superieur is aan diegene die thans door de bestreden akte wordt weerhouden. Men mag niet vergeten dat de Raad van State oordeelt in het kader van zijn objectief contentieux dat een verzoekende partij steeds van een rechtens vereist belang moet doen blijken om de onwettige akte te laten vernietigen, die haar werd tegengesteld. Hetgeen de verwerende partij al dan niet logischerwijze zal kunnen doen als gevolg van een vernietigingsarrest heeft dus geen enkele invloed op de uitoefening van de bevoegdheid van de Raad van State en kan derhalve geen deel uitmaken van de beoordeling van een middel"; 3.3.2. Bespreking Overwegende dat uit het totstandkomingsproces van het bestreden besluit blijkt dat van de oorspronkelijk door de bevoegde diensten berekende X- waarde werd afgezien, en deze inderdaad werd verlaagd tot de Z-waarde, om terugvorderingen ten laste van de laboratoria voor klinische biologie te voorkomen; dat de verzoekende partij niet stelt dat de berekeningen die tot de oorspronkelijke hogere X-waarde hebben geleid, en die voor de klinische laboratoria ongunstig waren, vermits ze tot aanzienlijke terugvorderingen zouden aanleiding geven, daar waar dit niet het geval is wanneer de X-factor gelijkgesteld wordt met de Z-factor, niet correct waren; dat de verzoekende partij bijgevolg geen belang heeft bij het gegrond bevinden van dit middel, vermits dit logischerwijze moet leiden tot het vaststellen van een hogere en voor haar niet gunstige X-waarde; dat bovendien hierboven is gebleken dat het gegrond bevinden van het middel logischerwijze precies tot een verhoging van de X-waarde moet leiden; dat het middel niet ontvankelijk is; 3.4. Vierde middel VII-17.947-11/12 Overwegende dat de verzoekende partij, in haar laatste memorie, afstand doet van het vierde middel, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.947-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.431 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.