id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.432 Rolnummer: A. 79281/VII-16901 Zaak: Arrest 160432 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 22:30 Fiche Arrest nr 160.432 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.432 van 22 juni 2006 in de zaak A. 79.281/VII-16.901. In zake : de b.v.b.a. HUISDIERENCENTRUM ZOLDER, die woonplaats kiest bij Advocaat P. DILLEMANS, kantoor houdende te HULDENBERG (NEERIJSE), Loonbeekstraat 25 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. HUISDIERENCEN- TRUM ZOLDER op 8 juli 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 14 mei 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep van een omwonende tegen de beslissing van 15 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden- Zolder houdende de aktename van de melding door de verzoekende partij van verandering van haar vergunde inrichting, gegrond wordt verklaard en het beroepen aktenemingsbesluit wordt opgeheven; Gelet op het arrest nr. 78.148 van 14 januari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; VII-16.901-1/9 Gelet op de beschikking van 18 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DILLEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.1. Op 16 maart 1993 dient Carlo VAN BAEL bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder een milieuvergunnings- aanvraag in voor het exploiteren van een dierenpension, gelegen aan de Jeugdlaan 51 te Heusden-Zolder op percelen kadastraal bekend als 4de Afdeling, Sectie E, perceelnrs. 48 L, 51 E, 48 K en 40 N2. Het betreft een nieuwe inrichting die onder meer een dierenhotel voor 80 honden en 30 katten, een hondenkennel voor het fokken van rashonden, een dierenkapsalon en een dierenspeciaalzaak zou omvatten. Bij de vergunningsaanvraag is een inplantingsplan gevoegd waaruit blijkt dat de nieuw te bouwen hondenstallingen en -rennen gepland worden op het achterliggende perceelnr. 51 E, verder dan 45 meter achter de rooilijn. VII-16.901-2/9 1.2. Met een besluit van 28 juni 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder wordt aan Carlo VAN BAEL de gevraagde milieuvergunning verleend voor een termijn van twintig jaar. 1.3. De met de milieuvergunning overeenstemmende bouwvergunning wordt in eerste instantie geweigerd bij besluit van 26 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder, op grond van het feit dat de voorgestelde inplanting van de gebouwen, die volledig overeenstemt met de bij de milieuvergunningsaanvraag gevoegde plannen, de goede ruimtelijke ordening van de plaats in het gedrang zou brengen. In het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar wordt evenwel gesteld dat een "inplanting in de onmiddellijke nabijheid van het woonhuis (...) wel te overwegen (
- is)(tot max. 45 m achter de rooilijn), omdat dan de aantasting van het agrarisch gebied tot een minimum beperkt wordt". Op 19 augustus 1993 dient Carlo VAN BAEL een nieuwe bouwvergunningsaanvraag in, volgens dewelke de inplanting van de hondenverblijven wordt voorzien op maximaal 45 meter achter de rooilijn. Op 11 oktober 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder de bouwvergunning voor "het uitbreiden en verbouwen van een hondenpension" volgens de gewijzigde bouwplannen. 1.4. Op 9 januari 1995 meldt Carlo VAN BAEL, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de b.v.b.a. HUISDIERENCENTRUM ZOLDER, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder de verandering van de bestaande inrichting door "verplaatsing van de hondenrennen binnen de vergunde percelen". Die melding van verandering strekt ertoe om de milieuvergunning af te stemmen op de bouwplannen waarmee het college heeft ingestemd bij het verlenen van de bouwvergunning van 11 oktober 1993. Tegelijk met de melding van verandering wordt de overname gemeld van de inrichting door de verzoekende partij. 1.5. Op 25 januari 1995 neemt het college van burgemeester en schepenen een beslissing waarbij aan Carlo VAN BAEL "vergunning" wordt verleend voor de "verandering van de vergunde inrichting door verplaatsing van de hondenren- nen binnen de vergunde percelen". 1.6. Na administratief beroep van omwonende Eddy THIJS wordt voormeld besluit opgeheven bij besluit van 6 februari 1997 van de bestendige VII-16.901-3/9 deputatie van de provincieraad van Limburg om reden dat de wijziging van de inplanting van de hondenverblijven niet via een meldingsprocedure vergund kan worden maar slechts nadat de exploitant een "volledig nieuwe vergunningsaanvraag" heeft ingediend. De vordering tot schorsing en het annulatieberoep van Carlo VAN BAEL tegen de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie worden verworpen, respectievelijk bij arrest nr. 67.730 van 25 augustus 1997 en arrest nr. 141.833 van 10 maart 2005. 1.7. Op 5 maart 1997 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder akte van de overname van de inrichting door de b.v.b.a. HUISDIERENCENTRUM ZOLDER, daarmee gevolg gevend aan de melding van 9 januari 1995. 1.8. Bij besluit van 15 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder wordt vervolgens akte genomen van "de melding van de BVBA Huisdierencentrum Zolder, Jeugdlaan 51 te 3550 Heusden-Zolder voor de verandering van de vergunde inrichting (milieuvergunning van 28 juni 1993) door een wijziging m.b.t. de inplanting van de verblijfplaatsen voor de honden binnen de vergunde percelen". Deze beslissing tot aktename houdt nog steeds verband met de melding van verandering die op 9 januari 1995 werd ingediend. Deze nieuwe aktename maakt niet onmiddellijk het voorwerp uit van een bekendmaking door het gemeentebestuur. 1.9. Met een op 26 januari 1998 aangetekend verstuurd schrijven stelt Eddy THIJS bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg beroep in tegen voormeld besluit van 15 oktober 1997. In het beroepschrift stelt hij onder meer dat de wijziging van de inrichting niet door aktename vergund kan worden en dat de beoogde "ingrijpende veranderingen" een toename meebrengen van de hinder voor de omliggende woningen zodat de gewone vergunningsprocedure gevolgd moet worden. In fine van het beroepschrift wordt het "laattijdig" indienen van het beroep toegeschreven aan het feit dat het aktenemingsbesluit van het college van burgemeester en schepenen niet door aanplakking werd bekendgemaakt. 1.10. Op 12 februari 1998 deelt de gemachtigde ambtenaar van de bestendige deputatie aan de omwonende mee dat zijn beroepschrift "in onderzoek" werd genomen. VII-16.901-4/9 1.11. Op dezelfde datum verstuurt de gemachtigde ambtenaar een aangetekend schrijven aan de verzoekende partij waarin kennis wordt gegeven van het feit dat administratief beroep werd ingesteld tegen de beslissing van 15 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden- Zolder. De inhoud van de brief luidt als volgt : "Overeenkomstig art. 50, 1/ c van het VLAREM I, stuur ik u hierbij, voor kennisneming, een voor eensluidend verklaard afschrift van het beroepschrift van de heer THIJS Eddy, Dikkelstraat 4 te Heusden-Zolder, aangetekend verzonden op 26-01-1998, tegen de beslissing dd. 15-10-1997 van het Schepencollege van Heusden-Zolder waarbij akte werd genomen van het veranderen van een hondenkennel. Dit beroepschrift wordt heden in onderzoek genomen. Enkel de beroepschriften, die uitgaan van de provinciegouverneurs en/of van de adviesverlenende overheidsorganen, bedoeld in art. 20, par. 1 van het VLAREM I, schorsen de verleende vergunning op (zie art. 49, par. 3 van het VLAREM I)". 1.12. Op 19 februari 1998 stuurt de raadsman van de verzoekende partij een brief aan het provinciebestuur waarin hij "het grootst mogelijke voorbehoud in de ruimste zin, onder meer naar de mogelijkheid van beroep (ontvankelijkheid), de tijdigheid, de vorm en inhoud van het schrijven dd. 26/1/98 van de heer Thijs" formuleert. Dezelfde brief bevat een verzoek om gehoord te worden en inzage te krijgen in het dossier. 1.13. In het kader van de administratieve beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht die deels gunstig en deels ongunstig zijn. 1.14. Intussen is de burgemeester van de gemeente Heusden-Zolder alsnog overgegaan tot de bekendmaking van het beroepen aktenemingsbesluit van 15 oktober 1997. De bekendmaking door aanplakking vindt plaats van 20 maart 1998 tot 19 april 1998. Naar aanleiding van die bekendmaking dient Eddy THIJS zijn eerder ingediend beroepschrift opnieuw in. Vervolgens geeft de gemachtigde ambtenaar van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg aan de verzoekende partij kennis van het beroepschrift en wordt haar meegedeeld dat het beroepschrift "heden in onderzoek (
- is)genomen", wat andermaal resulteert in protest van de raadsman van de verzoekende partij. Aan Eddy THIJS wordt op 9 april 1998 meegedeeld dat zijn beroepen samen behandeld zullen worden. VII-16.901-5/9 1.16. Met het bestreden besluit van 14 mei 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg worden de administratieve beroepen die Eddy THIJS had ingesteld tegen de beslissing van 15 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder ingewilligd, wordt het beroepen besluit opgeheven en wordt gesteld dat de melding van verandering van de vergunde inrichting niet wordt aanvaard en dat de exploitant voor het verkrijgen van de vereiste milieuvergunning een volledig nieuwe aanvraag moet indienen. Dit is het bestreden besluit; 2. Ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt opgeworpen dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit omdat de basisvergunning, nl. de milieuvergunning die werd verleend door het college van burgemeester en schepenen op 28 juni 1993, en waarvan nu de wijziging werd gemeld, is komen te vervallen op het ogenblik dat de bouwvergunning voor de inrichting definitief werd geweigerd bij het niet aangevoch- ten besluit van 26 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen, en dit ingevolge de koppeling tussen milieu- en bouwvergunningen zoals voorzien in artikel 5, § 2, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet; 2.2. Overwegende dat in haar laatste memorie de verzoekende partij zich verzet tegen deze conclusie; dat zij, vooreerst, aanvoert dat zowel in het bestreden besluit van 14 mei 1998, als in een Pro Justitia van 28 juni 1993 en in een vonnis van 19 september 2002 gewag wordt gemaakt van het feit dat de inrichting vergund is; dat zij verder stelt dat, aangezien de milieuvergunning van 28 juni 1993 niet het voorwerp is van onderhavige procedure, de rechtsgeldigheid van de voormelde definitieve milieuvergunning in deze niet in vraag kan worden gesteld; dat zij vervolgens nog aanvoert dat in een andere procedure zowel het provinciebestuur van Limburg als het bestuur Milieuvergunningen van de Vlaamse gemeenschap aan het college van burgemeester en schepenen hadden meegedeeld dat de milieuvergun- ning van 28 juni 1993 als rechtsgeldig kan worden beschouwd, dat bij de behandeling van de vordering tot schorsing in het auditoraatsverslag werd gesteld dat er op het eerste gezicht geen ontvankelijkheidsproblemen rezen, terwijl zij nu wel een gebrek aan belang zou hebben, terwijl “de situatie onveranderd is opzichtens de schorsings- procedure”; VII-16.901-6/9 2.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het in het auditoraatsverslag ingenomen standpunt herhaalt en bijtreedt; dat zij stelt "dat immers na een eventuele vernietiging -indien er al een gegrond middel zou zijn aangevoerd, quod non- ons college immers niets anders kan dan vaststellen dat de basisvergunning is vervallen, zodat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging van het in deze procedure bestreden besluit”; dat zij verder stelt dat eventuele foutieve inlichtingen in het verleden geen afbreuk kunnen doen aan de gevolgen die in het milieuvergunningsdecreet zelf zijn gekoppeld aan de weigering van een bouwvergunning t.a.v. een eerder verleende milieuvergunning en dat uit de bewoordingen van de brief van de gemachtigde ambtenaar van het provinciebestuur waarnaar de verzoekende partij verwijst blijkt dat het een advies ten persoonlijke titel betrof; dat zij ook nog verwijst naar een schriftelijk advies van 23 oktober 2000 van de griffie van het provinciebestuur aan de Afdeling Milieu-inspectie van de AMINAL, waarin wel degelijk tot het verval van de basisvergunning werd geconcludeerd en dat, ten slotte ook de stelling van de verzoekende partij als zou de basisvergunning niet ter discussie kunnen staan indruist tegen artikel 5, §2, derde lid van het milieuvergun- ningsdecreet, waaruit in casu uitdrukkelijk het verval van de milieuvergunning voortvloeit; 2.4. Overwegende dat het beroep niet ontvankelijk is om de volgende redenen : Luidens artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning vervalt de milieuvergunning van rechtswege "op de dag van de weigering van de bouwvergunning in laatste aanleg". Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de met de milieuvergunning van 28 juni 1993 overeenstemmende bouwvergunning geweigerd werd bij besluit van 26 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder. Die weigering werd niet bestreden, zodat moet worden vastgesteld dat de milieuvergunning van 28 juni 1993 van rechtswege is vervallen en de verzoekende partij geen belang heeft bij een eventuele vernietiging van de weigering tot aktename van de melding tot verandering van de inrichting. Na een eventuele nietigverklaring van de thans bestreden beslissing zou de verwerende partij in het kader van de herneming van de procedure immers enkel kunnen vaststellen dat de melding van verandering zonder voorwerp is gelet op het verval van de basisvergun- ning waarop de verandering betrekking heeft. Het gegeven dat in later adviezen en akten ten onrechte melding wordt gemaakt van een “vergunde” toestand, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. VII-16.901-7/9 Ook het argument van de verzoekende partij in haar laatste memorie dat de rechtsgeldigheid van een milieuvergunning die niet het voorwerp is van deze procedure niet in vraag kan worden gesteld en dat indien dat wel het geval zou zijn de Raad van State ultra petita zou oordelen, kan niet worden bijgetreden. Het ambtshalve onderzoek van de ontvankelijkheid van een vordering omvat immers onder meer het onderzoek van het belang bij de nietigverkla- ring, en meer bepaald van het voordeel dat een eventuele nietigverklaring kan opleveren voor de verzoekende partij. Er kan hier derhalve geen sprake zijn van een beslissing ultra petita. Overigens wordt hier niet de "rechtsgeldigheid" van de bedoelde milieuvergunning in vraag gesteld, maar wel het bestaan ervan. Ook de verwijzing naar het feit dat in het verslag over de vordering tot schorsing werd gesteld dat er op het eerste gezicht geen ontvankelijkheidsproble- men waren gerezen, is niet dienend. Het betreft immers slechts een mening, bovendien in het raam van een prima facie onderzoek op grond van de op dat ogenblik ter beschikking staande elementen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-16.901-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.901-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.432 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div